Advertentie
Advertentie

Maarten de Pourcq en Xavier Roelens / 'Op het oog. 21 dichters voor de 21ste eeuw'

(tijd) - 'Een neerslag van de rijkdom aan poëtische vormen onder de jonge Vlaamse dichters.' Zo omschrijven Maarten de Pourcq en Xavier Roelens 'Op het oog. 21 dichters voor de 21ste eeuw', hun onlangs verschenen bloemlezing van poëzie van jonge Vlaamse dichters.

De Pourcq en Roelens, beiden nog geen 30, zijn respectievelijk redacteur van Poëziekrant en hoofdredacteur van het literaire tijdschrift 'En er is'.

En inderdaad, er is een zekere rijkdom in de poëzie van jonge Vlaamse poëten. Toch kan je de dichters uit 'Op het oog' met wat goede wil onderbrengen in drie categorieën: zij die relatief traditionele poëzie schrijven, zij die hun poëzie het liefst op een podium brengen en zij die voortbouwen op het discoursonderzoek van postmoderne dichters als Dirk Van Bastelaere en Erik Spinoy.

Vooral die laatste groep is opvallend aanwezig. Koen Bauwens, Yves Coussement, Serge Delbruyère, Sis Matthé en Jeroen Theunissen maken met wisselend succes gebruik van gemeenplaatsen uit een postmodernistische poëtica.

Neem nu de eerste strofe van het allereerste gedicht in deze bloemlezing, 'interpretatio praecox' van Koen Bauwens:

'een vondeling genaamd 'teksttitel' van wie de lezers nog verwekt moeten worden, ooit, heeft na de schreeuw geen keuze: zonder moederborst moet hij vroegrijp door de eigen navel kruipen en zijn moeder opeten, die niet verteerd raakt en gaat woekeren van binnenuit'

Een metagedicht over hoe een tekst zich losmaakt van zijn schrijver (de 'moederborst') en hoe die schrijver toch, verspreid in de grammatica van het gedicht, als een constructie aanwezig blijft in de tekst.

Ook anderen proberen al te nadrukkelijk van deze tijd te zijn: 'de intercom deconstrueert mijn voordeur als ik telefoneer op toilet', schrijft Yves Coussement ergens.

Het is onder meer tegen dit soort pseudo-nieuwlichterij dat podiumpoëet albrecht b doemlicht tekeergaat in een vlammende tirade tegen een zelfgenoegzame, zogenaamd ruimdenkende elite die zich laat meevoeren op de golven van de nieuwste trends en hypes:

'Jullie dus, die zo verdomd ruimdenkend zijn, met name in de buikdansles

maar ook bij een bezoekje aan de salsa-club, of als je lentement platgekookte couscous vreet op polé-polé festivals, of 'k zeg maar iets, een dansje waagt bij 't horen van een klezmer-groep op klinkers, zo verdomd ruimdenkend dat je zelfs de negers en hun hip-hop verwestvlaamst of je de laatste sexy resten van je body overmaked met extreme aborigenee tattoos'

Een soortgelijk voluntarisme vinden we terug bij die andere podiumdichter, medesamensteller Xavier Roelens. 'Het is tijd voor open gesprek en onverkoopbare poëzie', dicht hij, waarna hij er nogal overbodig aan toevoegt: 'Leve seriële monogamie!' Dat klinkt goed en hij krijgt er wellicht de zaal mee op zijn hand als hij zijn gedichten op een podium brengt, maar erg veel heeft het niet te betekenen.

Dan liever Eva Cox, de winnares van de eerste Vlaamse Poetry Slam in 2001. Ook haar gedichten zijn behoorlijk vrijblijvend, maar ze slaagt er toch geregeld in de lezer te prikkelen met frisse beelden, felle ritmes en een lichtvoetige, maar geen platvloerse toon:

'ik heb een mijnschacht in mijn keel / een tong van scherp gesmeed metaal / en lagen gitzwart erts voor jaren / ik hak met korte felle slagen'.

De meer traditionele dichters in 'Op het oog' zijn van erg wisselende kwaliteit. De gedichten van Fransiska Louwagie, Erik Metsue en Reinout Verbeke vallen vooral op door hun braafheid. Alleen Jan Geerts overtuigt. Zijn poëzie wedijvert met het beste wat in Vlaanderen in dit genre is geschreven.

De poëzie van Geert Buelens, Peter Vermeersch en Ruth Lasters is moeilijker in een van de drie genoemde categorieën onder te brengen. Toch - of misschien net daardoor - behoort hun werk tot het interessantste dat je in 'Op het oog' kan lezen. De poëzie van Buelens kennen we al uit zijn bundels 'Het is' en 'Verzeker u'. Peter Vermeersch debuteerde in 2004 in het poëzietijdschrift 'Het Liegend Konijn'. In zijn gedichten worden alledaagse observaties gecombineerd met doordachte, bijna maniëristische formuleringen. Af en toe herinnert zijn werk daarom aan de poëzie van Stefan Hertmans. Ruth Lasters heeft dan weer een heel eigen, onvergelijkbare stem. Zij speelt een fascinerend spel met de taal en de gangbare grammatica, maar heeft te vaak de neiging een gedicht op een 'verrassende' pointe te doen eindigen. Daardoor mist het juist zijn vertroebelende effect.

'Op het oog' geeft een mooi overzicht van wat aan het rijpen is in de kelders van de Vlaamse poëzie. Het boek plaatst een aantal jonge Vlaamse dichters in de etalage die dat absoluut verdienen. De keerzijde van de medaille is dat mindere dichters een even groot podium krijgen. Maar dat is natuurlijk het gevolg van een selectie die niet meer wil zijn dan een 'neerslag' van wat op dit moment in Vlaanderen zoal wordt geschreven.

Interessanter dan een neerslag van de poëzie van de allerjongste Vlaamse dichters was dan ook een antologie geweest waarin de 'postpostmoderne' generatie Vlaamse dichters samen werd voorgesteld, op grond van poëticale overeenkomsten. Er valt een interessante poëticale lijn te trekken tussen Paul Bogaert, Geert Buelens, Miguel Declercq, Bart Meuleman en Jeroen Theunissen. Zij debuteerden allemaal na 1995 en halen hun mosterd op een of andere manier bij het postmodernisme van Van Bastelaere en Spinoy. Tegelijk beginnen ze poëticaal afstand te nemen van het Van Bastelaeriaanse postmodernisme.

Een bloemlezing die de genoemde dichters bijeenbrengt, zou dan ook van veel grotere literair-historische waarde zijn dan 'Op het oog', dat door de afwezigheid van die literair-historische ambitie niet meer of minder dan verdienstelijk is.

Bart VAN DER STRAETEN

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud