interview

Architect Luc Deleu: 'Die woontorens: allemaal zo clean en zo pietluttig'

©SISKA VANDECASTEELE

Een retrospectieve die ‘Future Plans’ heet, kan alleen over het werk van Luc Deleu gaan. Het is terugkijken op het werk van de man die altijd vooruitkeek. En kijkt. Maar is hij nu architect of kunstenaar? ‘Kunstenaars weten dat ik een architect ben’, zegt hij. ‘Architecten denken dat ik een kunstenaar ben.’

We zitten in deSingel, aan een raam, en kijken uit op de ring van Antwerpen. In de zaal, zoals gebruikelijk net voor de opening van een tentoonstelling met de soundtrack van hamers en boren, hangt een ingekaderde tekening van Luc Deleu (76) met daarop zijn voltooiing van de Antwerpse ring. Een werk uit 1969.

Of hij ontgoocheld was door architectuur of net visionair, is de vraag, als we het hebben over zijn eerste expo uit 1970. Ze liep van 6 tot 20 februari en ook de affiche daarvan hangt in een lijst. We lezen: ‘Luc Deleu neemt afscheid van architectuur in het vacuüm voor nieuwe dimensies, Cogels Osylei 42 2600 Berchem Antwerpen. Je bent uitgenodigd.’

Luc Deleu

Luc Deleu (76) is geboren in Duffel. Hij studeerde architectuur aan Sint-Lucas in Brussel. In 1970 stichtte hij samen met zijn vrouw T.O.P. Office, een stedenbouwkundig studiebureau. Datzelfde jaar heeft hij zijn eerste expo: ‘Luc Deleu neemt afscheid van de architectuur.’ Andere tentoonstellingen en publicaties volgen, bekend zijn zijn installaties met containers. In 2014 ontving Deleu de Vlaamse Cultuurprijs Beeldende Kunst. Hij woont en werkt in Antwerpen en heeft twee dochters.

De tentoonstelling ‘Luc Deleu & T.O.P. Office Future Plans 1970-2020’ is pas geopend en loopt tot 29 september 2021 in het Vlaams Achitectuurinstituut, deSingel.

‘Willy Van Der Meeren (een voormalig architect, red.) heeft een jaar niet tegen mij gesproken toen hij dat zag’, lacht Deleu. ‘Ik was afgestudeerd in zijn atelier, hij zag het als een persoonlijke aanval. Maar het was dankzij hem dat ik daarop kwam. Wat ze in de jaren 60 bouwden, kon je zo afbreken. Moest ik zulke lelijke huizen tekenen? Ik was pas afgestudeerd en een koppel kwam me vragen om hun huis te tekenen. ‘Wat is uw stijl?’ vroegen ze. Ik had nog niets gebouwd, dus toonde ik in ‘Oeuvre Complète’ van Le Corbusier zijn Villa Savoye. ‘Dat is te modern’, zeiden ze. Maar ik was ervan overtuigd dat er een andere manier van bouwen moest komen en dat je eerst een theoretisch kader moest hebben. Je maakt toch ook geen muziek als je niets van noten kent? Was ik visionair of ontgoocheld? Ik denk allebei.’

Deleu was 26 toen hij ‘afscheid nam van de architectuur’, 50 jaar later is er ‘Future Plans’, in samenwerking met het Vlaams Architectuurinstituut. Hij is er zonet doorgelopen. Aan zijn voeten gesloten sandalen, zijn lange grijze haren worden bijeengehouden door een klem. De tentoonstelling is gecureerd door Peter Swinnen en Anne Judong en dat is wennen. ‘Het is mijn eerste expo die niet door T.O.P. Office (zijn eigen bureau, T.O.P. staat voor Turn-On Planning Office, red.) gerealiseerd wordt. De twee curatoren kozen andere objecten dan wij zouden doen. De scenografie is nieuw. De theatrale opstelling verrast me. Maar het is niet slecht. Ze doet die triestige zaal vergeten.’

Architecten kijken per definitie naar de toekomst. Deleu zeker. In 1972 deed hij ‘Voorstellen’, zoals ‘Voorstel voor hoge gazons’ en ‘Voorstel voor stedelijk wild.’ Veel van zijn werk was conceptueel en bleef het. Hij schat het aantal gerealiseerde projecten op ‘zo’n dertig’. Inclusief verbouwingen. ‘Toen ik begon, wist ik al dat mijn werk pas zou openbloeien in volgende generaties. In het begin wilde ik de blik van de architect naar de planeet aarde richten. Ik vond dat architecten vooral theoretisch moesten zijn. Er wordt veel te veel gebouwd. In Vlaanderen denk ik alleen aan Renaat Braem (een Antwerpse architect en stedenbouwkundige, red.) als iemand die met een theoretisch kader werkte. Zijn werk straalt frisheid van geest uit. (glimlacht) Al hebben ze zijn woontoren in Boom eerst verknoeid en later laten verloederen.’

Eerst zetten ze semihoogbouw met riante dakterrassen. Dan bouwen ze hogere torens van waarop je in die appartementen binnenkijkt. Dat is ambetant. Het is allemaal zo clean en zo pietluttig.
Luc Deleu
Architect en kunstenaar

U hamerde altijd op het belang van stedenbouw.

Luc Deleu: ‘Ik was meer met stedenbouw dan met architectuur bezig, ja. Je moet mensen eerst een kader geven. Niet dat ik de smaak van het brede publiek in twijfel trek, maar het zou goed zijn als ook tv-programma’s van goede smaak getuigen. Toen de tv-presentatrice Sonja Cantré overleed, zag ik beelden van haar carrière. Dat was goed gekadreerd, chique in beeld gebracht, zelfs met een sigaret. Dat gaf goed op zwart-wit. Die voornaamheid is weg. Gisteren zag ik ‘Brommer op zee’, het nieuwe boekenprogramma op Canvas. Dat decor! Wat een lelijkheid. Dat programma lijdt onder dat decor. Ze beginnen aan zo’n lelijke kast, dan verhuizen ze naar een tafel vol rommel, die schrijfhoek begrijp ik niet en dan heb je nog die leesclub. Ik heb iets tegen die formats.’

Waarom?

Deleu: ‘Zelfs stedenbouw zit in formats. Nieuw Zuid (een woonproject in Antwerpen, red.) vind ik een pijnlijke stadsuitbreiding. Eerst zetten ze semihoogbouw met riante dakterrassen omdat dat gemakkelijk verkoopt. Zodra alles verkocht is, bouwen ze hogere torens van waarop je op die dakterrassen neerkijkt en in die appartementen binnenkijkt. Dat is ambetant. Het is allemaal zo clean en zo pietluttig. Zelfs het Panamarenkoplein is pietluttig. (lacht) Panamarenko vond zelf dat dat plein wat groter mocht zijn. Ik ben een grote fan van Le Corbusier. Bij hem ontbrak die pietluttigheid. Hij dacht groot en vond de inbreng van mensen in de architectuur een kwaliteitsvermeerdering. Bij hem waren er geen verborgen agenda’s zoals bij Nieuw Zuid. Er bestaat een filmpje waarin hij zijn visie in drie minuten uitlegt. Alles begint met de zon, die bepaalt de richting. En verder is er ruimte voor 12 procent aan flatgebouwen en 88 procent groen.’

©SISKA VANDECASTEELE

Weet u nog wanneer u voor het eerst werk van Le Corbusier zag?

Deleu: ‘Het eerste dat ik live zag, was het Philips-paviljoen op de Expo in ’58. Ik was er met mijn vader, maar we gingen niet binnen. ‘Daar is niets te zien’, vond hij. Later hoorde ik de koning van Nederland bij de opening van een Rietveld-tentoonstelling zeggen dat Philips het eerst aan Rietveld wilde uitbesteden en het interieur aan Le Corbusier. Rietveld ging naar Parijs om met Le Corbusier te praten en die zei: ‘Geen probleem, maar mijn interieur heeft geen exterieur nodig’. In de humaniora in Lier zag ik een foto van de kerk van Ronchamp en die trok mijn aandacht. Toen ik 20 was en voor ingenieur studeerde, zag ik zijn Villa Savoye. Toen besliste ik architectuur te doen.’

Dat uw vader u naar Expo ’58 meenam, zegt dat iets over hoe u thuis met kunst geconfronteerd werd?

Deleu: ‘Nee, mijn ouders hadden in Duffel een ijzerwinkel die ook potten en vazen verkocht. Kleine middenstanders waren het. Het enige wat we deden, tijdens de vakanties, was naar het appartement van mijn grootouders in Koksijde trekken. Daar kreeg ik zo veel indrukken van de zee, de kust en de duinen, dat ik vandaag niet meer naar Koksijde wil gaan. Omdat de herinnering mooier is dan de realiteit.’

Panamarenko was mijn therapeut. Als ik bij hem vertrok, zag ik altijd weer ‘la vie en rose’. Hij is een van de meest bijzondere mensen die ik tegenkwam.

Op zee was hij het liefst, vertelt Deleu. Als twaalfjarige op de boot van Oostende naar Dover, veel later tussen 2007 en 2011 toen hij in zeven etappes de wereld rondzeilde. Van Palermo ging hij via Las Palmas naar de Caraïben, hij voer door het Panamakanaal naar onder andere de Galapagos-eilanden, de Markiezen en Australië en eindigde in Zuid-Afrika. ‘De Markiezen waren een droom. Als Belg word je er in de watten gelegd, Jacques Brel (die er woonde en begraven werd, red.) is er een heilige. Ik hou niet van kerkhoven, het graf van mijn vader en moeder heb ik nooit bezocht. Mijn vader zei: ‘Kom maar als ik nog leef.’ Maar Brels graf bezocht ik wel. Hij ligt op hetzelfde kerkhof als Paul Gauguin, maar het graf van de schilder is helemaal niet verzorgd. Dat van Brel wel.’

U had schipper moeten worden.

Deleu: ‘Ik wilde eerst scheepsbouwingenieur worden, maar wat ik als kind wilde doen, weet ik niet meer. Al herinner ik me veel. Mijn kinderen lachen ermee, maar ik denk dat ik een herinnering heb aan een moment in mijn kinderwagen. Vanuit dat perspectief zag ik de straat en al die gevels voorbijschuiven. Misschien was dat mijn eerste architecturale gewaarwording.’

‘Ik had er snel interesse voor. De winkel in Duffel bestond uit twee dezelfde woningen. Wij woonden in de ene, mijn grootouders in de andere. Alles was symmetrisch en dat intrigeerde me. Toen ik het ‘Lam Gods’ voor het eerst op een foto zag, werd ik daardoor geraakt. Ik was 10 jaar. Het had zeker met de opbouw en de compositie te maken. Maar ik zag ook graag werven. Twee keer per jaar was er in Duffel een kermis op het plein voor ons huis en elke keer zag ik ze die paardenmolen opbouwen. Na enkele jaren wist ik perfect hoe dat moest. Maar dat is bouwen. Architectuur is iets anders. Le Corbusier zei: ‘Architecture, c’est pour émouvoir.’ Het gaat om de ontroering. In zijn Villa Savoye heb ik dat ervaren.’

Straf dat u als kind van 10 zo door het ‘Lam Gods’ werd geraakt.

Deleu: ‘Sinds het gerestaureerd is, vind ik het minder mooi. Ik begrijp dat niet. Een van de grote kwaliteiten van monumenten is dat de tijd erop ingegrepen heeft. Waarom moet de Sixtijnse Kapel eruit zien alsof Michelangelo ze pas geschilderd heeft? Als de tijd ervan afgehaald is, interesseert het me minder. Michelangelo schilderde dat plafond terwijl hij op zijn rug lag. Soms mislukten die fresco’s. Die gast zal af en toe vals gespeeld hebben, maar al die valsheid wordt bij restauraties weggehaald. Dan wordt het toch Suske en Wiske?’

©SISKA VANDECASTEELE

Vindt u dat ook over de Cogels Osylei waar u woont?

Deleu: ‘Letterlijk in mei ’68 heb ik er mijn eerste appartement gehuurd. Dat huis was in 1904 gebouwd door de architecten Cols en Defever. Ik was 24, studeerde in Brussel en mijn vrouw werkte daar. Maar het culturele klimaat in Brussel was beneden alle peil, alles gebeurde in Antwerpen. Dus op een zaterdag reden we naar Antwerpen. Ik kende de Cogels Osylei niet. Net toen we erdoor reden, hing iemand een bordje met ‘te huur’ op. ’s Avonds tekenden we de overeenkomst. Ik wilde meteen goed wonen, ik wilde geen tijd verliezen aan verhuizen. Die tijd wilde ik gebruiken om te reizen.’

‘Mei ’68 was het dieptepunt van die straat. Burgemeester Ryckaerts wilde de huizen laten afbreken, hij droomde van appartementsgebouwen. Er stonden huizen van Joodse families leeg, er was een rusthuis, een tehuis voor kinderen en een garage. Renaat Braem heeft de straat mee gered. We konden er goedkoop huren. Pas eind jaren 70, toen het niet meer rendabel was die huizen te verhuren, werd er verkocht. Wij kochten ons huis en iets later kwamen de gasten van de Humoradio eraan: Hermans Selleslags, Piet Piryns, Herman De Coninck, Guy Mortier. Stilaan werden de gevels gezandstraald en de voortuinen onderhouden. De romantische atmosfeer verdween. De tijd werd er afgehaald.’

Hij verbouwde ook wel, maar: ‘Aan de buitenkant ziet niemand dat.’ Op een zijgevel spoot hij de spreuk: ‘Voorstel tot meer verwarring.’ Voor de deur stond zijn oude Opel Blitz, een afgedankte ambulance die hij ombouwde tot reiswagen. Hij bedacht stadsprojecten, het idee om de Universiteit Antwerpen op vliegdekschepen onder te brengen, Lego-constructies, installaties met containers, legde elektriciteitspylonen op hun zijde, tekende nieuwe steden met namen als Vipcity, Brikabrak en Dinkytown. Veel van die plannen, tekeningen, projecten en maquettes zijn te zien in deze tentoonstelling. Ook ‘Darling Springs’, waar hij vier jaar geleden aan begon. Hoog tegen het plafond zie je rondom de zaal zijn plan voor een nieuwe stad waar onder meer bomen als een gridpark doorheen geplant zijn. ‘Iedereen heeft een park in de buurt.’

U durfde, toen u de traditionele architectuur al zo vroeg verliet.

Deleu: ‘Mijn vrouw Laurette liet me doen, zij zorgde voor brood op de plank. Ik had niet het idee dat ik een kunstenaar wou zijn, al zat ik op school al meer met de schilders te praten dan met de architectuurstudenten. Kunstenaars weten dat ik een architect ben, maar architecten denken dat ik een kunstenaar ben. ‘Luc Deleu, dat is seks, drugs en rock-’n-roll, die is nooit stipt.’ Terwijl ik de meest stipte mens ben die er is.’

Maar vindt u dertig gerealiseerde werken in vijftig jaar voldoende?

Deleu: ‘Ik had graag een openbaar gebouw gerealiseerd, maar die droom heb ik opgegeven. Ik heb vooral verbouwd, dat kon ik goed. Mijn verbouwing van de Schipper op de Grote Markt vond ik heel goed. (lacht) Al is het nu alweer gesloopt vanbinnen. Dat was het geboortehuis van Jef Lambeaux, de beeldhouwer van Brabo. Ook wat ik met het huis van Panamarenko heb gedaan, vond ik goed.’

Hoe komt het dat zo’n openbaar gebouw nooit gelukt is?

Was naar veel van mijn voorstellen geluisterd, dan stonden we er nu beter voor. Dat België te vol is, blijkt tijdens corona. Maar we gaan geen lessen trekken uit de pandemie.

Deleu: ‘Door de Vlaamse bekrompenheid. Stedenbouw is hetzelfde als virologie. De stedenbouwkundigen mogen hun mening geven, maar de politici beslissen. Le Corbusier werd gepest met zijn Maison Guiette (het enige huis van de architect in België dat bewaard is gebleven, red.). In de jaren 60 wilden ze het zelfs afbreken. Nu is het werelderfgoed. Zijn plannen voor Linkeroever werden nooit gerealiseerd. België is even bekrompen als Vlaanderen, maar het woord Vlaanderen werkt bij mij als een rode lap op een stier. Ooit stelde ik tentoon in Bordeaux. De minister kwam daar in het Vlaams speechen over hoe goed de Vlaamse architectuur is. Waar zijn we dan mee bezig? We hebben een burgemeester die, als hij geen Latijn spreekt, het liefst Engels spreekt. Maar spreekt iemand Frans? Dan is het kot te klein.’

Hebben politici u wel eens uitgenodigd om naar uw ideeën te luisteren?

Deleu: ‘Alleen Patrick Dewael, toen hij minister van Cultuur was. Ik had een cultuurprijs gewonnen en werd gevraagd met hem te gaan eten. Later belde hij me nog eens toen Super Club (de ter ziele gegane videotheekketen, red.) plannen had om in Limburg een pretpark te beginnen. Hij vroeg me wat ik ervan vond. (lacht) Ik moet een slecht antwoord gegeven hebben, want ik heb er nooit meer iets van gehoord.’

Waarom bent u altijd in Antwerpen blijven wonen? U reisde veel, zag u nergens een idealere stad?

Deleu: ‘Dat kan je me terecht verwijten, ik had misschien naar Londen of New York kunnen gaan. Of het oude Amsterdam: een prachtig voorbeeld van stedenbouw. Maar ik had hier mijn bureau, je moet dat eens proberen herop te bouwen. Singapore vind ik de stad met de beste openbare ruimte en de beste openbare voorzieningen. Het is helaas een dictatuur. Ook Chandigarh (waar Le Corbusier veel gebouwen ontwierp, red.) is een straffe stad. En Tokio, door de schaalverschillen. Cartagena in Colombia was de eerste stad waar ik mijn ogen niet van de mensen kon houden. Zo mooi zijn ze. Sindsdien ben ik zeker dat we bloed nog meer moeten vermengen.’

Daarnet had u het over Panamarenko. Wat was uw band met hem?

Deleu: ‘Hij was mijn therapeut. Als ik bij hem vertrok, zag ik altijd weer ‘la vie en rose’. Hij is een van de meest bijzondere mensen die ik tegenkwam. Ik zag hem een paar keer op vernissages, maar in 1983 ging ik hem opzoeken op vraag van een galerist in Neuchâtel. Die wilde Panamarenko een werk laten maken op de Zwitserse Furkapas. We zijn er vaak samen geweest. Het marcheerde zo goed tussen ons omdat we niks nodig hadden van elkaar. Zodra hij voelde dat iemand iets van hem wilde, klapte hij dicht. Hij was onwaarschijnlijk toegankelijk en had een grote humor.’

©SISKA VANDECASTEELE

Hoe nam u afscheid van hem?

Deleu: ‘Twee weken voor zijn dood zag ik hem voor het laatst. Hij was opvallend stil. Het laatste wat hij me zei, was dat het helikopterplatform dat ik voor zijn huis in de Biekorfstraat had ontworpen te groot was.’

Is ouder worden lastig?

Deleu: ‘Ik vind het vooral raar. Je wordt meer en meer betutteld, het is raar hoe de wereld kijkt naar iemand die ouder wordt. Men vindt het vreemd dat ik op de computer teken, terwijl ik dat al deed voor de muis werd uitgevonden. Er waren toen nog geen teken-, maar rekenprogramma’s. Heel abstract, maar ik gebruikte ze wel.’

Is het dan jammer dat u niet in dit tijdperk geboren bent? Veel jonge mensen zouden geld geven om de fifties en de sixties mee te maken.

Deleu: ‘De jaren 50 zaten vol tristesse. Aan tafel werd alleen over de oorlog gepraat. De sixties in het college herinner ik me als de slechtste tijd van mijn jeugd. Er heerste een onbeschaamde hypocrisie. Pijnlijk was het. Elvis Presley zette, zonder dat hij het besefte, de verandering in gang. Hij was de eerste die de ouderenmaatschappij schoffeerde. Door hem werd de jeugd een entiteit. De eerste 45 toerenplaat die ik kocht, was ‘Tutti Frutti’ (een hit van Little Richard, red.), maar die zwarte muziek raakte Europa niet binnen. Er wordt altijd over mei ‘68 gepraat, maar Elvis heeft het in gang gestoken.’

In een interview in 2003 zei u: ‘Op de lange termijn heb ik gelijk, dat is zo zeker als een en een twee is.’ U had het over hoe de beschikbare ruimte vol zat.

Deleu: ‘Ik denk dat het klopt. Alles komt vast te zitten. Was toen naar veel van die voorstellen geluisterd, dan stonden we er nu beter voor. De klimaatverandering is geen kattenpis en dat België te vol is, blijkt tijdens corona. Bossen en parken worden platgelopen en mensen met een appartement zonder balkon worden zot. Dan kom ik terug op Le Corbusier. 12 procent woningen, 88 procent groen. Maar we gaan geen lessen trekken uit de pandemie. Zodra iedereen ingeënt is, is het business as usual.’

Die ferme uitspraak staat in contrast met wat veel kunstenaars zeggen over twijfelen aan zichzelf.

Deleu: ‘Twijfel is des mensen, maar ik kan er niet over klagen. Ik kan de twijfel gemakkelijk wegduwen. Mijn blije, humoristische houding helpt daarbij. Ik relativeer het. Het is maar wat het is. Had ik meer kunnen bereiken? Ja. Was ik dan minder content geweest? Misschien ook.’

Hebben, behalve Elvis, kunstenaars uit andere disciplines u beïnvloed?

Deleu: ‘Ik vind moeilijk goede boeken. Ooit las ik bijna alles van Henry Miller en sindsdien vind ik alles maar prul. Nog veel meer dan Elvis heeft Bob Dylan me geraakt. Voor mij is hij even uniek als ‘Corbu’. Zowel zijn teksten als hoe hij ze zingt. Het zijn levenslessen en ik zal u om af te sluiten een schone anekdote vertellen. Op reis droomde ik drie keer dat Dylan op het bureau van T.O.P. Office zat. Drie keer zong hij voor mij. Maar toen hij de laatste keer wegging, ging Laurette met hem mee. Toen ze terugkwam en ik haar vroeg wat ze met Dylan gedaan had, zei ze: ‘Dat zijn uw zaken niet.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud