reportage

Een huis met stijl

©rv

Iedereen kent Piet Mondriaan. Maar Theo van Doesburg was de echte spilfiguur van De Stijl. Hij schilderde, schreef en liet volgens zijn eigen strenge principes een atelierwoning bouwen bij Parijs.

Theo van Doesburg (1883-1931) moet wel een heel smal autootje in gedachten hebben gehad toen hij zijn huis ontwierp. Dat is de eerste gedachte die opborrelt in de Rue Charles Infroit van de Parijse voorstad Meudon, waar de Nederlandse kunstenaar de laatste twee maanden van zijn leven doorbracht.

Een parkeerplaats was ook niet Van Doesburgs grote zorg. Geld voor een auto had hij toch niet. Het bedrag dat zijn derde vrouw, Nelly, had geërfd was integraal in de bouw van de atelierwoning gegaan. En dan was er al flink op de centen gelet, getuige de goedkope bouwmaterialen zoals samengeperste stroplaten.

Theo van Doesburg was een man van onbuigzaam, maar voortschrijdend inzicht.

Helaas heeft Van Doesburg nooit gezien hoe het huis er afgewerkt uitzag. Hij stierf op zijn 47ste aan een hartaanval. Juist vanwege zijn wankele gezondheid - hij leed zijn leven lang aan astma - was het echtpaar naar het toenmalige platteland getrokken. De gezonde lucht moest hem aansterken.

De garagepoort is geel, een etage hoger is een blauwe deur te vinden en boven op het dakterras is er nog een rood exemplaar in een verder smetteloos witte gevel. Bij het ontwerp hield Van Doesburg, een notoire theoretische scherpslijper, rigoureus aan zijn principes. De primaire kleuren zitten niet alleen in de gevel, maar zijn ook binnen te vinden. De vloer van de bibliotheek is rood, die van de slaapkamer geel. In het atelier hangen voor de hoge raampartijen grote blauwe gordijnen.

Volgens Beja Tjeerdsma, de Nederlandse beheerster van het Van Doesburghuis, is het niet zeker dat die gordijnen er oorspronkelijk al hingen. ‘Er is een nogal heftig debat over onder de Van Doesburg-kenners’, zegt ze. Zelf is ze er maar wat blij mee, al was het maar om praktische redenen. ‘In de winter hangen ze meestal voor de ramen om de warmte binnen te houden. Je kan je niet inbeelden hoe koud het hier anders is.’

©The Netherlands Institute for Cultural Heritage

Tjeerdsma zelf kan dat wel. Sinds een tweetal jaar woont ze met haar partner in het Van Doesburghuis. Af en toe logeren er ook kunstenaars die zich een tijdje wilden afzonderen om aan hun oeuvre te werken. Alleen, maar voor allen. Of zoals Van Doesburg ooit verkondigde: ‘Slechts dat, wat uit het individu zelve komt, kan (dat is thans mijn overtuiging) voor de gemeenschap slechts van belang zijn...’

Van Doesburg was een man van een nagenoeg onbuigzaam, maar voortschrijdend inzicht. Een mooi voorbeeld is te vinden omstreeks het begin van de Eerste Wereldoorlog. Als kunstcriticus die de nieuwste ontwikkelingen in de kunst volgde, wees hij het fauvisme, kubisme, futurisme en expressionisme af. Volgens hem was met het werk van Wassily Kandinsky zelfs ‘het grootst mogelijke egoïsme in de schilderkunst’ bereikt. Van Doesburg vond toen natuurlijke vormen noodzakelijk om kunst te kunnen begrijpen.

De Groote Oorlog veranderde alles. Van Doesburg werd in 1914 onder de wapens geroepen. ‘Ik had te veel vertrouwen gehad in het hoogere en geestelijke in den mensch’, schreef hij in een brief aan zijn fictieve vriendin Bertha. ‘Daar stond ik opeens voor de rauwe Werkelijkheid. Niet Kunst, niet Liefde, niet Wijsheid, maar granaten, granaten, granaten! Een uur voor de mobilisatie zei ik alles vaarwel: mijn idealen, mijn passies, alles.’

Vanaf toen omarmde hij Kandinsky, de kubisten en de futuristen en begon hij hun principes op zijn kunst toe te passen. Tegen 1917 was van Doesburg een belangrijke vertegenwoordiger van een nieuwe abstracte richting. Als schilder zou hij nooit het aanzien genieten van zijn tijdgenoot Piet Mondriaan, maar als theoreticus kende hij bij De Stijl zijn gelijke niet. Hij bundelde zijn visie in 16 punten, die tot zijn dood leidende principes bleven, ook al verschoven af en toe wat accenten.

Als een priester

Een gebrek aan ambitie kan van Doesburg nooit worden verweten. In het artikel ‘Der Wille zum Stil’ uit 1922 verklaarde hij dat hij de wereld, het leven en de techniek wilde veranderen. Alle disciplines moesten aan bod komen: grafische vormgeving, typografie, meubelkunst en vooral architectuur, de publieke kunst bij uitstek.

Van Doesburg was er aanvankelijk van overtuigd dat er een strikte arbeidsverdeling moest zijn, maar wel op basis van gelijkwaardigheid. Beeldende architectuur komt van de architect, de schilder en de beeldhouwer zonder dat de een overwicht heeft op de ander. Maar het duurde niet lang of er sloop een vleugje van zijn voortschrijdend inzicht in die visie. Goed een jaar later al beschreef hij het ideale bouwwerk als een tempel waarin de schilder ‘als een priester’ de architect en de beeldhouwer de weg moet wijzen.

De expo ‘Theo van Doesburg,  een nieuwe kijk op leven, kunst en technologie’ toont de kunstenaar zoals hij was: een radi cale vernieuwer die schilderde, schreef, meubels en gebouwen ontwierp en diep nadacht over wat het allemaal moest betekenen, in rechte lijnen en primaire kleuren.

Curator Gladys Fabre toont hoe belangrijk van Doesburg eigenlijk was, en de invloed die hij had op tijdgenoten als Bart van der Leck en Vilmos Huszár. Er is ook een Dada-kabinet waar van Doesburg, als I.K. Bonset, een klankgedicht afratelt. Amusant, en onverstaanbaar. I.K. Bonset is niet voor niets een anagram voor ‘Ik ben sot’.

Tot 29 mei in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.

Tegen de tijd dat van Doesburg zijn eigen huis in Meudon neerzette, bleef van die ‘op gelijke voet’ niets over. ‘Hij was dan al tot de conclusie gekomen dat het kunstenaarschap in eerste instantie een individuele verantwoordelijkheid was, die alleen moest worden gedragen’, zegt kunsthistoricus Evert van Straaten. ‘Samenwerking is mooi als ideaal, maar als puntje bij paaltje komt, blijkt er meestal maar één één regie te kunnen voeren.’

Dat ondervond de Zwitserse architect Denis Honegger aan den lijve. Aanvankelijk werkte Van Doesburg met hem samen om een dubbelwoning te bouwen waarin ook de bevriende kunstenaars Hans en Sophie Arp zouden wonen. Maar de samenwerking met Honegger strandde door onoverbrugbare meningsverschillen, en de Arps besloten een straat verder een ander huis te bouwen.

Daardoor wijzigde van Doesburg zijn plannen: het zou een atelierwoning voor één kunstenaar worden. In naam ontwierp hij die met de jonge bouwkundestudent Abraham Elzas, maar in de praktijk besliste hij alles zelf, of het nu om deuren, trappen, raamkozijnen of de kleur van de vloer ging. Opmerkelijk op de bovenverdieping zijn de draaideuren. Als ze openstaan, scheiden ze het atelier van de gang en ontstaat een ruimte die dwars op de gang staat. Als ze dicht zijn, sluiten ze deels de kamers af.

De ruimtes in het Van Doesburghuis zien er verrassend prettig uit om te wonen. Nochtans blijkt uit de geschriften dat voor van Doesburg de mens in zijn gebouwen van volstrekt ondergeschikt belang is. Daar bestaat een mooie anekdote over. In 1926 kregen Hans en Sophie Arp de opdracht voor de renovatie van de Aubette in Straatsburg, een langgerekt neoclassicistisch gebouw in het centrum van de stad. Ze haalden prompt van Doesburg aan boord.

Maar het werk van het drietal wekte weinig enthousiasme bij de bezoekers van het uitgaanscentrum. Het duurde niet lang of de opdrachtgevers begonnen de strakke, modernistische interieurs op te leuken met kunstbloemen en kleurverlichting. Tot groot ongenoegen van van Doesburg. Hij kon geen begrip opbrengen voor ‘de ruwe wijze waarop het Straatsburgse publiek zich gedraagt’.

Het Van Doesburghuis is op afspraak te bezoeken.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content