Horta Leeft

Het Paleis voor Schone Kunsten (Bozar) in Brussel is een van Horta's bekendste gebouwen. ©Yves Gervais

Brussel staat dit jaar in het teken van de art nouveau van Victor Horta. Wij zochten drie mensen op die een speciale band hebben met de architect. 'Horta was een late roeping.'

‘Mijn vader was een beetje bang van hem'

Christian Laruelle, de laatste erfgenaam van Horta Heeft in zijn rijhuis enkel een boekenkast van zijn overgrootvader staan. Het Hortamuseum blijft voor hem onlosmakelijk verbonden met bedorven mosselen op kerstavond.

©Diego Franssens

In zijn slaapkamer staat een boekenkast die door Victor Horta is ontworpen. In de living hangen twee foto’s: een van zijn overgrootvader en een van zijn grootmoeder Simone, Horta’s dochter. Verder verwijst niets in het arbeidershuisje van Christian Laruelle (77) in Wagnelée naar zijn uitzonderlijke familiegeschiedenis. Laruelle woont hier alleen. Zijn vrouw stierf twaalf jaar geleden aan kanker. Zelf volgt hij nu ook een chemokuur. Zijn twee kinderen wonen in Frankrijk. ‘Het leven van Horta interesseert hen geen moer.’

Laruelles grootmoeder was de enige dochter van de art-nouveau-architect. Ze trouwde met een dokter. Hun zoon, Pierre, was de vader van Laruelle. De architect, gestorven in 1947, en zijn enige achterkleinkind, geboren in 1940, hebben elkaar gekend tijdens de oorlogsjaren. ‘Ik herinner me hem als een grote heer, solide en fysiek sterk. We vierden Kerstmis samen, in zijn huis in Sint-Gillis dat nu een museum is. (lacht) Eén kerstfeest herinner ik me in het bijzonder, omdat ik toen een voedselvergiftiging opliep door de bedorven mosselen.’

Leven in een Hortawoning van meer dan 1,7 miljoen euro

Laruelle was zeven toen zijn overgrootvader stierf. Het besef dat die oude man een groot architect was, kwam pas rond zijn twintigste, toen zijn vader hem in Brussel de verwezenlijkingen van Horta toonde. ‘Mijn vader was een groot pleitbezorger van Horta. Hij keek naar hem op. Hij was zelfs een beetje bang hem, denk ik. Horta had iets heel strengs in zijn blik en zijn lichaamstaal.’

Volgens Laruelles vader was Victor Horta een afstandelijke, moeilijke man. ‘Een perfectionist: veeleisend voor zichzelf, en voor de mensen met wie hij werkte. Hij was ook erg beschermend voor zijn vak. Zoals zoveel creatieve genieën, vermoed ik. Nu goed, mijn vader en Horta waren tegenpolen. Hij was weliswaar ook een kunstenaar - hij schilderde - maar in tegenstelling tot zijn cerebrale grootvader was mijn vader een stevige levensgenieter.’

Horta gaf zijn artistieke genen niet door aan zijn achterkleinkind. Laruelle werd kinesist. Na zijn opleiding ging hij in Charleroi werken, waar hij in de jaren zeventig een praktijk opende. Vanop afstand bleef hij zich verdiepen in het leven en werk van zijn overgrootvader.

In de jaren negentig klopte de beheersvennootschap Sofam bij Laruelle aan. Of hij wist dat hij als enige erfgenaam in rechte lijn eigenaar was van de intellectuele beeldrechten van Horta’s oeuvre? Nee, dat wist hij niet. Laruelle heeft zo enig financieel voordeel kunnen halen uit de bloedband met Horta. Om grote sommen ging het niet: zo’n 1.000 euro per jaar, schat hij. Dat extraatje valt nu weg, omdat het auteursrecht op een werk zeventig jaar na de dood van de maker vervalt.

Laruelle zegt het vooral erg te vinden dat hij het imago van Horta niet langer kan bewaken. ‘Wat als Coca-Cola morgen in plaats van een halfnaakte vrouw een interieurbeeld van mijn overgrootvader wil gebruiken voor een advertentiecampagne? Of als een evenementenbureau feestjes wil houden in een van zijn herenhuizen en daar reclame voor maakt op het internet? Ik kan niets meer ondernemen tegen dat soort bezoedeling.’

Verkwanseld

Victor Horta was een dure architect, met klanten in de Brusselse bourgeoisie. Hij overleed vrij welgesteld. Omdat hij zijn enige dochter overleefde, ging de erfenis naar Laruelles vader, Pierre.

‘Hij heeft alles opgemaakt. Verkwanseld. Hij kocht een appartement in Parijs. Wat hij met de rest van het geld deed, weet ik niet. Ik zei het al: mijn vader was een artiest. Hij stond gulzig in het leven. Vrouwen, feesten, léven quoi. Aan het einde woonde hij bij zijn schoonouders. Eén ding deed hij gelukkig niet, of niet in grote mate: drinken. (stil) Mijn moeder wel. Haar whiskyverslaving werd haar dood.’

In Brussel komt Laruelle amper nog. Tenzij een uitnodiging van het Hortamuseum in de bus valt voor een evenement in het voormalige huis van zijn overgrootvader, de plek die onlosmakelijk verbonden blijft met de voedselvergiftiging van kerstavond 1946 in Sint-Gillis.

Liever trekt Laruelle met zijn vriendin de wereld in, op zoek naar de nalatenschap van zijn overgrootvader. Als hij in een hem onbekende stad arriveert, passeert hij eerst langs de toerismedienst om te vragen of er art nouveau te zien is. Op de meest onverwachte plekken, zoals onlangs nog in het Verenigd Koninkrijk, stoot hij op bouwstijlen die overduidelijk op zijn overgrootvader zijn geïnspireerd. ‘Op zo’n moment glim ik even hard als het mooiste art-nouveau-interieur.’

 

‘Dit huis heeft mij gekozen'

Nupur Tron, Indiase ambassadrice Kocht zes maanden geleden Hotel Frison op de Zavel. Ze geeft zichzelf drie jaar om het Horta-herenhuis in zijn originele staat te herstellen, zelfs al moet ze de rest van haar leven rijst eten.

Nupur Tron Chowdhry ©Diego Franssens

Haar dochter van vier zit op school, haar Spaanse man is op diplomatenmissie in Bagdad. Nupur Tron heeft het salon van het majestueuze herenhuis voor zich alleen. Het licht dat door de grote ramen rijkelijk naar binnen valt, geeft het art-nouveaudecor een warme gloed. ‘Dit huis heeft mij gekozen. Het is mijn tweede kind’, zegt ze.

Het diplomatenkoppel woonde elders op de Zavel voor ze Hotel Frison na enkele jaren leegstand kochten. Victor Horta ontwierp het herenhuis in 1894 voor George Frison, een bevriende advocaat. Achter de anonieme, wat afgebladderde gevel gaat een paleis van meer dan 1.000 vierkante meter schuil. Op de benedenverdieping loopt een glazen hal met sierlijke lambrisering naar de tuin.

Hotel Frison stond te koop voor 1,7 miljoen euro. ‘We hebben meer betaald’, zegt Tron, die ambassadrice was in Parijs voor de Indiase Kamer van Koophandel en haar eigen juwelen ontwerpt. Hoeveel wil ze niet kwijt. ‘Ik kende Horta niet toen ik hier voor het eerst binnenstapte. Zelfs de art nouveau was een blinde vlek. Maar het was een coup de foudre. Het huis deed me denken aan mijn kindertijd in India, aan de huizen van mijn ouders en grootouders. Het hout, de kleuren, de muurschilderingen en bloemenmotieven voelden zeer Indiaas aan.’

Tron geeft zichzelf twee, hoogstens drie jaar om Hotel Frison in zijn originele staat te laten herstellen. Dat lijkt erg optimistisch. Het huis is beschermd, en dat betekent: trage procedures en vergunningengedoe bij allerlei erfgoedorganisaties. Maar ze laat zich goed omringen. Architecte Barbara Van Der Wee, die al elf Horta-panden onder handen nam, begeleidt de renovatie. Tron riep ook een stichting in het leven, met daarin Horta-specialisten van Bozar en het Hortamuseum in Sint-Gillis, waar de architect woonde en zijn atelier had. Haar stichting heeft ook een mecenaatswerking, want het expatkoppel mag dan goed bij kas zitten en over renovatiesubsidies beschikken, alle extra financiële hulp is meer dan welkom.

Er is nog flink wat werk. In de jaren vijftig kreeg het originele ontwerp van Horta een knauw. De toenmalige eigenaar brak de wintertuin af en liet de elegante zuiltjes van de façade vervangen door een vitrine. Enkel die fouten herstellen kost een fortuin. ‘Ik begrijp niet waarom jullie jullie erfgoed zo slecht verzorgen’, zucht Tron.

In de trappenhal toont ze de wandschilderingen die tot de derde etage doorlopen. Althans, de weinige tekeningen die nog zichtbaar zijn. Een van de vorige eigenaars vond er niets beters op dan ze op de meeste plekken te overschilderen. Het wordt een monnikenwerk om ze weer bloot te leggen.

Huisbewaarder

‘Mensen vragen me weleens hoe het voelt om in een Horta-huis te wonen? En of ik er ’s nachts geesten zie? (lacht) Ik kan je zeggen, de sfeer in dit huis is overweldigend aangenaam. Het zit als gegoten. Horta gebruikte de beste materialen en werkte met de beste vaklui. Hij was een wetenschapper, een genie. Ik ben zo vereerd dat ik dit mag doen, ook al moet ik mijn hele leven rijst eten.’

Tron ziet de rehabilitatie van Hotel Frison tot een woonhuis niet als een privéproject. ‘Ik ben slechts de huisbewaarder.’ Ze wil het buitengewone kunstwerk teruggeven aan de mensen. Op de benedenverdieping, waar tot twee jaar geleden een kunstgalerie zat, komt een cultureel centrum met een expo- en muziekprogrammatie. ‘Dit huis wordt een Indiaas kunstencentrum dat mijn thuisland en mijn nieuwe land moet verbinden. Een mini-Bozar, gewijd aan de Indiase cultuur. Belgen en Indiërs weten zo weinig van elkaar. Dat is niet onlogisch: de Indiase gemeenschap is erg klein in België. De meeste Indiase expats verblijven in Angelsaksische landen.’

‘België is nochtans een van de belangrijkste handelspartners voor India. We hebben er alle baat bij elkaar beter te kennen en begrijpen’, zegt de ambassadrice. ‘Bestaat er een betere ontmoetingsruimte dan een van de mooiste kunstwerken van jullie allergrootste architect?’

 

‘Horta heeft me mijn eerste huwelijk gekost'

Michel Gilbert, vastgoedontwikkelaar Stak al meer dan 4 miljoen euro in een van Brussels meest prestigieuze Horta-woningen. En redde eerder drie andere huizen van de architect. Zijn kinderen heten Victor en Orta.

Immomakelaar Michel Gilbert. Hij woont met zijn gezin in een Hortahuis, het Max Hallet Hotel. ©Diego Franssens

‘Ik had al drie Horta-huizen, maar dit is veruit het mooiste en meest prestigieuze woonhuis dat hij heeft ontworpen’, zegt Michel Gilbert (62) in de marmeren trappenhal van zijn herenhuis aan de Louizalaan in Brussel, omringd door een symfonie van kleuren en spiraalvormen. De wintertuin is enorm, zelfs voor een huis in deze buurt.

Op een divan in de voormalige werkkamer van Max Hallet spelen de kleuters Victor en Orta op de iPad. Hallet is de man voor wie Horta het herenhuis in 1904 ontwierp. Een advocaat en socialistisch politicus. ‘Hij was een échte socialist, geen Laurette Onkelinx. Hij nam het effectief op voor de zwakkeren in de samenleving, mensen die aan de mauvais coté zijn opgegroeid’, zegt Gilbert. ‘Ik herken me wel een beetje in hem. Niet dat ik als kind veel miserie heb gezien, maar mijn ouders waren heel bescheiden mensen.’

Zonder hoger diploma belandde Gilbert in de marktenzaal van BBL en later Deutsche Bank. ‘Aardig verdiend, maar veel wind verkocht. Dat doen de meeste banken: geld maken door wind te verkopen.’ Begin jaren negentig had hij er genoeg van en werd hij vastgoedontwikkelaar. Nu koopt hij huizen, om ze te renoveren en daarna te verhuren of verkopen. ‘Ik heb ook een maatschappelijke rol. Ik geef als projectontwikkelaar werk aan een pak mensen. Tegelijk trek ik me het lot van onze geschiedenis aan. Er is te veel Horta verloren gegaan in Brussel. Ik probeer te redden wat er te redden valt.’

Ooit had Gilbert vier Horta-huizen, nu nog drie. ‘Horta was een late roeping. Het gebeurde toevallig, tijdens architectuurwandelingen. Ik was verrukt door zijn streven naar perfectie. Je ziet aan alles dat Horta een sterke persoonlijkheid had. Hij deinsde er niet voor terug zijn smaak op te dringen aan zijn klanten. Bij hem moest je niet afkomen met eigen meubelen. Het was l’art totale.’

Gilbert kocht zijn eerste Horta-huis in 2000. Hij trok erin met zijn toenmalige vrouw, maar niet voor hij er alles liet uithalen dat Horta er niet zelf had in geplaatst. Enkele jaren later kocht hij Villa Carpentier in Ronse. En twee jaar later dit huis, opnieuw als eigen woning. Zijn vrouw verhuisde niet mee naar de Louizalaan. ‘Mijn liefde voor Horta heeft me mijn huwelijk gekost. Mijn vrouw werd gek van me. Ze vond dat ik overdreef. Maar het is sterker dan mezelf. Mijn huidige echtgenote volgt me wel in mijn passie. Ze ziet de challenge, en is trots dat ze hier mag wonen.’

Een uitdaging is het zeker, leven in een beschermd interieur uit het begin van de 20ste eeuw. ‘Nieuw tapijt leggen of de muren herschilderen kan niet zomaar. Voor alles heb je toestemming van Monumentenzorg nodig. Wie niet van Horta houdt, moet er niet aan beginnen. Dan zal Horta verstikkend werken. Maar als je de uitzonderlijke schoonheid accepteert en het interieur in ere houdt, is dit een walhalla om in te leven.’

Geen bedankbriefje

Horta is een dure obsessie. Gilbert kocht het huis destijds voor 3 miljoen euro en investeerde er al 1,2 miljoen in. En de restauratie is niet gedaan. In de trappenhal die naar de vertrekken leidt waar Max Hallet zijn personeel te slapen legde, ontbreken mozaïektekeningen op de muur. Ze waren overschilderd en worden nu in fases met een speciaal scalpel vrijgemaakt. Monnikenwerk, en prijzig bovenal.

Gilbert: ‘Ik wil mezelf niet op de borst kloppen. En het is uiteraard mijn eigen keuze om mijn geld en tijd erin te steken. Maar ik heb al meer dan 4 miljoen euro van mijn eigen geld in dit huis geïnvesteerd. Denkt u dat zelfs maar één politicus me ooit heeft bedankt voor die inspanningen? Terwijl: als ik dit huis niet had gekocht, was het misschien onder de sloophamer gegaan. Er zijn genoeg drama’s gebeurd met Horta’s patrimonium.’

‘Brussel verkoopt zich slecht. Een stad als Barcelona wordt in één adem genoemd met Gaudí. Mensen staan op het trottoir aan te schuiven voor zijn architectuur en betalen zich blauw aan entreegeld, terwijl in de meeste van die huizen amper iets overblijft van het oorspronkelijke interieur. Onze Gaudí moet niet onderdoen voor de Catalaanse. Brussel mag gerust wat trotser zijn op Victor Horta.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content