‘Triest, hoeveel mensen elke dag in een foeilelijk kantoor werken'

©Emy Elleboog

Het nieuwe VRT-hoofdkwartier is mee ontworpen door het architectenbureau Robbrecht en Daem, dat wordt geleid door Paul Robbrecht en Hilde Daem en hun zoon Johannes. ‘Weinig werkgevers hechten belang aan de kwaliteit van de werkplek.’

Het interview met het trio achter Robbrecht en Daem verloopt niet helemaal volgens plan. Op de eerste afspraak komt alleen zoon Johannes (38) opdagen. Zijn ouders zitten vast in dringende vergaderingen. Uiteindelijk krijgen we de drie architecten op drie verschillende dagen te zien.

Gelukkig spreken ze eenzelfde taal. Hun woorden passen als bouwblokjes in elkaar. Paul Robbrecht en Hilde Daem, allebei 65, werken al veertig jaar samen. Johannes ruilde de keukentafel voor hun tekentafel en runt mee het bureau. ‘Het is tegelijk makkelijk en moeilijk om met je ouders een bedrijf te runnen’, zegt hij. ‘Ik ken hen door en door, weet beter dan wie ook hoe ik hun aandacht kan vangen, wanneer ik het best iets op tafel gooi. Hun lichaamstaal verraadt veel. Omgekeerd weten zij ook op welke knoppen ze bij mij moeten duwen.’

Wie de gemakkelijkste van de drie is? ‘Ik’, antwoorden de twee mannen beslist. ‘Ik zeker niet’, zegt Hilde. ‘Ik ben wel de strengste. Ik zie alles, geen enkele fout van een medewerker passeert. Maar ik vergeef ook gemakkelijk. Iedereen mag fouten maken. Sommige fouten maken ontwerpen ook beter.’

‘Geef de architect een kleiner budget en hij maakt een beter gebouw’, zei een opdrachtgever ooit. Dat klopt, tot op zekere hoogte.
Paul Robbrecht

Het verhaal van Robbrecht en Daem begon in de vroege jaren zeventig. Paul Robbrecht en Hilde Daem ontmoetten elkaar tijdens hun studies architectuur. ‘Ik voelde dat ik samen met Paul mooie dingen kon realiseren. Toen wij samen een kantoor begonnen, was de crisis op haar diepst. Er was amper werk. We namen alle opdrachten aan: een achterkeuken, een huis voor een broer of vriendin... Toch was er altijd een ondergrens: nog liever honger lijden dan iets bouwen waar we niet achter stonden. Geen fermettes.’

Hoewel Paul en Hilde intussen geen koppel meer zijn, zijn ze altijd blijven samenwerken. ‘Daar zit schoonheid in’, zegt Paul. ‘Ik besef heel goed dat dit allemaal niet mogelijk was geweest zonder haar.’

©Filip Dujardin - Team Vlaams Bouwmeester

Natte droom

Bij Robbrecht en Daem delen ze een diepe liefde voor kunst. ‘Ik wilde kunstenaar worden, maar mijn vader heeft me in de richting van architectuur geduwd’, zegt Paul. ‘Ik hou van dit vak, het is verslavend. Architectuur is mijn alibi om boeiende mensen te leren kennen, en me te verdiepen in dingen die me interesseren. Zo heb ik tal van kunstenaars leren kennen. Voor sommigen heb ik aan hun huizen gewerkt, of aan hun ateliers.’

Het pad van Robbrecht en Daem kruiste al vroeg dat van de inmiddels overleden kunstpaus Jan Hoet, die hun vroeg een paviljoen te bouwen voor Documenta IX in Kassel. Musea, kunsthallen, galerijen, kunstenaarswoningen volgden. De ene opdracht bracht de andere mee. ‘We maken geen strikte opdeling tussen artistiek en commercieel werk’, zegt Johannes. ‘We hebben ook al appartementsgebouwen gezet, een shoppingcentrum, het hoofdkwartier van Katoen Natie...’

©Kristien Daem

Paul moet niet nadenken als we hem vragen op welke realisatie hij het trotst is. ‘Het Concertgebouw in Brugge. Voor een architect is dat de ultieme natte droom: een groot gebouw waar veel mensen samenstromen. Veel technische uitdaging ook, alleen al om de akoestiek helemaal juist te krijgen.’ Hij is zelf ook een muziekliefhebber. ‘Elke dag begint met een stuk klassieke muziek dat ik in mijn bed beluister. Ik ga vaak naar concerten. Alle muzikanten die ik ken, zeggen me dat het een van de beste concertzalen van Europa is. Voor ze me onder de grond stoppen, zou ik graag nog een tweede concertzaal bouwen. Maar zulke opdrachten zijn zeldzaam. Misschien was het een once in a lifetime opportunity.’

Hilde is het trotst op haar eigen woning. ‘Tien jaar geleden heb ik voor mezelf een thuis gebouwd. Van die plek kan ik elke dag genieten. Maar ik ben minstens zo trots op ons kantoor, al is dat vooral een ideëel bouwwerk. En op het plein voor het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Tien jaar heb ik in stilte voor de ‘Diepe fontein’ van de kunstenares Christina Iglesias gevochten. Niemand geloofde erin. Nu is die plek niet meer weg te denken uit het stadsbeeld.’

Ik ga mijn vader hier op zijn negentigste nog elke dag moeten binnenrollen.
Johannes Robbrecht

Ook Paul heeft inmiddels voor zichzelf een huis gebouwd. ‘De moeilijkste opdracht van mijn leven. Ik was een lastige bouwheer voor mezelf.’ Zijn woning is sober, warm, gezellig. ‘Ik ben een vroege vogel. Mijn productiefste uren zijn ’s ochtends, vanaf 6 uur. Dan valt het licht hier precies goed. Ik teken nog alles met de hand. Geen computers. Ik weet goed wat ik kan en wat niet. Laat mij maar schetsen maken. En dan drop ik die papiertjes op de bureaus van de medewerkers. Daarom begin ik ook zo vroeg, om een voorsprong te hebben op de rest. Na 17 uur wil ik geen woord meer horen over architectuur. Dan wil ik met andere dingen bezig zijn.’

Mentale rust

Robbrecht en Daem groeide van een tweemanszaak tot een bedrijf met 35 vaste medewerkers en een groep los-vasten errond. ‘Groter dan dit willen we niet worden’, zegt Johannes. ‘De schaal is precies goed. We kunnen elk project aan, soms door allianties aan te gaan met anderen.’ Hilde: ‘Ik wil geen architectenbureau met 300 medewerkers en vestigingen in Parijs, Berlijn, Londen, New York. Het zou de ziel uit onze ontwerpen halen.’

Het kantoor van het architectenbureau ligt op een soort van eiland, aan de rand van de Gentse binnenstad. De architecten toverden een oude houtzagerij om tot een oase voor creatievelingen. Er is een overdekte tuin, een zwemvijver, een atelier waar de maquettes worden gebouwd, een gemeenschappelijke keuken, en een landschapsbureau voor de medewerkers.

‘Het belang van een goed bedrijfsgebouw hebben we pas vijf jaar geleden ontdekt, toen we naar hier zijn verhuisd’, zegt Johannes. ‘Het was niet onze bedoeling onze mensen productiever of creatiever te maken. We wilden hun een plek geven waar ze met plezier naartoe komen. De rest komt dan vanzelf.’ Paul: ‘Het is zonder enige twijfel onze beste investering ooit. We hebben geen dure materialen gebruikt. Alles is sober en de mentale rust die ervan uitgaat, is enorm. ’

Hoe komt het dat er zo weinig zulke werkplekken bestaan in Vlaanderen? Johannes: ‘Er is simpelweg geen vraag naar.’ Hilde: ‘Het is triest als je bedenkt hoeveel mensen elke dag naar een lelijk kantoor trekken om er de mooiste uren van de dag te spenderen. Maar als architecten kunnen wij daar weinig aan doen. Weinig werkgevers hechten belang aan de kwaliteit van de werkplek. Terwijl het net moet gaan om het creëren van goede ruimtes. Kijk naar de Scandinavische architectuur. Daar vind je ze wel: bedrijfsgebouwen die puur, zuiver aangenaam zijn.’

Geen spektakelarchitectuur

Het handelsmerk van Robbrecht en Daem is net dat ze mooie gebouwen maken die ver staan van spektakelarchitectuur. Hilde: ‘Wij jagen nooit op effect.’ Paul: ‘Lang voor de crisis in 2008 toesloeg, hadden we het er al over. Het moest allemaal zo hoog mogelijk. Hoe hoog is de toren van Dubai? Of dichter bij huis, Den Haag. Ze hebben een mooie residentiële stad helemaal kapotgemaakt met al die (haalt zijn neus op) landmarks. De nieuwe KBC-toren in Gent? Ik heb daar geen behoefte aan.’

©Robbrecht en Daem architecten

Als we vragen naar welke hedendaagse architecten ze opkijken, blijft het opvallend stil. Paul: ‘Zaha Hadid, Rem Koolhaas, Calatrava... Veel befaamde architecten maken gebouwen die op elkaar lijken. Ze maken sculpturen: een mossel, een ei... Maar architectuur is geen beeldhouwkunst met gebouwen. De belangrijkste kwaliteit van grote architectuur is empathie. Bescheidenheid ook. De kwaliteit van de Vlaamse architectuur gaat erop vooruit. In Brussel en Wallonië hebben ze het nog niet begrepen. Kijk naar het station van Luik. Tja, dat soort pronkstukken vinden ze daar nog belangrijk.’

‘We mogen best wat trotser zijn op de Vlaamse architectuur’, zegt Johannes. ‘Vlaamse architecten hebben een goede naam. Dierendonckblancke, Vylder Vinck Tailleu, Office Kersten Geers David Van Severen, 51N4E, Marie-José Van Hee, de lijst is lang. Hier komen wekelijks klassen van buitenlandse architectuurstudenten langs die willen zien waar we mee bezig zijn. Er wordt veel over Vlamingen geschreven in de buitenlandse vakliteratuur.’

De verklaring is simpel, meent hij. ‘Vlaanderen is een van de dichtst bebouwde regio’s in Europa: de Atlantic Wall aan de kust, de lintbebouwing,... Door slechte planning is onze openbare ruimte decennialang minderwaardig behandeld. Op veel plaatsen krijg je dat nog moeilijk goed. Dat verplicht architecten creatiever te zijn dan elders. Als er weinig ruimte is om mee te werken, maak je betere dingen.’

Zelfs in onze beginperiode was er altijd een ondergrens: nog liever honger lijden dan iets bouwen waar we niet achter stonden. Geen fermettes.
Hilde Daem

‘Daarom is een crisis zo nu en dan niet slecht’, zegt Paul. ‘Geef de architect een kleiner budget en hij maakt een beter gebouw’, zei een opdrachtgever ooit. Dat klopt, tot op zekere hoogte. Je kan een ontwerp ook in die mate uitwringen dat er niets van overblijft.’

‘Wij hebben ons altijd ver weg gehouden van hypes’, zegt Hilde. ‘Sommige milieubeschermende regels vallen in die categorie, omdat ze op de korte termijn focussen. Vandaag worden gebouwen overgeïsoleerd, met gezondheidsproblemen tot gevolg. Mooie, historische architectuur werd de jongste jaren ook kapotgemaakt door afschuwelijke zonnepanelen.’

Paul en Hilde zijn niet tegen vooruitgang, maar ze waken er wel over dat dingen niet verloren gaan. ‘Bij het ontwerpen vraag ik jonge medewerkers niet enkel op hun scherm te vertrouwen’, zegt Hilde. ‘Flits-flits-flits, venster open, venster dicht. Een menselijk brein is niet gemaakt om de hele dag naar een computerscherm te staren. Traagheid komt het ontwerp ten goede. Ik laat ze ontwerpen openvouwen en naast elkaar op tafel leggen. En kijken.’

Toch is Paul trots op de generatie van zijn zoon. ‘Ze zijn goed bezig. En ze zijn veel opener dan de vorige generaties: ze werken samen, delen dingen. Vroeger waren architecten elkaars concurrenten. Er was weinig interesse in elkaars werk.’

Poten in de grond

Aan stoppen denken ze niet, ook al zit Johannes nu mee in de zaak. ‘Ik ga mijn vader hier op zijn negentigste nog elke dag moeten binnenrollen’, voorspelt Johannes lachend. ‘Klopt’, reageert Paul. ‘Ik denk er niet aan ooit met pensioen te gaan. Ik kan dit niet missen. Zelfs de werfbezoeken niet. Ik zit nog altijd graag met mijn poten in de grond.’ Hilde: ‘Zowat al onze studiegenoten zijn inmiddels gestopt, de meesten al meer dan vijf jaar. Ik wil blijven werken, maar het liefst zonder stress. Dat kan, ja, als je goed kiest met wie je samenwerkt.’

‘Goed kiezen is de sleutel tot ons succes’, zegt Johannes. ‘We doen alleen mee aan wedstrijden die we willen winnen, maar dan gaan we wel voluit. Twee op de drie keer leidt al onze inspanning tot niets. Heel frustrerend, maar het hoort bij ons vak. Creativiteit gaat bovendien nooit verloren. De inspiratie kan je hopelijk wel een keer elders gebruiken.’

En toch, het frustreert. Paul: ‘Ik ben 65, heb mijn hele leven lesgegeven aan architectuurstudenten. Ik denk dat ik iets ken van architectuur. En dan sta ik soms voor wedstrijdjury’s die samengesteld zijn uit nitwits, mensen die niets van architectuur kennen.’

Een andere sleutel tot het succes van Robbrecht en Daem is de getallenrij die in elk van hun ontwerpen verborgen zit. En die brengt ons tot in de slaapkamer van Paul. De kamer, volledig in hout opgetrokken, oogt sober. Bijna spartaans. Aan drie wanden hangen postkaarten, met kleine spijkertjes in de muur geklopt.

‘Net als muziek heeft goede architectuur te maken met de juiste verhoudingen. 3x5x7. Het magische getal is 105. Onze maat, onze meter’, zegt Paul. ‘Die verhouding zit in al onze ontwerpen. Zelfs in het aantal personeelsleden waar wij graag mee werken: 7x5=35. En in mijn verzameling postkaartjes van portretten van kunstenaars: 315 per wand. Of 3x5x7x3. Ik wil die verhouding respecteren. Telkens als ik een nieuwe postkaart vind, moet ik er dus één weghalen. Dat wordt steeds moeilijker. Maar het moet.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content