Als de kunstenaar zelf verzamelt

©Paul Cézanne / Photo courtesy of the owner

Niet enkel rijke mecenassen kopen kunst. Kunstenaars zijn vaak zelf grote verzamelaars. Een tentoonstelling in Londen legt de kunstcollectie van Matisse, Picasso en Degas onder de loep.

Toen schilder Lucian Freud vijf jaar geleden stierf, liet hij de Britse staat een schilderij na. Niet van zichzelf, wel van de Fransman Camille Corot. Diens portret ‘Italian Woman’ uit 1870 had Freud tien jaar eerder aangekocht. De schenking was een teken van dank aan zijn nieuwe vaderland, die Freuds voor de nazi’s vluchtende familie had opgevangen.

Jarenlang hing het schilderij in de buurt van Freuds slaapkamer. Na zijn dood werd de Portrait Gallery in Londen de nieuwe thuis van het werk. Daar hangt het nu, geflankeerd door portretten en naakten van Freud.

‘Degas blijft maar kopen. ’s Avonds vraagt hij zich af hoe hij dat alles kan betalen en de volgende ochtend begint hij opnieuw.’
Een vriend van de Franse schilder Edgar Degas

Het schilderij vormt het startpunt van de tentoonstelling ‘Painter’s paintings’, die de persoonlijke kunstcollectie van kunstenaars-verzamelaars als Lucian Freud, Henri Matisse, Edgar Degas, Sir Joshua Reynolds en Anthony van Dyck onderzoekt. Wat zegt de verzameling van een kunstenaar over zijn werk? Verzamelt hij om andere kunstenaars te steunen, of als investering, statussymbool of inspiratiebron?

Voor Freud gold het laatste. Wie de blik van Corots portret naar het zelfportret van Freud laat glijden, merkt hoe Freud werd aangetrokken tot het zichtbare, bijna brute, smeuïge borstelwerk van Corot.

Erotisch

Freud was een verzamelaar. Hij kreeg werk van bevriende kunstenaars en kocht werken van oudere meesters als Cézanne, wiens ‘L’après-midi à Naples’ hij ‘erotisch en grappig’ vond. Later maakte de schilder een reproductie van dat schilderij, maar die hangt niet in de tentoonstelling.

©The National Gallery

Er hangt wel een ander werk, ‘After Breakfast’. Daarop ligt een vrouw op een wit doek, net zo opgefrommeld als in ‘L’Après-midi à Naples’. Freud heeft duidelijk naar Cézanne gekeken, maar de verbinding van de twee werken blijft jammer genoeg wat vrijblijvend, vooral door de op de vlakte blijvende zaalteksten.

Dat is niet het geval voor de verschillende werken van Henri Matisse en Pablo Picasso, die in de volgende zaal zij aan zij hangen. De twee kunstenaars waren iets wat we vandaag ‘frenemies’ zouden noemen: vrienden én aartsrivalen tegelijk. Matisse stuurde zijn Spaanse vriend tekeningen, die laatste gaf hem op zijn beurt sombere, kubistische portretten van zijn minnares. Matisse leek er zich geen vragen bij te stellen. Ze bleven jarenlang werken uitwisselen.

Ruilhandel tussen kunstenaars is courant. De wissels gebeuren al eeuwenlang en leggen interessante kunsthistorische relaties bloot. Zo zegt het iets over Matisse dat hij later in zijn leven heel wat van zijn verzamelde schilderijen van de hand deed, maar die van Picasso hield.

Matisses grootste schat was de ‘Drie Baadsters’, een werk van Cézanne dat hij kocht in 1899. ‘Het heeft me moreel ondersteund in kritieke momenten als kunstenaar’, schreef hij. ‘Ik heb er mijn doorzettingsvermogen uit geput.’ Sommige werken inspireerden hem rechtstreeks, zoals het in rood badende ‘La Coiffure’ van Degas, die aan Matisses eigen rode werken doen denken.

Obsessief

©Succession Picasso/DACS London 2016

De grootste verzamelaar onder de tentoongestelde kunstenaars was Edgar Degas. De Fransman, een telg uit een rijke familie, erfde een heleboel schilderijen van zijn vader. Degas groeide uit tot een van de belangrijkste mecenassen van de impressionisten.

Hij kocht de werken van zijn collega’s on the spot, de verf amper droog. Verzamelen werd een obsessie. ‘Hij blijft maar kopen en kopen’, schreef een vriend. ‘’s Avonds vraagt hij zich af hoe hij wat hij die dag heeft gekocht kan betalen, en de volgende ochtend begint hij opnieuw.’

Die indrukwekkende verzameling omvat onder andere werk van Ingres, Cézanne, Manet, Delacroix, Gaugain en Sisley. Na zijn dood in 1917 wordt een heel pak werken uit die verzameling geveild. The National Gallery kocht die toen aan. Een goede investering: de werken zijn een zwaartepunt in de tentoonstelling en in de vaste collectie van het museum.

De tentoonstelling eindigt in mineur. Nochtans is de kunstenaar-verzamelaar in de laatste zaal de Antwerpse schilder Anthony van Dyck, een Britse hofschilder die nog bij Rubens studeerde. Van Dyck was in zijn tijd een succesvol kunstenaar en kon dus perfect oudere werken kopen. Hij had het vooral voor Italianen als Raphael en Tintoretto, een passie die hij deelde met zijn leermeester.

Van Dycks obsessie was echter vooral op Titiaan gericht. Hij verzamelde liefst 19 werken van de Italiaanse renaissanceschilder. Dat er in Londen maar twee van te zien zijn, is jammer. Een daarvan is wel het metersgrote olieverfschilderij ‘The Vendramin Family’. Wie oog in oog staat met de rode en zwarte mantels van Andrea en Gabriel Vendramin en de meesterlijk geschilderde plooien en hermelijn kan niet anders dan met ontzag vervuld zijn. Zo moet Van Dyck zich ook gevoeld hebben.

Painters’ Paintings: From Freud to Van Dyck, tot 4 September in de National Gallery in Londen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect