Basquiat en Schiele als jachttrofeeën aan de muur

‘In Italian’ van Jean-Michel Basquiat, 1983. ©Courtesy The Brant Foundation, Greenwich, Connecticut, USA © Estate of Jean-Michel Basquiat.

Jean-Michel Basquiat en Egon Schiele stierven allebei jong en getormenteerd. Hun kunst was rauw en draaide om de interpretatie van het menselijk lichaam. De Fondation Louis Vuitton in Parijs brengt hen samen in twee met elkaar verbonden expo’s.

In het persdossier van de dubbelexpo laat Bernard Arnault niet zonder trots weten dat hij al in de jaren tachtig een grote fan was van Basquiat. ‘Hij is een van ’s werelds grootste naoorlogse kunstenaars’, schrijft de CEO van het Franse luxehuis Louis Vuitton. Die voorliefde ligt aan de basis van de indrukwekkende kunstcollectie die Arnault de voorbije dertig jaar uitbouwde.

De Fondation Louis Vuitton moest dus vroeg of laat wel een tentoonstelling rond Jean-Michel Basquiat (1960-1988) organiseren. Geheel in de stijl van het huis moest en zou die indrukwekkender zijn dan elke eerdere expo. Arnault sprak enkele collega-verzamelaars aan, die maar wat graag hun schilderijen uitleenden. Het resultaat is duizelingwekkend. Het is amper te geloven wat een oeuvre de New Yorkse kunstenaar in een kleine tien jaar bij elkaar schilderde.

In Parijs worden zo’n honderd schilderijen getoond, waarvan twee derde voor het eerst aan het grote publiek. De toon wordt meteen gezet met het eerste werk: het titelloze schilderij van een hoofd waarvoor de Japanse verzamelaar Yusaku Maezawa twee jaar geleden op een veiling bij Sotheby’s 110,5 miljoen dollar betaalde. Een veilingrecord voor Basquiat. Het schilderij maakt op de expo deel uit van de triptiek ‘Head’, en blijkt niet eens het beste van de drie.

Zo wandel je van het ene meesterwerk naar het andere. Basquiats schilderijen daveren langs alle kanten. De kleuren, de woeste figuratie, de gekrabbelde teksten waarmee hij zijn schilderijen een diepere dimensie geeft. Het is een zaligheid.

De expo is geordend aan de hand van trefwoorden die Basquiat moeten typeren. De keuze is arbitrair en vrijblijvend. Na enkele zalen slaat de twijfel toe: welk verhaal wil de tentoonstelling vertellen en wat leert ze over de achtergronden van Basquiat? Bitter weinig, zo blijkt aan het einde. Het lijkt wel een expo van jachttrofeeën van rijke verzamelaars.

Hoe anders was ‘Basquiat Boom for Real’ in Londen, en daarna in Frankfurt. Die tentoonstelling toonde vorig jaar omstandig hoe Basquiat in de jaren tachtig vanuit het niets opklom tot de belangrijkste Amerikaanse kunstenaar van zijn tijd. Ze toonde ook hoe New York en het underground clubleven onlosmakelijk verbonden waren met Basquiat, die een tijd als een straatarme dakloze door de Big Apple zwierf. Tot de verzamelaars hem ontdekten en Basquiat de bestellingen amper kon bijhouden. Het maakte hem schatrijk. Maar van dat New York is in Parijs nauwelijks een spoor te bekennen.

‘Dat is bewust’, pareert de Oostenrijkse curator Dieter Buchhart. ‘We willen de kunst van Basquiat tonen. De context is intussen bekend, me dunkt. Als je een grote expo over Picasso organiseert, leg je ook niet elke keer opnieuw uit dat hij op zijn 13de naar de academie in Barcelona trok. In mijn ogen heeft Basquiat New York al lang overstegen. Daarom besteden we geen aandacht aan het clubleven in Manhattan, hoe belangrijk dat ook is geweest.’

‘Een van de terugkerende thema’s in Basquiats oeuvre is het racisme waarvan hij als zoon van een Haïtiaanse vader het slachtoffer werd. We tonen die schilderijen, maar dan niet in de context van New York. Voor mij zijn die doeken uitgegroeid tot aanklachten tegen het racisme in een geglobaliseerde wereld. Zo moet je de expo bekijken. De schilderijen vertellen het verhaal van Basquiat.’

Toch lijkt het een gemakkelijkheidsoplossing. De kunst van Basquiat vraagt wel degelijk een handleiding. De invloeden van jazz, literatuur, het kolonialisme, het straatleven en de oude meesters zijn bepalend voor zijn werk. Ga je daaraan voorbij, dan mis je de diepere laag en blijft alleen de woeste schoonheid overeind.

Geen stoeipoezen

Vier jaar geleden bracht Buchhart in New York tekeningen van Basquiat, Egon Schiele en Cy Twombly, een boegbeeld van de Amerikaanse abstracte kunst, samen. In Parijs toont hij de combinatie Basquiat-Schiele. Hij koos ervoor de kunstenaars apart te tonen in twee expo’s. ‘Dat leek me het best. De kleine formaten van de tekeningen en schilderijen van Schiele zouden in het niets verdwijnen tussen de grote schilderijen van Basquiat.’

Kende Basquiat Schieles werk eigenlijk? ‘Zeker. Schiele werd pas bekend in New York in de jaren tachtig, ook bij Basquiat. Hij heeft enkele tekeningen gemaakt in de stijl van Schiele. We tonen ze niet, maar ik heb ze wel gezien’, zegt Buchhart.

Het voordeel van de afzonderlijke expo’s - je wandelt haast ongemerkt van de ene in de andere - is dat niet krampachtig wordt gezocht naar gelijkenissen. Ze bestaan wel. Basquiat en Schiele deelden een voorliefde voor het menselijk lichaam. Ze portretteerden de mens nooit volgens de zuivere wetten van de natuur. Ze interpreteerden, wat een unieke beeldtaal opleverde.

De expo van Egon Schiele (1890-1918) toont wél omstandig hoe hij evolueerde. De Weense kunstenaar was een product van de Jugendstil, die Gustav Klimt als boegbeeld had. Ornamentenkunst wordt de Jugendstil ook wel genoemd. Perfecte decoratie, met lange en kronkelende tekenlijnen. Schiele stapte daar snel van af en voegde een scheut expressionisme en zelfs kubisme toe. Zijn tekenlijn veranderde. Dat maakte zijn figuren grilliger, hoekiger en getormenteerder.

In het begin tekende Schiele vooral zichzelf. Je zou hem een narcist kunnen noemen. Buchhart duidt hem liever als een schilder die ‘erg goed was in selfmarketing’. Later portretteerde Schiele veel vrouwen, vaak in expliciete seksuele poses. Hij belandde zelfs ooit een tijdje in de gevangenis omdat hij een masturberend meisje had afgebeeld.

Stoeipoezen werden zijn vrouwen nooit, integendeel. Als je de tekeningen en waterverfschilderijen bekijkt, zie je veel tristesse. Vaak lijken de figuren in een laatste innige omhelzing op weg naar de dood. Schiele omschreef zichzelf niet voor niets als de schilder van de levende doden. De gruwel van de Eerste Wereldoorlog speelde daarin een grote rol.

Het kan niet anders dan toeval zijn dat Schiele en Basquiat bijna even oud werden. De eerste was net 28 toen hij na een stormachtig leven aan de Spaanse griep overleed. De tweede ging 28 worden toen hij aan een overdosis stierf. Het succes was hem te veel geworden, en toen moest de Basquiat-manie op de kunstmarkt nog komen.

Op 14 november veilt Sotheby’s vier Basquiat-doeken uit een Europese privéverzameling. De gezamenlijke opbrengst wordt tussen 35 en 39 miljoen dollar (30,4 en 33,8 miljoen euro) geschat. ‘Maar het kan ook veel meer worden’, liet het veilinghuis deze week weten. Nieuwe trofeeën zijn op komst.

‘Jean-Michel Basquiat’ en ‘Egon Schiele’ lopen tot 14 januari in de Fondation Louis Vuitton in Parijs.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud