Advertentie

Belgen tuk op Scandinavisch design

©Trapholt

In het Designmuseum in Gent loopt een mooie expo met werk van de Deense designer Finn Juhl. Het Scandinavisch design doet het de jongste tien jaar goed op de veilingmarkt.

Finn Juhl (1912 -1989) is niet meteen de bekendste Scandinavische designer. Hij is dan ook een buitenbeenje. Vele fans herkennen Scandinavisch modern design meteen aan de sensuele, organische vormen in hout en leder. Arne Jacobsen, Verner Panton en Hans Wegner zijn de bekendste namen. Juhl is anders. Zijn ontwerpen leunen erg aan bij de organische abstracte kunst van de jaren veertig en vijftig. Als meubelmaker was Juhl autodidact. Daarom schakelde hij voor de praktische uitvoering een van de briljantste ambachtslui van dat moment in, Niels Vodder.

Hun samenwerking leidde vanaf 1937 tot een kleine productie van sensuele, vloeiende meubels in tropisch hardhout. ‘Een vermoeide walrus’ doopte een criticus hun intussen legendarische ‘Pelican’-fauteuil. De gebrandmerkte, handgemaakte stukken waaraan beide heren samen werkten, zijn nu het meest gezocht op de kunstmarkt. Ze halen gemakkelijk tot 100.000 euro op gespecialiseerde designveilingen bij PIASA, Philips, of Pierre Bergé. Het wereldrecord is (voorlopig) de ‘Chieftain’-fauteuil uit 1949, die op 531.000 euro strandde in september 2013. Reden genoeg voor het Gentse Designmuseum om een zomerexpo te wijden aan Juhl, het eerste ‘Danish Modern’-icoon. Het Designmuseum in Kolding organiseerde de rondreizende tentoonstelling naar aanleiding van Juhls honderdste verjaardag in 2012. ‘Bijzonder is dat de expo Juhls ontwerpen confronteert met schilderijen van Scandinavische modernisten’, zegt Bernadette De Loose van het Gentse Designmuseum.

Verbrand

De retrospectieve komt er in samenwerking met One Collection. De weduwe van Juhl contacteerde dat meubelbedrijf in 1998 om zijn oude ontwerpen opnieuw uit te geven. Ook van andere Scandinavische ontwerpers, zoals Hans Wegner en Arne Jacobsen, worden stukken opnieuw geproduceerd. Dat heeft zo zijn gevolgen voor de marktwaarde van de vintage exemplaren. Onbekende modellen worden bekender dankzij de re-edities, zodat ook oude versies van dat model gegeerd worden.

Maar er is een gevaarlijk kantelpunt: eenmaal de stukken te veel gezien zijn in interieurs of in bladen (zoals bij bepaalde ‘vulgaire’ modellen van Eames en Wegner), worden originele exemplaren minder liquide op de kunstmarkt. Anders gezegd: ze raken ‘verbrand’ door hun eigen populariteit en verliezen marktwaarde.

Finn Juhl ondervond dat Eames-effect overigens in zijn eigen carrière. Vanaf 1949 waren Deense meubelen (waaronder Juhls ontwerpen) een hype in de Verenigde Staten. Het leverde Juhl zelfs een interieuropdracht op voor het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York. De ambachtelijke Scandinavische producenten konden de vraag niet meer volgen, waardoor Amerikaanse meubelfabrikanten zoals Baker Juhls ontwerpen op industriële schaal in productie namen. Het meubilair verloor snel zijn artisanale touch en materiaalkwaliteit. Tot overmaat van ramp werd hout begin jaren zestig weggeconcurreerd door plastic als trendy designmateriaal. Dat de New York Times in 1980 nog een artikel publiceerde met de titel ‘Whatever happened to Danish Modern’, is veelzeggend. 25 jaar later werd die stijl weer opgepikt door een nieuwe generatie designliefhebbers.

Tefaf-waardig

‘De markt voor Scandinavisch design bestaat nog maar een kleine tien jaar’, zegt François Epin, designspecialist van het Franse veilinghuis Piasa Rive Gauche. ‘Belgen houden van Zweedse, Deense en Finse ontwerpers uit het midden van de 20ste eeuw. Dat heeft deels met nostalgie te maken: in de jaren vijftig, zestig en zeventig exporteerden veel Scandinavische meubelmerken naar België. Dus veel kopers zijn thuis opgegroeid met die meubels. Maar Belgische kopers hebben een eigenzinnige smaak ontwikkeld, zeker in vergelijking met de chauvinistische Fransen. Zij zijn nogal in de ban geraakt van Franse ontwerpers als Perriand, Prouvé en Le Corbusier. In België sloeg de esthetiek van het noorden goed aan’, meent Epin.

Dat Scandinavisch design tout court veilingwaardig werd, hebben we grotendeels te danken aan een Belg: wijlen Philippe Denys (1949 -2010). De Brusselse antiquair handelde tot aan zijn dood in meubilair: eerst in jugendstil en art deco, vanaf de jaren negentig in ‘Scandinavian modern’. Hij was de eerste designhandelaar die toegelaten werd op de befaamde kunst- en antiekbeurs Tefaf in Maastricht. ‘Wat daar gepresenteerd wordt, is het summum van klassieke smaak en elegantie. Denys zorgde er mee voor dat vintage design het nieuwe antiek werd. Maar hij vroeg er wel Tefaf-waardige prijzen voor en verkocht veel aan topklanten. Dat was best revolutionair’, zegt Epin.

Niet alleen ‘designantiquairs’, maar ook interieurarchitecten, -decorateurs en -magazines zijn invloedrijk in deze trendgevoelige sector. ‘In bladen werden we recentelijk overspoeld met Scandinavische stukken van onder meer Wegner, Kjaerholm en Jacobsen. In Europa zijn we die look stilaan wat beu,’ vertelt Cedric Morriset, designauteur en hoofd van het designdepartment bij het Franse veilinghuis PIASA. ‘Vandaar dat op veilingen nu stukken opduiken van minder bekende Scandinavische ontwerpers, die nog niet plat gepubliceerd zijn. Denk maar aan Axel Einar Hjorth, Paavo Tynell of Uno Ahren.’ François Epin: ‘De Europese markt valt wat stil, maar in Japan is de Scandinavische look nu erg populair. Let op: de hoge prijzen op veilingen gelden alleen voor topstukken. De Scandinavische serieproducten voor de modale markt halen nu nog hoge bedragen, maar er is een stagnering aan de gang.’ Morriset: ‘De trend is duidelijk: alleen superzeldzame stukken met een goeie stamboom halen nog de topprijzen. Ik merk ook een grotere vraag voor radicale, artisanaal gemaakte stukken. Het vroege werk van Finn Juhl hoort daar zeker bij.’

Finn Juhl, nog tot 12 oktober in het Gentse Designmuseum.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud