'De brieven van Paul Van Ostaijen tonen zijn ups en downs'

©SISKA VANDECASTEELE

Honderd jaar nadat ‘Bezette stad’ van Paul van Ostaijen is verschenen, toont het Antwerpse Letterenhuis het manuscript. De Vlaamse Gemeenschap kocht het net op tijd aan voor de viering van die eeuw. Nu kan iedereen zien hoe de schrijver schreef en wat de dichter dacht.

Al langer staat thuis in de boekenkast de facsimile- heruitgave van ‘Bezette stad’. Maar de rug is niet gekraakt, het oranje buikbandje zit er nog rond en het blaadje met ‘Storende Errata’ ziet er nog schoon uit. Een eindejaarscadeau. Prachtig. Die avond doorbladerd en oprecht dankbaar voor geweest. Maar nooit echt gelezen. Dan nu. De eerste woorden.

‘U zal veel worden vergeven

want

gij hebt veel films gezien’

Citeren uit dit boek is lastig, want zonder de ‘ritmiese typografie’ die Paul van Ostaijen zelf in zijn wereldberoemde bundel legde en die door Oscar Jespers in druk werd gebracht, is ‘Bezette stad’ maar half. Dat het boek deze week toch uit de kast kwam en waarom we deze woorden schrijven, heeft drie redenen. Van Ostaijens bundel verscheen in 1921, de Vlaamse Gemeenschap kocht het manuscript aan en het Letterenhuis toont het.

Met tromgeroffel zou dit verhaal begeleid kunnen worden en, natuurlijk, met die overbekende woorden: ‘Boem Paukeslag daar ligt alles plat.’ Maar dat zou wel erg cliché zijn. Curatoren Lies Galle en Johanna Ferket zeggen het zo: ‘Iedereen kent ‘Boem Paukeslag’ en weet dat de typografie bijzonder is. Maar hoe ‘Bezette stad’ tot stand kwam, proberen we in deze tentoonstelling te tonen. We focussen niet op Van Ostaijen zelf, maar op de bundel en de vele verhalen die erachter zitten. We spelen met delen van het boek en met de correspondentie die hij erover voerde.’

‘Bezette stad’ was niet alleen een literair manifest, maar ook een ideologisch. Alles was een nieuw begin. Zowel qua vorm als qua inhoud.

Voor we daarnet het Letterenhuis binnenstapten, waren we Van Ostaijen al twee keer tegengekomen. Eigenlijk drie keer. In de Leuvense Van Ostaijenlaan hangen verzen van Van Ostaijen tegen de gevels. Maar hier, in Antwerpen dus, kondigt de vitrine van boekhandel Demian aan dat de ‘Slinger Singer naaimasjien’ van Floris Jespers tentoongesteld is, bekend van het gedicht van Van Ostaijen. Even verder, hoog aan de gevel van Café Quinten Matsys, een portret van de dichter naast Willem Elsschot, Jos Vandeloo, Hendrik Conscience en Wim Hazeu. En een vers: ‘Ach m’n ziel is louter klanken in dit uur van louter kleuren; klanken, die omhoge ranken in een dolle tuin van geuren.’

Hij is aanwezig, honderd jaar nadat ‘Bezette stad’ nu ‘Besmette stad’ heeft geïnspireerd, maar zijn bundel ging dus over die andere wereldoorlog waarvan niemand toen wist dat het de eerste zou zijn. Die oorlog die Van Ostaijen zag beginnen, meemaakte, zag eindigen en inspireerde.

Breken met de bourgeoisie

‘Eigenlijk is ‘Bezette stad’ zijn boek over de Eerste Wereldoorlog’, zegt Galle. ‘Van Ostaijen stond op de eerste rij. Hij zag hoe Belgische troepen de stad tot een onneembare vesting leken te maken, maar hoe de Duitse troepen daar toch snel een einde aan maakten. De Belgische troepen vluchtten en hij ook even, om dan terug te keren naar die bezette stad.’

Er klonken liedjes in de straten en die liedjes klinken in ‘Boem Paukeslag. Bezette stad 100!’, deze expo. Liedjes die ook terug te vinden zijn in zijn bundel. ‘Puppchen, Du bist mein Augenstirn’, schrijft Van Ostaijen en ‘Jef, Jef, Jef, ne Zeppelin, kruipt al gauw de kelder in.’

©SISKA VANDECASTEELE

‘Hij was pas 18 toen de oorlog begon en hij zag de zeppelins boven de stad, de kapotte huizen, de plots verlaten haven’, zegt Ferket. In een van de begeleidende teksten van de tentoonstelling lees je: ‘Het is deze uit elkaar gerukte stad die Van Ostaijen in beeld brengt in ‘Bezette stad’.’

Geen misverstand: de bundel dateert dus van na de oorlog. Met indrukken natuurlijk van tijdens die grote wereldbrand waarin de dichter aan de gruwel trachtte te ontsnappen door muziek, film, drank en ander vertier en contacten. Al schrijft hij de ‘Nomenklatuur van verlaten dingen’: ‘Verlaten ZIJN verlaten stad verlaten plein verlaten kino.’ Maar, later, ook ‘Music Hall’. ‘Plots binnen de kring van haar moedeloosheid begon de stad te leven. Music Hall ligt vol vaag verlangen in zijn elektriekspaarzaamheid mensen in spanning voor het banale wonder.’

‘Hij gebruikte vaak technieken van film en muziek. Film was een nieuw massamedium en in boevenfilms werd hij aangetrokken door het feit dat het gezag daarin niets te vertellen had. Ook voor nieuwe muziek had hij oor. Tango, jazz: hij wilde breken met de oude wereld en zag later de oorlog als de kans om komaf te maken met al het oude. De bourgeoisie, bijvoorbeeld, en de kerk. In dat opzicht was ‘Bezette stad’ niet alleen een literair manifest, maar ook een ideologisch. Alles was een nieuw begin. Zowel qua vorm als qua inhoud.’

Bewonderde ster, in de ‘kinema’, was de Deense actrice Asta Nielsen. Niet alleen door Van Ostaijen, ook door zijn vrienden Floris en Oscar Jespers. Broers, muzikanten, Floris schilder, Oscar beeldhouwer. Ze dweepten met Nielsen, die je in de tentoonstelling op video ziet verschijnen en aan wie in ‘Bezette stad’ een apart hoofdstuk wordt gewijd. ‘ASTA doe een goed gebaar voor ons/en speel nog lang KINEMA/speel nog lang met je voeten/maar niet met de Onze’. Het gedicht is opgedragen ‘Voor Paul Joostens’ en zijn schilderij uit 1917 van Asta (‘Futurisme’, is de titel) hangt hier tegen de muur. Joostens en Van Ostaijen zagen haar wellicht in Cinema Zoologie en Cinema Palace, tempels die onder toezicht van de Duitse Kommandatur films mochten draaien. ‘Afgrunden’ misschien, met een voor die tijd bijzonder erotische geladen scènes met de Deense.

Hoop op vernieuwing

De oorlog eindigt in 1918 en in oktober vlucht Van Ostaijen met zijn vriendin Emma Clement naar Berlijn. Hij was activist geweest en had, in 1917, kardinaal Mercier tijdens een processie in Antwerpen uitgefloten. Hij moest weg, weg van Antwerpen, maar ook weg van de oude wereld. Berlijn was voor de nog altijd maar 22-jarige man de hoop op vernieuwing.

©SISKA VANDECASTEELE

‘De vernieuwende bewegingen in kunst en literatuur volgde hij op de voet, Berlijn was de wereld van de avant-garde. Hij leerde er kunstenaars kennen en sloot vriendschappen, maar hij had er ook veel correspondentie met zijn Vlaamse vrienden. Die correspondentie ging over wat kunst moest zijn. Daar was hij heel serieus in, hij maakte er ruzie over. En hij liet zich boeken toesturen.’ In een kast liggen er enkele: werk van Blaise Cendrars, de almanak ‘Der Blauwe Reiter’, ‘Über das Geistige in der Kunst’ van Kandinsky.

Na twee jaar in Berlijn begint hij aan ‘Bezette stad’. Het manuscript, onlangs bij een anonieme verzamelaar gekocht voor 725.000 euro, is het pronkstuk van deze tentoonstelling. Vier dagen voor de opening ligt het nog verborgen. ‘Er moet omzichtig mee worden omgesprongen’, zegt Galle. ‘We tonen 41 folio’s, drie maanden lang. Daarna moeten die weer minstens vijf jaar in de juiste omstandigheden worden bewaard om ze goed te beschermen.’

De folio’s tonen hoe Van Ostaijen in zwart handschrift zijn ‘ritmiese typografie’ verduidelijkt. En in briefwisseling, onder meer met Peter Baeyens en kunstenaar Oscar Jespers, die voor de dichter nieuwe letters ontwerpt, wordt duidelijk hoe zwaar de bevalling soms is en hoe veeleisend de schrijver kan zijn. Zijn twijfels lees je erin: ‘Hopelik is de ‘Bezette stad’ voor de lezers ook werkelik wat nieuws.’

‘Je leest ook hoe Jespers hem moest opjutten om verder te werken’, glimlacht Ferket. ‘Hij schreef zelfs dat Van Ostaijen beter wat minder pedante opmerkingen moest maken.’ Het manuscript brengt je dichter bij de bezette stad zelf.

Ups en downs

‘Bezette stad’ kwam er, in 1921, en werd een huzarenstukje. Door wat Van Ostaijen schreef, zeker ook door de vormgeving. Op een tijdlijn van de tentoonstelling zie je mooi hoe het gedicht ‘Il pleut’ van Apollinaire al in de vorm van een regenvlaag was gedrukt. ‘Maar dat ging om één gedicht in een verder gewone bundel. Een volledig boek zoals Van Ostaijen maakte, was helemaal nieuw voor die tijd.’

©SISKA VANDECASTEELE

Leer je Van Ostaijen kennen door ‘Bezette stad’ en vooral door de manier waarop je achter de schermen en door zijn brieven leert hoe het boek geboren werd? Galle vindt van wel. ‘Hij komt bij mij over als een principiële en intelligente man’, zegt ze. ‘Publiceren in Franstalige tijdschriften vond hij not done. Hij was iemand die zijn kunst serieus nam en al zijn vriendschappen hielden er verband mee. Al kon hij discussiëren op het scherpst van de snee. En hij raakte enorm gedesillusioneerd. De grote revolutie, waarop hij hoopte door de oorlog, kwam er niet.’

Ferket: ‘Tegelijk was hij teder en liefdevol. Zijn brieven tonen zijn ups en downs, en hoe getroebleerd hij was. Maar ook dat hij humoristisch kon zijn. Hij maakte komaf met gevestigde waarden, maar dat deed hij op een grappige manier.’

Van Ostaijen werd 32. Tuberculose velde hem. Maar een vergeten dichter was hij nooit. Dat was hij al niet bij leven. ‘Niet alle recensies van ‘Bezette stad’ waren lovend, maar er stond in elke recensie wel iets positiefs. Iemand als Maurice Gilliams dweepte met hem. Hij had echt de reputatie een van de modernste dichters van die tijd te zijn.’

‘Boem Paukeslag. Bezette stad 100!’ is tot 27 juni te zien in het Letterenhuis in Antwerpen.

letterenhuis.be

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud