De ‘negerin' die Madeleine werd

'Etude d'après le modèle Joseph' van Théodore Chassériau (1819-1856), 1839. ©© www.bridgemanimages.com

Met ‘Le modèle noir de Géricault à Matisse’ waagt Musée d’Orsay zich aan een heikel thema: hoe ging de kunst om met racisme en discriminatie van de niet-blanke mens?

Ze hangt helemaal aan het begin van de tentoonstelling: Madeleine, in 1800 geschilderd door Marie Guillemine Benoist. Ze was de huishoudster van de schilderes. Wellicht was ze eerst haar slavin, maar in 1794 schafte Frankrijk de slavernij af. Tijdelijk, zo bleek later. De afschaffing van de slavernij bracht nog lang geen gelijkheid tussen zwart en blank. En politiek correct taalgebruik bestond ook nog niet. Benoist titelde haar werk ‘Portrette d’une Négresse’.

‘Portrait de Madeleine’ van Marie Guillemine Benoist, 1800. ©© RMN-Grand Palais (Musée du Louvre) / Gérard Blot

Ondanks die titel was het werk een politiek en artistiek statement. Voor het eerst in de Franse schilderkunst werd een zwarte vrouw in volle waardigheid afgebeeld, inclusief de seksuele connotatie. Het portret verschilde in niets van de portretten die tijdgenoten als Jacques-Louis David van blanke, Franse vrouwen maakten, en baarde dan ook opzien toen het in Parijs werd voorgesteld.

Frankrijk worstelt nog altijd met het werk. Nadat de titel al eens werd veranderd in ‘Portrait femme noire’, gebeurde dat voor de expo opnieuw. Laurence des Cars, de directice van Musée d’Orsay, koos voor ‘Portrait de Madeleine’, om elke zweem van racisme te vermijden. ‘Ik heb alle belangrijke musea van Parijs van de naamsverandering op de hoogte gebracht. Niemand had er bezwaar tegen’, zei ze deze week in de Franse pers.

De expo toont niet alleen geweldig mooie werken, ze drukt je ook met de neus op de feiten.

Hier en daar hangen nog werken die een andere titel kregen. Het toont aan hoe delicaat het thema is. De expo overspant tweehonderd jaar geschiedenis. Met opzet schrijven we niet ‘kunstgeschiedenis’. Al toont Musée d’Orsay geweldig mooie kunstwerken, het is in de eerste plaats een expo over discriminatie en racisme. De kunst ageerde en reageerde. Maar de sociale en de politieke context bepaalden ook de agenda van de kunstenaars.

De expo is breed opgevat en waaiert nogal uit. Maar ze is boeiend en drukt je met de neus op de feiten die tot vandaag de maatschappelijke verhoudingen tussen bevolkingsgroepen beïnvloeden: de blanke vond zichzelf superieur aan de zwarte.

Typecasting

De afschaffing van de slavernij van 1794 duurde niet lang. Napoleon voerde ze acht jaar later weer in op de Caraïben. De slavernij werd nog wat verhard door apartheidsregels, waaronder het verbod op gemengde huwelijken en een toegangsverbod in bepaalde steden.

Een reeks kunstenaars kwam daartegen in opstand. Théodore Géricault was een van hen. De Fransman is vooral bekend van ‘Het vlot van Medusa’. In de eerste schetsen voor dat monumentale schilderij was van gekleurde figuren geen sprake. Dat veranderde gaandeweg. Uiteindelijk beeldde Géricault drie Caraïbische mannen af, uit protest tegen de slavernij. In Parijs hangen twee prachtige studies van Joseph, die model stond voor de zwarte personages op het vlot.

Joseph - een achternaam had hij niet - was in de vroege 19de eeuw een veelgevraagd zwarte model. Hij werd in 1793 geboren op Saint-Domingue, zoals Haïti ooit heette. Hij verkaste eerst naar Marseille, en daarna naar Parijs. Naast zijn werk als acteur, waarbij hij werd getypecast als ‘de Afrikaan’, ging hij aan de slag als model in de École des beaux-arts in Parijs. Schilders en beeldhouwers maakten gretig gebruik van zijn présence.

Soms gebeurde dat op een pijnlijke manier. Toen Jean-Auguste-Dominique Ingres de opdracht in de wacht sleepte om de duivel af te beelden, was hij er snel uit dat het een zwarte man moest zijn. Hij gaf zijn leerling Théodore Chassériau, langs moeders kant van Caraïbische afkomst, de opdracht een studie te maken met Joseph als model. Hij maakte ‘L’Étude de noir’, voor de expo omgedoopt tot ‘Étude d’après le modèle Joseph’.

Chassériau en Joseph wisten geen van beiden dat ze meewerkten aan een portret van de duivel. Ingres hield dat geheim. Hij maakte nog wel een tekening op basis van de studie, maar het schilderij kwam er nooit. In Musée d’Orsay is de studie van Chassériau wel te zien. Het is een krachtig beeld van een krachtige man. Nergens is te merken dat hij bij de schilder klaagde over de lastige en onnatuurlijke poses die hij moest aannemen.

Boeketje in de hand

In de tweede helft van de 19de eeuw baarden Afrikaanse of Caraïbische modellen weinig opzien. Ze werden vaak stereotiep afgebeeld, in traditionele kleren en met een boeketje in de hand. Edouard Manet creëerde op het Salon van 1865 schandaal met zijn ‘Olympia’, een eerbetoon aan Titiaans ‘Venus van Urbino’. Hij schilderde een zelfbewuste naakte vrouw op een canapé. Een zwarte bediende - het model Laure, door Manet een ‘très belle négresse’ genoemd - brengt haar bloemen.

Niet zozeer de bediende veroorzaakte heisa. Parijs was vooral geschokt door het expliciete erotische karakter van de vrouw op de canapé, die een courtisane bleek. Een succesvolle bovendien. Want alleen geslaagde courtisanes hadden het geld om een zwarte bediende in huis te halen.

'Olympia' van Edouard Manet, 1863. ©© Musée d'Orsay, Dist. RMN-Grand Palais / Patrice Schmidt

‘Olympia’ werd een grote inspiratiebron voor tijdgenoten van Manet. Frédéric Bazille schilderde een gelijkaardig portret van een blote courtisane die zich liet aankleden door haar Afrikaanse bediende. Het werd op het salon van 1870 geweigerd. Paul Cézanne schilderde in 1873 ‘Moderne Olympia’, waarop een mannelijke zwarte bediende het verhullende laken van een prostituee wegtrekt zodat een klant haar naakte lichaam kan bewonderen.

Het laatste deel van de expo snijdt veel thema’s uit de eerste helft van de 20ste eeuw aan, misschien te veel om echt gefocust te blijven. Er zijn foto’s van de eerste tentoonstellingen die inwoners uit de kolonies als een attractie opvoerden. Er zijn spotprenten van Afrikaanse soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Er zijn films en foto’s van de danseres Josephine Baker.

Maar dan moet je weer even stilstaan, omdat Henri Matisse de revue passeert. De Franse schilder reisde in 1930 naar Tahiti, het eiland van Paul Gauguin, en maakte een tussenstop in New York. Hij werd op slag verliefd op Harlem, met zijn jazzkroegen en zijn zwarte cultuur. Dat kristalliseerde zich na zijn terugkeer in enkele prachtige portretten.

Een van de mooiste is dat van Elvire Van Hyfte, een vrouw van Belgisch-Congolese afkomst. Het is een genot om naar te kijken. Maar de wrangheid van de expo kan ook zij niet afschudden.

‘Le modèle noir de Géricault à Matisse’ loopt tot 21 juli in Musée d’Orsay Parijs.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect