reportage

De ongemakkelijke schoonheid van Charleroi

©Stephan Vanfleteren

Als een vrouw die hij, ondanks haar stinkende adem, op de mond kust. Zo ziet Stephan Vanfleteren Charleroi. Voor een expo en een boek zwierf de fotograaf maanden door ‘de lelijkste stad ter wereld’, op zoek naar schoonheid tussen de verloedering. Wij dwaalden een dag mee.

Stefan Vanfleteren duwt een foto en een uitnodiging voor de vernissage van zijn expositie in de gekloofde handen van een arbeider. ‘Hier! Je komt toch, hè? Er gaat bier zijn. En jouw portret hangt in het museum.’ Cédric bekijkt de foto en lacht zijn weinige, overwegend bruine tanden bloot. ‘Bien sûr’, zegt hij. ‘En weet je wat? Ik breng een cadeau mee. Dia’s van een boek over Charleroi uit 1928. Onlangs in een container gevonden. Ik moest meteen aan jou denken.’

We staan in een van de vele troosteloze straatjes van Marchienne-au-Pont, een deelgemeente van Charleroi. Dit is hartje pays noir. Karakterloze arbeidershuisjes en putten in het wegdek ontsieren het zicht. In de verte doemt het grauwe geraamte van de fabrieken van Carsid en Cockerill op. Precies op deze plek liepen Cédric en Vanfleteren elkaar enkele maanden geleden tegen het lijf. Cédric kwam van zijn werk: inboedels leeghalen in huizen waarvan de eigenaars failliet zijn, of overleden. Vanfleteren was op pad met zijn camera. Wat hij bij schemerlicht ter hoogte van Cédrics voortuin aantrof, tartte alle verbeelding. Er liep een kudde schapen over de hobbelige weg. ‘Ik had al veel gezien in Charleroi, maar dat had ik niet verwacht’, lacht Vanfleteren.

Van de ontmoeting kwam een mooi portret. De arbeider is een van de tientallen Carolo’s die Vanfleteren vereeuwigde in een nieuwe tentoonstelling en een fotoboek. Die kwamen er op verzoek het Fotomuseum in Charleroi. Elke twee jaar vraagt het Fotomuseum, dat een van de grootste fotoverzamelingen van Europa heeft, een ‘buitenlandse’ fotograaf om ‘de lelijkste stad ter wereld’ - volgens het Amerikaanse zakenblad Forbes - in beeld te brengen. Vanfleteren kreeg carte blanche: geen taboes, niets verbloemen. Vorig najaar ging hij aan de slag. In april schoot hij zijn laatste beelden: hoopgevende tableaus van spelende kinderen op een van de vele mijnterrils die rond de vervallen industriestad liggen.

©Stephan Vanfleteren

Maanden zwierf Vanfleteren door Charleroi. De stad was voor hem geen onbekende. Begin jaren negentig werd hij voor het eerst bevangen door die plek waar geen normaal mens komt als hij er niet moet zijn. ‘Ik ben dan ook geen normaal mens’, zegt hij terwijl we le Terril de Piges beklimmen - les Pigeons in de volksmond. De berg was destijds al een van zijn favoriete plekken. De voorbije maanden keerde hij er wel 15 keer naar terug, op zoek naar het juiste licht of het mooiste mistgordijn. Als we boven op de terril staan, begrijpen we de West-Vlaming. Wat we rond ons zien, oogt niet fraai, en toch snijdt het miserabelisme je de adem af. ‘Charleroi is ongelooflijk visueel’, zegt Vanfleteren. ‘Al die daken met hun schotelantennes, en amper zonnepanelen. De ringweg die de stad omzoomt en de Samber die erdoor snijdt. En natuurlijk, wat ik altijd fascinerend heb gevonden: de metaalfabrieken die tegen de stad liggen.’

De steenkoolfabrieken sloten en ook de metaalindustrie bloedde langzaam dood. De dramatische gevolgen van al die sluitingen zijn genoegzaam bekend: verval, armoede, criminaliteit, alcoholisme ook. Met een werkloosheid van 25 procent zit de streek op Grieks niveau. Vanfleteren zag dan ook veel menselijk leed.

Ik hoop dat mensen uit mijn beelden zullen aflezen dat ik diep vanbinnen geloof dat het ooit goedkomt met Charleroi.
Stephan Vanfleteren, fotograaf

In Dampremy stoppen we bij Eric. Ook hij krijgt een foto en een uitnodiging. Vanfleteren fotografeerde Eric terwijl hij samen met een paar vrienden aan een houten poortje van zijn oprit stond te timmeren. Zijn verhaal is schrijnend: al tien jaar werkloos, een leefloon van het OCMW en een zoon met gedragsproblemen die in Namen op internaat zit. Hij haalt de schouders op. ‘La crise touche beaucoup de gens.’ Zijn adem ruikt naar alcohol.

‘Die gelatenheid heb ik dikwijls ervaren’, vertelt Vanfleteren achteraf. ‘De mensen leggen zich neer bij hun lot. Ze beginnen te drinken, zoals Eric, of roken zich de longen uit het lijf. Ik heb op weinig plaatsen in de wereld zulke ongezonde mensen gezien als hier. En toch heb ik weinig boosheid gevoeld. Ik ben nooit agressief bejegend of doodgebliksemd omdat ik rondliep met een camera rond mijn nek. En ik ging het gevaar niet uit de weg. Soms stelde ik me aan de mensen een beetje provocerend voor als sale Flamand. Ik heb ’s nachts in vreemde buurten tussen de prostituees rondgehangen. Maar ik heb me altijd welkom gevoeld. Carolo’s zijn lieve, gastvrije mensen. ‘We zijn arm, maar we zijn warm. We zijn arm, maar u bent welkom.’

‘Is het omdat ik hun als fotograaf het gevoel geef dat ze iets betekenen? (denkt na) Volgens mij ligt het aan het feit dat ze niets te verliezen hebben. Ik begrijp die logica wel. Bezit maakt kwetsbaar. Het zet je leven onder druk. Terwijl: als je weinig hebt, dan zie je wel weer. Dan ben je solidair. Ik heb dat ook gezien in Afrika.’

Voorzichtig herstel

We rijden naar het stadscentrum, op zoek naar schoonheid. Onderweg passeren we het zwart-wit geschilderde herenhuis van burgemeester Paul Magnette. ‘Ik ben erg streng voor de PS’, zegt Vanfleteren. ‘De socialisten zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor deze miserie. Maar je moet het Magnette nageven: Charleroi werkt onder zijn bewind aan voorzichtig herstel. Hij vecht keihard voor zijn stad.’

©Stephan Vanfleteren

In de benedenstad lijkt van enig herstel weinig te merken. We zien mannen in joggingbroeken en tippelende vrouwen, en niet één winkel of café waar we spontaan zouden binnenstappen. ‘Vroeger was het veel erger, hoor’, werpt Vanfleteren op. ‘De wandelpaden aan de kaaien zijn heraangelegd. Straten worden schoongemaakt. Sommige leegstaande gebouwen zijn door Antwerpse Joden opgekocht. Ze gaan tegen de vlakte, en in de plaats komen winkelcentra. Je merkt het nu al aan de prostituees. Ze zijn minder talrijk dan vroeger.’

De transformatie wordt ook op een andere manier zichtbaar. Heel voorzichtig tekent zich een nieuwe beweging af: jonge creatievelingen en kunstenaars nemen het industriële bekken in handen. Vanfleteren troont ons mee naar de Rue de la Providence. De fabrieksschouwen, koeltorens, stalen buizen en luchtpijpleidingen verraden dat dit ooit het hoofdkwartier van het Belgische metaalindustrie moet zijn geweest. We stoppen bij Rockerill: een concertzaal gevestigd in de ovens van de gevallen staalgigant Carsid. In de entreehal staat een Jaguar te blinken. De Britse luxewagenbouwer stelt hier vanavond de nieuwe XE voor.

Vanfleteren vindt het symbolisch. ‘Als Jaguar zijn klanten al naar Charleroi stuurt!’ Hij ontdekte deze plek op Valentijnsnacht. Het moment was een belangrijk keerpunt in zijn hoofd. ‘Tot dan had ik alleen sombere gezichten gezien in de straten. Terwijl ik hier een andere wereld binnenstapte. Er was een concert bezig. Ik zag overal coole, mooie, vrolijke en kussende mensen. Ik voelde me alsof ik bij The Velvet Undergound in New York was. Toen ik na die feestnacht door de trieste stad naar huis wandelde, dacht ik: ‘Het kan ook anders.’ En het gebeurt, zij het met mondjesmaat. Dit gebouw is door twee gasten gekocht. Op andere plekken beginnen jonge kunstenaars hetzelfde te doen. De toekomst van deze stad ligt in hun handen.’

Ik heb op weinig plaatsen in de wereld zulke ongezonde mensen gezien als hier. En toch heb ik weinig boosheid gevoeld.

Gelooft hij echt dat cultuurhuizen voor het hippe volk iets kunnen veranderen aan de situatie van de man in de straat? ‘Kunstenaars zijn de verkenners van de maatschappij. Waar zij zich vestigen , leven arme buurten op. Kijk naar Antwerpen-Zuid en Antwerpen-Noord. Mocht ik een jonge kunstenaar zijn, en ik had geen vrouw of kinderen, ik zou nú naar Charleroi verhuizen. De stad, de geur, het lawaai van de industrie: het zijn onuitputtelijke inspiratiebronnen. Magnette móét inzetten op jonge kunstenaars. Hij heeft de gebouwen om het te doen. Mons is nu de culturele hoofdstad van Europa, en de eerste cultuurstad van Wallonië, maar ik ben ervan overtuigd dat het binnen twintig jaar de beurt is aan Charleroi.’

Klassenhaat

Onze laatste stopplaats is het Fotomuseum. Vanfleteren mag dan wel als een romantische ziel over ‘zijn’ Charleroi praten, de meer dan honderd foto’s van zijn zwerftochten tonen zonder omwegen de grauwe realiteit. Het zit er allemaal in: de vele gezichten van armoede, de tandeloze arbeiders, hun vermoeide triestheid, de leegstand en het industriële verval. Ongemakkelijke schoonheid.

©Stephan Vanfleteren
©Stephan Vanfleteren
©Stephan Vanfleteren
©Stephan Vanfleteren
©Stephan Vanfleteren

‘Il est clair que le gris est noir’, is de sombere ondertitel van de expo. Is Vanfleteren bang voor negatieve reacties? Met wat slechte wil wordt hij straks weggezet als de zoveelste Vlaming die een somber beeld van Charleroi ophangt, en de stad zo symbool willen stellen voor alles wat fout loopt in Wallonië. Burgemeester Magnette kan kribbig reageren op ‘clichéverkopers’ die het alleen over de miserie in zijn stad hebben. Een vorm van klassenhaat, noemt hij hun minachting. En als het echt te grof wordt, gooit hij zijn politieke gewicht in de schaal, zoals met de World Press Photo-rel rond de Italiaanse fotograaf Giovanni Troilo.

‘Laat de kritiek maar komen. Ik sta recht in mijn schoenen’, zegt Vanfleteren. ‘Ik heb veel aan de burgemeester gedacht. Hij keek als het ware mee over mijn schouder. Ik had veel ergere dingen kunnen tonen. Er zitten geen beelden van heroïnejunks en prostituees bij. Ik had de armoede veel extremer in beeld kunnen brengen. Dat was niet zo moeilijk geweest. Ik had gewoon een week met het Wit-Gele Kruis moeten meelopen. Maar dat interesseert me niet. Ik wilde zoeken naar schoonheid. Ik hoop dat mensen uit mijn beelden zullen aflezen dat ik diep vanbinnen geloof dat het ooit goedkomt met Charleroi.’

‘Stephan Vanfleteren, Charleroi’ loopt tot 6 december in het Fotomuseum van Charleroi. Het fotoboek ‘Charleroi, il est clair que le gris est noir’ verschijnt bij Hannibal.

 

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud