reportage

De vrouw als lichtend baken in de duisternis

Voor Paul Delvaux was de vrouw een ode aan de schoonheid. ©SISKA VANDECASTEELE

Paul Delvaux bezocht in 1945 voor de eerste keer Sint-Idesbald bij Koksijde. Veertig jaar later opende hij er zijn eigen museum. Het bevat de grootste collectie werken van de kunstenaar die beroemd werd met zijn treinen, naakte vrouwen en de antieke oudheid.

‘Ik zou een fabelachtig schilderij willen maken, waarin ik zou leven, waarin ik zou kunnen leven...’ Het is een van de quotes van Paul Delvaux (1897-1994) die op de muren van het museum te lezen zijn. Zo zou hij dan toch zijn jongensdroom hebben kunnen waarmaken: stationschef worden, meer bepaald van het station van Ottignies. Dat heeft er nooit ingezeten. Ter compensatie schilderde hij zijn leven lang treinen en stations.

Ons museum is een zuiver privé-initiatief. We krijgen van niemand subsidie. Dat heeft het voordeel dat we aan niemand verantwoording moeten afleggen.
Yves De Heyn
Gids Paul Delvaux Museum

‘De liefde van Paul Delvaux voor de trein gaat terug naar zijn kindertijd. Hij spoorde geregeld met zijn ouders van Brussel naar Hoei, waar zijn grootouders woonden. In Ottignies moesten ze overstappen. Daar is de passie ontstaan’, vertelt Yves De Heyn, gids in het Paul Delvaux Museum. De kunstenaar ontwikkelde nog twee andere passies: naakte vrouwen en antieke beelden en gebouwen. ‘Hij volgde Latijn-Grieks. Zijn leraar Latijn heeft hem die liefde gegeven. Over de vrouwen moet je niet al te diepzinnig nadenken. Het is een ode aan hun schoonheid. We krijgen wel eens bezoekers over de vloer die na afloop zeggen: amai, die Delvaux was nogal geobsedeerd. Ze vergissen zich daarin.’

Geen kunsthandelaar

Het Paul Delvaux Museum opende in 1982 de deuren. ‘Delvaux en zijn vrouw Anne- Marie De Martelaere hadden geen kinderen. Paul vroeg aan het eind van de jaren 70 aan zijn neef Charles Van Deun of hij niet wilde instaan voor de verkoop van alle werken die hij nog bezat. Die zei: ‘Beste nonkel, ik ben geen kunsthandelaar. Waarom open je geen eigen museum?’ Dat vond Delvaux een goed idee.’

De zomervakantie ziet er dit jaar enigszins anders uit. Maar in eigen land is ook veel te beleven. Vijf weken lang houden we een ontdekkingsreis langs minder bekende musea.
Vandaag: het Paul Delvaux Museum

In 1979 werd eerst De Stichting Paul Delvaux opgericht. Ze beheert de nalatenschap van de kunstenaar. Ze is ook de enige organisatie wereldwijd die de authenticiteit van werken van Delvaux mag vaststellen. ‘Soms is er twijfel, vooral bij tekeningen’, zegt De Heyn.

Het wilde aanvankelijk niet vlotten met het museum. ‘Er is een tijdlang onderhandeld met het gemeentebestuur van Koksijde. Op een bepaald moment lag de bouw van een gloednieuw museum op tafel, enigszins te vergelijken met Guggenheim Bilbao. Maar daar is uiteindelijk niets van terechtgekomen. De onderhandelingen sprongen af. De Stichting besliste op eigen kracht verder te gaan. Dat is nog altijd zo. Ons museum is een zuiver privé-initiatief. We krijgen van niemand subsidie. Dat heeft het voordeel dat we aan niemand verantwoording moeten afleggen.’

In de oprichtingsakte van de Stichting liet Delvaux stipuleren dat geen enkel werk uit haar collectie verkocht mag worden. Voor inkomsten rekent ze op giften van de ‘Vrienden van het Paul Delvaux Museum’. Delvaux doet het op de kunstmarkt lang niet slecht, overigens. Het duurst geveilde werk van de kunstenaar, ‘Le Miroir’, werd in 2016 bij Sotheby’s afgehamerd voor 8,7 miljoen euro. Maar dat behoorde dus niet toe aan de Stichting.

Delvaux was een Franstalige Brusselaar die geen woord Nederlands sprak. Hoe is zijn museum dan in Sint-Idesbald terechtgekomen? Een lang verhaal, zo blijkt. In 1945 bezocht hij in Sint-Idesbald de kunstenaar George Grard. De twee werden vrienden. Hij verbleef anderhalve maand bij hem. In 1951 kocht Delvaux vlak bij de molen van Koksijde een vakantiewoning, waar hij geregeld verbleef. In 1984 vestigde hij zich definitief aan de kust. Zijn laatste jaren sleet hij in Veurne.

Ondergrondse uitbreiding

De Stichting kocht in 1982 de voormalige visserswoning ‘Het Vlierhof’ in Sint- Idesbald. Het huis werd in drie maanden tijd verbouwd tot museum. In de loop der jaren werd het in drie fases vergroot met ondergrondse uitbreidingen tot 1.000 m2. De collectie telt 65 olieverfschilderijen, meer dan 3.000 tekeningen en etsen, schetsboeken en een rist voorwerpen die op schilderijen staan afgebeeld. Ook het persoonlijke archief van Delvaux behoort aan de Stichting.

Voorwerpen ter inspiratie. ©SISKA VANDECASTEELE

Er zijn grote plannen voor de toekomst. ‘We willen op termijn in Brussel ook een museum. Hoe of waar of wat, weten we nog niet. Maar een museum is er wel op zijn plaats. Delvaux was een Brusselaar en hij is een internationaal bekend schilder. Laat ons eerlijk zijn, Sint-Idesbald ligt nu ook niet in het centrum van het land. We zouden van Brussel echt een vitrine willen maken, terwijl hier plaats is voor thematische tentoonstellingen’, vertelt De Heyn.

Een wandeling door het museum geeft je een fascinerende kijk op het werk van Paul Delvaux. Zoals zoveel kunstenaars waren zijn beginjaren experimenteel. Het is te zeggen: de schilderijen van de jonge Delvaux lijken op niets waarmee hij uiteindelijk bekend is geworden. ‘Hij heeft verschillende fases doorlopen. Eerst schilderde hij impressionistisch.’ De Heyn wijst naar een schilderij met bomen. Het heeft iets Monet-achtigs. ‘Veel bezoekers vinden dat het beste schilderij van het museum’, zegt hij. Je kan erover discussiëren. Na het impressionisme kwam het expressionisme. Ook daar zijn enkele voorbeelden van te zien. Soms zou je zweren dat je Gustave Van de Woestyne of Frits Van den Berghe aan het werk ziet.

Het impressionisme van Paul Delvaux. ©SISKA VANDECASTEELE

Van cruciaal belang in de artistieke ontwikkeling van Delvaux was zijn bezoek in 1932 aan het Spitzner Museum in Anderlecht, nu het Museum van de Geneeskunde. Daar werd de menselijke anatomie in al haar vormen en afwijkingen getoond. Aan de ingang van het museum lag een mooie Slapende Venus. Dat was de trigger die Delvaux nog nodig had om blote vrouwen te beginnen schilderijen.

De puzzelstukjes vielen in elkaar. Delvaux begon zijn drie oerelementen vrouw-trein-oudheid te combineren. Die combinatie was vreemd. Het plaatste hem in de categorie van surrealistische schilders. ‘Hij was het daar niet mee eens. Hij vond zichzelf een schilder van de dromen. Aan zijn kunst gingen ook geen grote filosofische bespiegelingen vooraf, zoals bij René Magritte. Die was een schilder van ideeën’, legt De Heyn uit.

Er was nog een groot verschil. Delvaux werkte altijd aan één schilderij. Soms duurde het maanden voor het klaar was. Magritte werkte snel aan verschillende doeken tegelijk.

Het grootste, laatste deel van het museum is gewijd aan de werken waarmee Delvaux bekend is geworden. De prachtige schilderen krijgen momenteel nog een extra cachet. Ze gaan in een tijdelijke expo de dialoog aan met sculpturen en tekeningen van zijn vriend George Grard. Hij was ook erg into naaktheid.

©SISKA VANDECASTEELE

De vrouwen van Delvaux stralen veel kwetsbare onschuld uit. Wellustig zijn ze zelden of nooit. Het decor waarin ze poseren, is vaak donker en nachtelijk. ‘Dat is bewust. De vrouw is naakt omdat ze zo het licht weerkaatst. De lichte kleur van de huid had voor Delvaux een speciale betekenis: ze accentueerde de vrouw als het belangrijkste element op zijn schilderijen.’

Loop hier niet voorbij

©SISKA VANDECASTEELE

Paul Delvaux vond zichzelf dan wel geen surrealist, hij kende natuurlijk de stroming maar al te goed. In 1937 schilderde hij ‘Le récitant’, met een forse knipoog naar René Magritte. Hij verwerkte een schilderij van zijn collega in zijn werk. Let ook op het kruisje. Het is een verwijzing naar Magrittes vrouw Georgette. Ze droeg het altijd.

Het venijn van het museum zit in de staart. Delvaux leed de laatste jaren van zijn leven aan een oogziekte. Zijn laatste, onafgewerkte olieverfschilderij ‘Calypso’ dateert uit 1986. Het is in het museum verenigd met zijn allereerste: ‘Jong meisje aan het venster’ uit 1920. Maar het was nog niet helemaal afgelopen. Tussen 1986 en 1989 maakte Delvaux nog enkele aquarellen en tekeningen met Oost-Indische inkt. ‘Dessins de mémoire’ noemde hij ze. Tekeningen waarvoor hij de inspiratie uit zijn geheugen haalde. Ze lijken in hun abstractheid op niets van wat hij ooit deed. Maar ze vormen wel een pakkend testament.

Het Paul Delvaux Museum is in het hoogseizoen open van dinsdag tot en met zondag.

Een deel van de collectie is momenteel te zien in het treinmuseum Trainworld in Schaarbeek op de expo ‘Paul Delvaux, de man die van treinen hield’.

www.delvauxmuseum.be

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud