Advertentie

De ware Constantin Meunier is een beeldhouwer

Mijnwerkers, staalarbeiders, hoe ruwer het leven hoe beter de kunst van Constantin Meunier. ©BELGA

Hij werd beroemd voor zijn beelden en schilderijen van zwoegende arbeiders en mijnwerkers. Maar Constantin Meunier begon wel als een schilder van religieuze taferelen, blijkt op een retrospectieve in het museum Fin-de-Siècle in Brussel.

Ze ontbreken uiteraard niet op de tentoonstelling, de prachtige beelden en schilderijen van de mijnwerkers, de landbouwers, de arbeiders. Het zijn de kunstwerken waarmee Constantin Meunier (1831-1905) een held werd voor de arbeidersbeweging aan het einde van de 19de eeuw. Ze zijn eigenlijk ook de mooiste werken op de tentoonstelling, maar curator Francesca Vandepitte had iets anders op het oog. ‘Meuniers sociaal-geëngageerde kunstwerken komen uit de periode na 1880. Wat heeft hij gepresteerd in de 30 jaar daarvoor? Die periode is nauwelijks bestudeerd. Die lacune willen we opvullen’, zegt ze tijdens een rondleiding.

Vandepitte bouwde de tentoonstelling chronologisch-thematisch op. Op zich was dat niet zo moeilijk, het leven en het werk van Meunier vallen gemakkelijk in te delen in verschillende fases. Helemaal aan het begin hangt een portret van zijn moeder. De vrouw ziet er streng, devoot en erg afgeleefd uit. Het portret zegt veel over de jeugd van Meunier. Zijn vader, een belastingontvanger in Etterbeek, stierf in 1835 na een jarenlange depressie. De jonge Constantin was een ziekelijk kind dat voor niet veel deugde. Uiteindelijk trok hij in 1845 naar de kunstacademie van Brussel waar hij leerde tekenen en beeldhouwen. Vooral dat laatste leek hem goed te liggen.

Maar toch schreef hij zich in 1851 in aan de Sint-Lucasacademie om zich te bekwamen in de schilderkunst. Hij zag daarin meer artistieke mogelijkheden dan in het beeldhouwen. Maar wat de tentoonstelling heel goed duidelijk maakt, is dat Meuniers grootste talenten niet in de schilderkunst lagen. Toch zeker niet in zijn eerste periode. Wat schilderde hij zoal? Heel veel religieuze taferelen. Meestal zwaarmoedig, het lijden van de mens. Zijn moeilijke jeugd speelde daarin ongetwijfeld een grote rol. Hij verbleef tussen 1860 en 1875 een paar keer bij de trappisten van Westmalle om het kloosterleven vast te leggen. Opnieuw is het resultaat zwaar op de hand. Later probeerde Meunier, om geld te verdienen, ook een soort societyschilder te zijn, zoals de ster van dat moment Alfred Stevens. Maar wat je ziet aan al zijn schilderijen is dat het allemaal net niet is. Francesca Vandepitte geeft dat ook zonder enige moeite toe. ‘Hij was geen virtuoos, geen godenkind. Aan zijn schilderijen ontbreekt dat tikkeltje verfijning.’ Het lijkt wel of Meunier te hard zijn best doet om mooie schilderijen te maken. Op de expo zijn veel tekeningen te zien die hij haast achteloos maakte. Eigenlijk valt daar meer van te genieten dan van zijn religieuze schilderijen.

Het probleem met de tentoonstelling is te vergelijken met de release van een cd met nooit eerder uitgebrachte nummers van een bekend artiest. Meestal zijn die nummers nooit uitgebracht voor één reden: ze waren niet goed genoeg. Bij Meunier moet je ook heel wat middelmatige kunst passeren voor je aan zijn beste werken komt. Kunsthistorisch is dat goed te verantwoorden, maar het is voor de bezoeker wel even op de tanden bijten.

Maar het beste maakt wel veel goed. In 1882 ontdekte Meunier de Borinage en het ruwe mijnwerkersleven daar. Het opende voor hem een nieuwe wereld die hij in zijn werk incorporeerde. Weg met de devote taferelen, weg met de halfgeslaagde bourgeoisschilderijen. Meunier werd de schilder van het sociaal realisme. Een stijl waar hij, zo lijkt het toch, zijn hele leven naar had gezocht. Tegelijk zie je aan zijn schilderijen dat hij vooral een beeldhouwer is. De torso’s van de mijnwerkers bijvoorbeeld lijken eerder geboetseerd dan geschilderd. Maar indrukwekkend is het in ieder geval. Het is tijdens die jaren 80 van de 19de eeuw dat Meunier ook echt doorbreekt. Een expo op het gereputeerde salon Les XX in 1885 in Brussel bracht hem naam en faam, ook in het buitenland.

Meunier ging ook weer beeldhouwen in dezelfde sociaal-realistische stijl en daar kunnen we enkel maar blij om zijn. Zijn beelden zijn erg aangrijpend. In de laatste zaal zijn enkel beelden te zien. Het is in die zaal waar alle losse eindjes bij elkaar lijken te komen. Je kan er enkel met bewondering naar kijken, Meunier was een steengoede beeldhouwer.

En toch zal Meunier na zijn dood in 1905 snel vergeten worden. In 1905 is op een expo in Parijs ‘De denker’ van Auguste Rodin te zien naast ‘De mijnwerker’ van Meunier. Rodin zal Meunier snel overvleugelen qua bekendheid, en dat tot vandaag. De Franse dichter Albert Thomas vatte de expo in 1905 perfect samen: ‘De kunst van Rodin is van alle tijden en van alle landen. De kunst van Meunier is concreter: hij bestudeert de mens in zijn relatie met de maatschappij.’ Allicht daarom dat Meunier niet die tijdloze bekendheid van Rodin heeft verworven.

Constantin Meunier, tot 11 januari in het museum Fin-de-Siècle in Brussel. Cataloog uitgegeven bij Lannoo, www.expo-meunier.be

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud