Expo in Rijksmuseum: Toen de barok nog geen naam had

De doornenkoning van Caravaggio.

Caravaggio en Bernini vonden begin 17de eeuw in Rome de barok uit, de stijl die alle emoties van het leven toonde. Het Rijksmuseum brengt de schilder en de beeldhouwer samen.

De tentoonstelling in Amsterdam opent dramatisch. Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) pakt uit met ‘Narcissus’, de jongeling die verdronk omdat hij zichzelf te graag zag. Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) glorieert met zijn ‘Medusa’, een schepsel dat iedereen versteende die ernaar keek.

Het is het perfecte voorsmaakje. ‘Caravaggio-Bernini. Barok in Rome’ is één lange ode aan de menselijke gevoelens. Die vormen de bouwstenen van de barok, de kunstvorm die begin 17de eeuw in Rome het levenslicht zag. Caravaggio en Bernini hebben de term nooit gekend: hij raakte pas lang na hun dood in zwang. Hij is afgeleid van het Italiaanse ‘barocco’, waarmee de grillige vorm van een natuurlijke parel werd aangeduid.

De verfijning moest het afleggen tegen de grootse, zwierige gebaren.


Het ontstaan van de barok is niet los te zien van de politieke en religieuze ontwikkelingen in die tijd. De katholieke kerk kreeg met de contrareformatie haar zelfvertrouwen terug. Rome was daarin het brandpunt. De pausen bestelden kunst per lopende meter om kerken en paleizen te stofferen. Het mocht allemaal wat meer en anders zijn dan in de renaissance.


De verfijning, zoals je die bij Jan van Eyck vindt, begon het af te leggen tegen de grootse, zwierige gebaren, waarbij meer dan vroeger met licht en schaduw werd gespeeld. Caravaggio vond zijn clair-obscur uit. Maar de artistieke ‘losbandigheid’ ging niet per se gepaard met een grote inhoudelijke vrijheid. De barok stond in het teken van het katholicisme: de onderwerpen van de beelden en schilderijen zijn grotendeels terug te voeren op de Bijbel.


In het Rijksmuseum drijf je mee op de emotionele golfslag van de barok. De expo is ingedeeld in trefwoorden die de menselijke gevoelens typeren: van gruwel over humor tot liefde. De verwondering is de eerste. Dat is geen toeval: al bij de renaissancekunstenaars was verwondering het begin van alle kunst. Caravaggio’s ‘Narcissus’ is een perfide illustratie van die verwondering. Narcissus verdronk toen hij zichzelf in het spiegelende water zag en zich afvroeg wie die man was.

Barok roept vaak het gevoel van overdaad op. Maar in Amsterdam overvalt het je niet. De zeventig kunstschatten - naast de Caravaggio’s en Bernini’s krijg je een rist werk van andere Italiaanse en zeldzame Nederlandse barokmeesters te zien - zijn mooi opgesteld.

‘De expo wil tonen hoe Rome aan het begin van de 17de eeuw de hoofdstad van de Europese cultuur begon te worden’, zegt curator Frits Scholten. ‘Rome trok kunstenaars van heinde en ver aan. Ik heb geprobeerd ook enkele onbekende kunstenaars te tonen. Onbekend wil niet altijd zeggen dat ze niet goed waren. Zeker vroeger niet. Als je in de periferie van de kunstcentra woonde, werd je vaak over het hoofd gezien. De meeste kunstenaars op de expo - ook Caravaggio en Bernini - waren niet van Rome. Ze trokken ernaartoe omdat ze wisten dat het daar gebeurde.’


In de mix van sculpturen en schilderijen heb je niet de neiging een hiërarchisch onderscheid te maken. In de 16de eeuw, voor de barok dus, gebeurde dat wel. Beeldhouwen was voor ambachtslui, schilderen voor geleerden. Vooral in Firenze werd jaren gediscussieerd over
de hiërarchie.  ‘De beeldhouwers vonden zich belangrijker omdat ze driedimensionale kunst maakten. ‘Laat een blinde een beeld voelen en hij kan er zich iets bij voorstellen. Bij een schilderij is dat niet zo’, stelden ze. De discussie doofde uit in de 17de eeuw, toen schilders en beeldhouwers in dezelfde gilde werden ondergebracht. Vanaf dan was talent hét criterium’, zegt Scholten.


Een opvallende afwezige is Pieter Paul Rubens. Hij is een grootmeester van de barok en heeft een Romeins verleden: hij verbleef er tussen 1601 en 1608 twee keer enkele maanden. ‘Ik heb geprobeerd een werk uit die periode los te weken bij enkele musea, maar dat is niet gelukt. Later heeft hij nog Romeinse taferelen geschilderd, zoals de legende van Romulus en Remus, maar die passen niet in het concept van de expo. Maar voor de ontwikkeling van de barok was Antwerpen net zo belangrijk ls Rome. De stad was een groot kunstatelier. Het verschil zat in de opdrachtgevers:
in Rome bestelde vooral de kerk, in Ant-
werpen de burgerij.’

 

 

 

 

De doornenkoning van Caravaggio.

Caravaggio
De doornenkoning, 1603
Dit schilderij wordt beschouwd als een van de allerbeste Caravaggio’s. Het werd pas in 2000 aan de schilder toegeschreven. Het doek beschrijft de lijdensweg van Christus, onderweg naar het kruis. Caravaggio toont er zijn virtuositeit in het afwisselen van licht en donker, wat de scène een filmisch karakter geeft. Het geweld van de soldaten contrasteert met de kwetsbaarheid van Christus. Caravaggio innoveerde ook door sterk naar de werkelijkheid te schilderen. Hij gebruikte voortdurend modellen. Dat kwam hem in het begin op kritiek te staan. Zijn tijdgenoten vonden dat hij te veel van het ideaalbeeld afweek.

Thomas Baker van Bernini.


Gian Lorenzo Bellini
Thomas Baker, 1637-38

De Engelse edelman Thomas Baker trok in 1636 in opdracht van de Engelse koning en kunstverzamelaar Charles I naar Rome. Op basis van een schilderij van Antoon van Dyck wilde de koning dat Bernini een buste van hem maakte. Baker maakte van de gelegenheid gebruik ook zichzelf te laten vereeuwigen. Bernini wilde eerst niet. Een bom duiten trok hem over de streep. Hij moest wel heel discreet te werk gaan. Bernini’s werkgever, paus Urbanus VIII, zag twee sculpturen van een Engelsman niet zitten. Het beeld blinkt uit door zijn tegenstellingen: de fijne kraag versus het woeste haar. Het was een stijlmiddel om de aandacht van de kijker vast te houden.


Giovanni Antonio Galli
Christus die zijn wonden toont, 1625-35
Net als zijn grote voorbeeld Caravaggio werkte Giovanni Antonio Galli met modellen en creëerde hij dramatische lichteffecten. Het schilderij lijkt wel een selfie, met Christus die de kijker uitnodigt naar zijn wonden te kijken. Dat was ongezien in de 17de eeuw.

De sater van Algardi.


Alessandro Algardi
Jonge sater met het toneelmasker van Silenus, 1628
Dit beeld werd in 1623 in Rome zwaar beschadigd aangetroffen tijdens de bouw van een villa. Paus Gregorius XV gaf Alessandro Algardi de opdracht het te herstellen. Het beeld werd heel populair in Rome, allicht door zijn dubbele bodem. Het gaat om een jonge sater die een masker van een oude opzet om een ander satertje bang te maken. Dat tweede beeldje is nooit gevonden.

‘Caravaggio-Bernini. Barok in Rome’ loopt tot 7 juni in Amsterdam. www.rijksmuseum.nl

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud