Fotograaf Eddy Posthuma de Boer: ‘Ik heb het graag gewild'

©Eddy Posthuma de Boer

In het Fotomuseum Den Haag loopt een grote tentoonstelling van Eddy Posthuma de Boer (88). 'Als ik die foto’s uit Tokio zie, kan ik enkel concluderen: wat heb je toch goed rondgekeken.'

‘Ik ben een publicist, meer dan een exposant. Mijn foto’s wil ik gedrukt zien in boeken en kranten. Tentoonstellingen kwamen altijd op de tweede plaats', zegt Eddy Posthuma de Boer. 

Maar kijk, daar hangt zijn werk in het Fotomuseum Den Haag. Ingekaderd en met een titel. Eén foto heeft dezelfde titel als de expo: ‘De eerste foto van God', geleend van een gedicht van Cees Nooteboom. Het zijn beelden van een 88-jarige fotograaf die nog eens zegt dat hij geen kunstenaar wilde zijn. ‘Ik ben een fotojournalist.’

Als ik die foto’s uit Tokio zie, kan ik enkel concluderen: wat heb je toch goed rondgekeken.
Eddy Posthuma de Boer
fotograaf

We zien foto’s in zwart-wit, vooral van Amsterdam eind jaren 50. Een vrouw in een handkar, een jongen met een brandend stuk karton, een dode hond, twee nu al lang geleden overleden vrouwen in het Vondelpark. Doodgewone levenstaferelen die hij, amper in de 20 toen, naar waarde schatte en documenteerde. 

Nooteboom, later zijn reisgezel in meer dan 80 landen, schreef: Zo zag de wereld van de mensen in de tweede helft van de 20ste eeuw eruit, zo zal de wereld er voor altijd uitgezien hebben.’

Nu, aan de telefoon, zegt Posthuma de Boer dat eerst de architectuur van Amsterdam hem trof. ‘Mijn kijklust begon in de buurt waar ik geboren was. Ik telde straatstenen en patronen.’ Dan zag hij etalages, die van de fotowinkel, een luciferdoosje ruilde hij voor een ‘boxcamera’ en daarmee knipte hij de mensen uit die straten. ‘Ik had een goed oog’, zegt hij. ‘Maar het was ook een soort willen. Ik heb het graag gewild. Ken je die spreuk nog? ‘Willen is kunnen.’ Wel, dat.’

Meisjes in minirok

Luik twee van de tentoonstelling speelt zich tien jaar later in dezelfde straten af. Maar niet meer lukraak en dit keer in kleur. Voor de wereldtentoonstelling van 1970 in het Japanse Osaka werd Posthuma de Boer gevraagd een ‘dwarsdoorsnede van de Nederlandse maatschappij’ in beeld te brengen.

We zien meisjes in geruite minirok, gezinnen uit de Westelijke Tuinsteden, directieleden van het bedrijf Tomado in Dordrecht, en Amsterdammers op de fiets. En is een van de biologiestudenten met sandalen niet Midas Dekkers? ‘Dat is ‘m’, zegt de fotograaf.

‘Die techniek was heel anders, omdat het een ander draaiboek vereiste. Nu blijkt dat ik zo een goed beeld maakte van hoe de wereld er in 1969 uitzag. Moeilijk was het niet. Gewoon anders. De kranten waar ik altijd voor gewerkt had, verschenen in zwart-wit. Later zijn Midas en ik erachter gekomen dat hij erbij was. ''God, was jij die fotograaf?', vroeg hij me.’

Wie al die foto’s samen ziet, gaat vakjes maken en Eddy Posthuma de Boer belandde onwillekeurig in dat van tijdgenoten Ed van der Elsken (1925-1990) en Johan Van der Keuken (1938-2001). Zelf ziet hij dat anders. ‘Dat waren tijdgenoten, maar hun werk was anders. Ik leerde vooral van mensen als Eva Besnyö en door te kijken naar het werk van André Kertész en Henri Cartier-Bresson.’

Hoe kijkt hij zelf terug? Wij, iets jonger, zien verrassend oude beelden. ‘Ik vind ze nog steeds actueel, al is het straatbeeld veranderd. Maar de Jan Steenstraat is nog altijd de Jan Steenstraat. Nu ik niet meer kan reizen door mijn leeftijd maak ik gewoon een fotoboek dat ik ‘Big City Blues’ noem en dat focust op zes steden waar ik was: Tokio, Berlijn, New York, Parijs, Londen en Amsterdam. De wereld is van mij en ik ben een mensenfotograaf. En als ik die foto’s uit Tokio zie, kan ik enkel concluderen: wat heb je toch goed rondgekeken.’

‘De eerste foto van God’ van Eddy Posthuma de Boer loopt nog tot 26 april in Fotomuseum Den Haag.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud