Het verhaal van een doorbijter, haar zoon en een koopje van Bruegel

Museum Mayer van den Bergh ademt nog steeds de sfeer uit van de begindagen. ©SISKA VANDECASTEELE

Zij was een halve suffragette, hij een gepassioneerde kunstverzamelaar. Moeder en zoon Henriette en Fritz Mayer van den Bergh. Hun museum ademt nog altijd de sfeer van de vroege 20ste eeuw uit. Met Pieter Bruegels ‘Dulle Griet’ als hoogtepunt.

Het moet in 1904 ongeveer zo zijn gegaan. Je belde aan de deur van het museum en Henriette Mayer van den Bergh (1838-1920) liet je binnen. Met een beetje geluk leidde ze je ook rond en hield ze om de haverklap halt bij een kunstwerk. Een triptiek van Quinten Massijs, portretten van Cornelis De Vos, vroegmiddeleeuwse beeldjes. En natuurlijk ‘Dulle Griet’, begin 20ste eeuw een niet zo bekend werk van een niet zo bekend schilder.

Dulle Griet van Pieter Bruegel. ©SISKA VANDECASTEELE

Het plan van Henriette was revolutionair in 1901. Van vrouwen werd in die tijd niet veel initiatief verwacht. Maar ze liet zich door niemand tegenhouden. Ze was een halve suffragette. Ze wist ook precies wat Fritz van zijn museum verwachtte: een combinatie van een toonplek en een plaats voor onderzoek. Ze liet een bibliotheek inrichten waarin Fritz’ uitgebreid correspondentiearchief en zijn boeken werden ondergebracht. In 1904 was het museum klaar.

Misschien was ze geëmotioneerd omdat Fritz (1858-1901) niet kon zien hoe zeer de bezoeker genoot van zijn collectie. Hij was in 1901 al gestorven. Als eerbetoon besliste zijn moeder naast hun huis een gloednieuw museum te bouwen. Dat staat er nog altijd. Een beetje aangepast aan de moderne noden, maar de inrichting en de aankleding zijn nauwelijks veranderd.

‘Het is de kracht van het museum. We tonen de collectie van Fritz zoals zijn moeder dat wilde. Daarom noem ik het museum ook het verhaal van een moeder en haar zoon. Henriette wordt in de geschiedschrijving wel eens vergeten. Ten onrechte. Ze waren een tandem, ook toen Fritz nog leefde’, legt museumdirecteur Carl Depauw uit.

Fritz Mayer (hij voegde de naam van zijn moeder later toe) kende geen moeilijke jeugd. Zijn Duitse vader leidde in Antwerpen de Belgische vestiging van een succesvol familiebedrijf in specerijen en farmaproducten. Zijn moeder was de dochter van de Antwerpse zakenman, senator en schepen Jan den Bergh. Aan geld was thuis nooit een gebrek.

Spil in Europese kunstscene

Fritz studeerde rechten en letteren & wijsbegeerte aan de universiteit van Gent. Toen zijn vader in 1879 stierf, stopte hij zijn studies. Hij bleef bij zijn moeder wonen en legde zich toe op zijn passie: verzamelen. Henriette vond dat prima. De eerste jaren collectioneerde Fritz vooral munten, textiel en gebruiksvoorwerpen. In 1892 verkocht hij zowat alles wat hij had verzameld en begon helemaal opnieuw.

Deze keer legde hij zich toe op schilderijen en beeldhouwwerken. ‘Fritz was een ontdekkingsreiziger in kunst. Hij bouwde in heel Europa een groot netwerk uit van verzamelaars en kunstspecialisten met wie hij intensief correspondeerde. Zo groeide hij uit tot een spilfiguur onder de Europese verzamelaars’, zegt Depauw.

Quinten Massijs

Fritz Mayer van den Bergh was erg geïnteresseerd in middeleeuwse kunst. Er is een volledige zaal in het museum aan gewijd, met het schitterende drieluik ‘Calvarie met stichterspaar’ van Quinten Massijs. ‘Middeleeuwse kunst was aan het einde van de 19de eeuw nog terra incognita. Fritz hield ervan op zoek te gaan naar de naam van de kunstenaars. Als een detective en autodidactische wetenschapper deed hij opzoekingen.’

In 1898 sloeg Mayer van den Bergh een grote slag. Hij kon de collectie van de Franse verzamelaar Carlo Micheli, die in het Louvre werkte als maker van afgietsels van kunstwerken, opkopen. Ze bestond uit 451 kunstwerken, vooral kleinere middeleeuwse beeldjes. Fritz bestudeerde en inventariseerde ze. Hij behield er zo’n 150, de rest verkocht hij. De collectie-Micheli, met veel prachtige kleinoden, kreeg een prominente plaats in het museum.

Het ging Fritz bijzonder goed voor de wind. Samen met zijn moeder kocht hij aan de lopende band kunst. Maar op 4 mei 1901 kwam hij met zijn paard ongelukkig ten val. Een paar maanden later overleed hij aan zijn verwondingen. De Antwerpse bourgeoisie en de Europese kunstscene waren in rouw.

Schouw uit Doornik

Henriette verwerkte het verlies op haar manier. Ze besliste de grote droom van haar zoon te verwezenlijken: de bouw van een eigen museum. Ze vroeg architect Joseph Hertogs om naast hun huis - nu het districtshuis van Antwerpen - het museum te bouwen. Het ontwerp is in gotische stijl. De buitengevel is een kopie van huizen uit de 16de eeuw zoals je die aantrof rond de Walburgiskerk aan het Steen. Het interieur van het museum bestond uit museumstukken. Zo is er een grote schouw die Fritz kocht toen de inboedel van een Doorniks kasteel werd verkocht.

Fritz bouwde een groot netwerk uit van verzamelaars en kunstspecialisten. Zo groeide hij uit tot een spilfiguur onder de Europese verzamelaars.
Carl Depauw
Directeur Museum Mayer van den Bergh

Een en ondeelbaar

Twee jaar later besliste Henriette van den Berghe het museum over te dragen aan een raad van regenten. Zo was de toekomst verzekerd. Ze legde strenge regels op. ‘Ze bepaalde dat de collectie, een kleine 6.000 stukken, voor altijd verbonden moest blijven met het museum. Er mocht ook niets nieuws worden aangekocht en niets mocht worden verkocht. De collectie is een en ondeelbaar’, zegt Depauw.

Dat is ze nog altijd. De stad Antwerpen neemt sinds 1951 wel het beheer van het museum voor zijn rekening. ‘De raad van regenten wordt voorgezeten door Thomas Leysen (ex-voorzitter KBC, red.). Vier keer per jaar zitten we samen om over het museum te praten’, zegt Depauw.

Spotprijs

Twee jaar geleden liet de raad het museum restaureren, en kreeg het absolute topstuk - ‘Dulle Griet’ - een centrale plaats in de opstelling. Fritz van den Berghe kocht het werk in 1894 op een veiling in Keulen. Of beter gezegd: hij liet het kopen. ‘Hij stond in contact met Max Friedländer. Die was toen stagiair in het grote Wallraf-Richartz-Museum in Keulen. Later is hij uitgegroeid tot een van de absolute specialisten in de Vlaamse Primitieven.

Friedländer wees zijn museumdirecteur erop dat hoog aan de muur van het veilinghuis een interessant schilderij hing. De man toonde geen interesse. Daarop nam Friedländer contact op met Fritz van den Berghe. Koop maar, zei Fritz. En zo geschiedde. Het kostte 488 frank. Een absolute spotprijs.’

‘Ter vergelijking: in diezelfde periode kocht hij in Londen een breviarium (een gebedenboek, red.) uit 1500 voor 170.000 frank. Ik moet er wel bij zeggen dat niemand er toen van uitging dat ‘Dulle Griet’ een authentieke Bruegel was. Het werd toegeschreven aan zijn oudste zoon Pieter Brueghel de Jonge. Fritz toonde als eerste aan dat de vermaarde meester het penseel had vastgehouden.’

Museum Mayer van den Bergh, Lange Gasthuisstraat 19, Antwerpen. Open van dinsdag tot zondag. museummayervandenbergh.be

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud