‘Ik wilde eigenlijk tekenen, maar ik vond de rust niet’

©Diego Franssens

Berlinde De Bruyckere is de voorbije tijd veel alleen geweest in haar atelier. Wat dat heeft opgeleverd, toont ‘Engelenkeel’ in Maastricht. De expo leidt langs oud en nieuw werk, langs gruwel en poëzie, en uiteindelijk naar de wederopstanding. ‘Glans is de sprankel hoop die we nodig hebben’

Er wordt nog naarstig gewerkt aan de laatste details van de tentoonstelling als kunstenares Berlinde De Bruyckere en museumdirecteur Stijn Huijts ons in het Bonnefantenmuseum opwachten voor een rondleiding. Het is 5 februari, en haast is niet nodig. De geplande opening een week later is uitgesteld. Tot begin maart, is de hoop. Maar dat zal anders uitpakken. De musea blijven op slot, zoals dat in Nederland heet. Week na week, maand na maand. Allicht op 26 mei - niets is zeker in deze tijden - zwaaien de deuren voor ‘Engelenkeel’ open.

Profiel

Berlinde De Bruyckere (54) studeerde plastische en monumentale kunsten aan Sint-Lucas. In 1990 won ze de prestigieuze kunstenaarswedstrijd Jeune Peinture Belge. Dertien jaar later was haar werk voor het eerst te zien op de Biënnale van Venetië. In 2013 vertegenwoordigde ze er België. De Bruyckere maakt grote, kwetsbare in was gegoten sculpturen van lichamen, bomen, takken, geweien. Ze werkt ook veel met dekens en paarden. Ze woont en werkt in Gent, en wordt vertegenwoordigd door Hauser & Wirth en Galleria Continua, die wereldwijd vestigingen hebben.

De Gentse kunstenares staat al lang op de radar van Huijts. ‘Al zo’n 15 jaar, denk ik. Maar je weet hoe dat gaat. Het komt er nooit meteen van. Berlinde past met haar oeuvre bij ons. We voelen ons in Maastricht al eeuwenlang erg thuis bij kunst uit de Zuidelijke Nederlanden. Dat zie je aan onze vaste collectie. Daarnaast tonen we regelmatig kunstenaars die je in andere musea in Nederland niet zo vaak ziet. Het protestantse noorden heeft een andere kunsttraditie dan het katholieke zuiden. Rudi Fuchs, toen directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, zei ooit tegen Jan Hoet: ‘Het noorden is Mondriaan, het zuiden Magritte.’ Het rechtlijnige, heldere noorden, tegenover het frivole, ongrijpbaardere zuiden.’

We staan midden in de eerste zaal tussen de grote sculpturen ‘Penthesilea’. Muziekiefhebbers herinneren zich misschien nog de gelijknamige opera die in De Munt in 2015 werd opgevoerd. De Bruyckere ontwierp het decor. ‘Ik wilde er de tentoonstelling mee openen omdat ze mijn werk, dat eros en thanatos (levenslust en doodsdrift, red.) onderzoekt, goed typeren. De sculpturen stellen grote fallussen voor telkens omarmd door een vagina. Ze bestaan grotendeels uit wassen afgietsels van dierenhuiden, die hier een nieuw leven krijgen. Ze zijn opgestaan uit de dood. Ik had de vijf sculpturen nog niet eerder samen gezien. Het was voor mij ook spannend. Ik vind het een goede opening. Als kleine mens loop je rond tussen die grote beelden. Ik hou daarvan. Ik ben uiteindelijk een kunstenaar van het grote gebaar’

Zinvolle dialogen

De expo is geen retrospectieve. Die had De Bruyckere al in 2014 in het S.M.A.K. in Gent. Voor Bonnefanten selecteerde ze werk van na 2014 dat perfect bij de zalen past. ‘We hebben lang gewerkt aan de maquettes om zinvolle dialogen te creëren tussen de werken.’ Ze wijst naar een doorgang. ‘Zie je dat beeld daar? Ik vond het belangrijk dat je in de ene zaal vanuit je ooghoek al een werk van een andere zaal kon zien. Zo kan je je eigen parcours uitstippelen.’

‘Dat beeld daar’ is een van de vijf nieuwe vleugelsculpturen die De Bruyckere voor de expo maakte. Ze hangen haast achteloos naast elkaar. Alsof voetballers hun kleren aan een kapstokje hebben gehangen. Maar het zijn engelen, die van vorm, kleur en aankleding variëren. ‘Sjemkel’ is de gemeenschappelijke titel van de vijf sculpturen - aan twee andere wordt nog gewerkt. Het is een verwijzing naar een gedicht van de dichter Zbigniew Herbert, die de kunstenares erg bewondert. In de cataloog is poëzie van hem opgenomen: De zevende engel/ is volkomen anders/ zelfs zijn naam verschilt - Sjemkel. ‘Hij wijkt af van de andere engelen. Hij is duister. Die duistere kant is precies wat ik zocht. Ik wilde geen engel Gabriel die te dicht bij de religiositeit ligt’, zegt De Bruyckere.

Als kleine mens loop je rond tussen die grote beelden. Ik hou daarvan. Ik ben uiteindelijk een kunstenaar van het grote gebaar.
Berlinde De Bruyckere

Ze kwam op het idee van ‘Sjemkel’ toen De Standaard-journalist Geert Van Der Speeten haar tijdens de eerste lockdown vroeg welk werk ze in quarantaine bij zich wilde hebben. Ze koos voor ‘Cristo morto sorretto da un angelo’, van de 16de-eeuwse Venetiaanse schilder Giorgione. ‘Het schilderij toont een engel die de lijdende Christus troost en ondersteunt. Dat voelt zo juist aan in deze tijden. Het is wat ik zie in de ziekenhuizen. Het personeel ondersteunt de Covid-19-patiënten. Het vertrekpunt van de sculpturen waren de wassen afgietsels van dierenhuiden. Ze vormden de vleugels. Toen dacht ik: hoe maak ik daar engelen van? Ik vulde de vleugels aan met brokaat en andere rijke stoffen. Een engel draagt niet eender wat. Voor mij zit er een grote spanning in de sculpturen tussen de levensloze vleugels en de bolling van de stoffen. Daardoor lijken de engelen te leven.’

Buikgevoel

De Bruyckere wijst naar een van de engelen. ‘Zie je de koeienvellen? Ze glanzen, zoals de veren van een raaf. De lichtinval speelt een grote rol. Glans is de sprankel hoop die we nodig hebben. Tegelijk zit er ook kwetsbaarheid in de beelden, omdat stukjes dierenhaar zijn achtergebleven in de was. Die onzuiverheid maakt van de engelen net breekbare vogels. Ze lijken uit het nest gevallen.’

Corona heeft ook het leven van De Bruyckere enigszins bijgestuurd. ‘Ik stond op het punt naar New York te vertrekken toen het vliegverkeer tussen de Verenigde Staten en Europa werd opgeschort. Ik ben sinds het begin van de crisis veel alleen geweest in mijn atelier. Maar als kunstenaar ben je toch geprivilegieerd. Ik heb veel nieuw werk kunnen maken in mijn eigen tempo. Ik moest nooit weg, omdat je nergens naartoe kon. Je voelt dat aan de werken. Ze stralen veel maturiteit uit. Er was geen afleiding.’

©Diego Franssens

In de volgende zaal staan nog twee nieuwe beelden: ‘Arcangelo I & II’. Het zijn weer engelen, maar dan helemaal anders. Het lijken wel mensen. Met een verfomfaaid deken over het hoofd en met blote benen schuilen ze voor het onheil dat op hen afkomt. Of is het omgekeerd? Zijn ze echt engelen die de loden last van de mens op hun schouders dragen? Ieder heeft zijn eigen interpretatie.

De Bruyckere is verguld met haar twee nieuwe engelen. ‘Voor mij verwijzen ze naar de dekenvrouwen met blote voeten en benen die ik in de jaren negentig maakte. Ik stond daar niet bij stil in mijn atelier. Ik wilde die engelen maken, maar plots zag ik de band met mijn vroeger werk. Ik schrok er zelf van. Het kan niet anders betekenen dan dat ik voor mijn werk vanuit mijn buikgevoel vertrek.’

Dan wijst ze naar verweerde dekens die in dezelfde zaal aan de muur hangen: ‘Courtyard Tales’ uit 2017/18. ‘Stapelen is belangrijk. Het geeft gelaagdheid aan mijn werken.’ De dekens tonen ook de vergankelijkheid van het bestaan. De Bruyckere liet ze maanden tussen de bomen hangen. De natuur en de tijd boorden gaten in de stof, veranderden de kleuren en tastten de patronen aan.

Beelden maken in een koude, grote garage zoals vroeger, dat hoeft niet meer. Maar verder verandert er niet veel.
Berlinde De Bruyckere
Kunstenaar

De aartsengelen en de dekens doen de zaal kreunen onder de last en de fragiliteit van het leven. Je wordt er doodstil van. Bijna wil je op de tippen van je tenen lopen om niemand te storen. Dat maakt De Bruyckere zo’n grote kunstenares. Met dode materie ontlokt ze een groot gevoel van empathie en mededogen.

Potlood en papier

De Bruyckere mag dan bekend zijn voor haar grote sculpturen, ze is net zo creatief met potlood en papier. In een van de zalen hangt de reeks ‘Met tere huid’ uit 2015/16. Ze bestaat uit tekeningen van hangende, opengesperde huiden met een grote erotische lading. Ze vormden de basis voor de ‘Penthesilea’-sculpturen.

‘Aan het begin van de coronapandemie was ik van plan te gaan tekenen, omdat ik toch niet met mensen kon werken. Maar ik vond de rust niet. Ik kon niet blijven zitten in mijn bibliotheek. Ik moest naar mijn atelier om die andere werken te gaan maken. Nu is de rust er wel. Ik zal weer gaan tekenen. Ik heb het even gehad met die grote werken.’

©Diego Franssens

Paarden ontbreken niet in Maastricht. De Bruyckere kwam erbij uit in 1999, toen het In Flanders Fields Museum haar vroeg een interpretatie te maken van de Eerste Wereldoorlog en ze in haar research veel foto’s van gesneuvelde paarden zag. In de installatie ‘No life lost II’ uit 2015 liggen drie paarden ineengestrengeld in een open kast. Een hoofd lijkt geblinddoekt. Opnieuw gaan kracht en verstilling hand in hand.

Je denkt niet na over het ingewikkelde proces dat tot de sculptuur heeft geleid: paardenhuid, epoxy, hout, ijzer, leder, siliconen afdrukken. ‘Het meeste wat je ziet, bestaat niet’, zegt De Bruyckere. ‘Ik maak vervormingen om de paarden menselijker te maken, wat dikker of wat dunner. Deze installatie is een van de laatste met paarden die ik heb gemaakt. Ze is met niets nog te vergelijken met wat ik voor In Flanders Fields Museum deed. Hier gaat het om verbondenheid en tederheid. Deze installatie is meer menselijk dan dierlijk.’

Ze werkt graag met paarden, ook al is het niet altijd eenvoudig. ‘De veeartsenijschool laat me soms weten dat ze een veulen voor me heeft. Dan moet ik er meteen naartoe. Het is bijna een interventie. Maar ik ga niet altijd op het aanbod in. Ik moet er in de juiste mentale staat voor verkeren. En ik moet me ook aangetrokken voelen tot het paard. Dat is het startpunt. Soms heb ik niets met het paard. En dan kan ik er ook niets mee.’

In 2013 vertegenwoordigde De Bruyckere België op de Biënnale van Venetië. Ze vulde het Belgische paviljoen met ‘Kreupelhout - Cripplewood’, een monumentale installatie van een boom afgegoten in was, geschilderd en met dekens omzwachteld. Het zou een quizvraag kunnen zijn. Waar bevindt de sculptuur zich momenteel? De Bruyckere moet erom lachen en geeft het antwoord. ‘In Kentucky. Ze maakt deel uit van het project ‘Somewhere in Appalachia’, waarbij oude mijnsites stilaan een nieuwe bestemming krijgen. De bouw van een paviljoen voor ‘Kreupelhout’ is de aanzet geweest voor het ‘Somewhere’-project, dat ook andere paviljoenen - zowel voor hedendaagse kunst als voor lokaal patrimonium - zal integreren in het mijnlandschap. Dat doet me eraan denken: ik zou eigenlijk dringend naar Kentucky moeten.’ (lachje)

In Bonnefanten stelt De Bruyckere een kleinere gewonde boom voor: ‘Embalmed - Twins II’ uit 2017, een stuk van een tweeling. ‘De bomen, waarvan de takken in elkaar waren gegroeid, komen uit Frankrijk. Door de droogte en een storm zijn ze omgevallen. Ik ben gaan kijken en heb ze gekocht. Ik vond ze heel ontroerend. Ik heb de takken afgezaagd en de wonden opgevuld. Het lijken wel mutaties nu. Toen schoten me de processies in Spanje tijdens de goede week te binnen, waarin mannen madonnabeelden dragen. Dat beeld wilde ik vertalen naar de boom. Daarom heb ik draagarmen aangebracht en ligt hij in een ijzeren staketsel. Waar leg je hem anders na een processie? Toch niet zomaar op de grond?’

©Diego Franssens

Nooit stoppen

De Bruyckere praat de hele rondleiding met veel enthousiasme over haar werk. ‘Het lijkt erop dat u dit nooit beu zult worden’, zeggen we. ‘Nee, gij! Ik kan niets anders. Het is zo leuk. Ik zie me echt niet stoppen, nooit. Mijn man (kunstenaar Peter Buggenhout, red.) ook niet. We hebben net ons atelier nog wat uitgebreid. Het verschil met de beginperiode is dat we het ons wat comfortabeler hebben gemaakt. We moeten niet elke keer weer de brug opstellen als we iets willen takelen. Beelden maken in een koude, grote garage zoals vroeger, dat hoeft niet meer. Maar verder verandert er niet veel.’

Met dode materie ontlokt De Bruyckere een groot gevoel van empathie en mededogen.

‘Aletheia, on-vergeten’, een stapel wassen huiden bestrooid met zout, sluit de expo af. De installatie uit 2019 komt uit Turijn en is een afgeleide van de ‘Penthesilea’-beelden aan het begin van ‘Engelenkeel’. De inspiratie haalde De Bruyckere bij een huidenhandelaar in Anderlecht. Hij prepareert de huiden van geslachte dieren met zout voor ze naar de leerlooierijen gaan. Zo bewaren ze goed.

De huiden leidden De Bruyckere naar de erotische sculpturen van ‘Penthesilea’. In ‘Aletheia’ reconstrueert ze het proces van het zouten. ‘Puur naar de vorm lijkt het wel de maquette van het Jura-gebergte. Maar de betekenis gaat veel dieper. Door vaak en lang in de huidenfabriek rond te lopen werd ik geconfronteerd met de dood, maar ook met wederopstanding. Net die thema’s waarmee mijn werk is vervlochten. De op paletten gestapelde huiden komen recht uit het slachthuis, waar de runderen een paar minuten eerder stierven. Vervolgens beginnen de arbeiders zout op die huiden te strooien, met grote gebaren. Als boeren die op hun veld zaad strooien, waar nieuw leven uit voorkomt. Of als mannen die ejaculeren. Eros en tanatos komen hier weer samen.’

De Bruyckers kwam lang geleden in de huidenfabriek terecht, omdat ze op zoek was naar huiden voor haar paardensculpturen. Maar met wat zich daar afspeelde, deed ze jarenlang niets. ‘Ik was er niet klaar voor. Dat moest groeien. Eigenlijk wil je op zo’n plek niet komen: het is er vuil en het stinkt er. Toch zag ik na een tijd veel schoonheid en poëzie in die gruwelijke plek. Het gaat om een oerhandeling. Pekelen en zouten is eeuwenoud. De mens heeft dat nodig.’

Waar komt die fascinatie voor eros en tanatos vandaan? ‘Goh, die heeft altijd in mij gezeten, denk ik. Misschien heeft de manier waarop ik ben opgegroeid een rol gespeeld. Ik was enig kind, mijn ouders waren slagers. Alles stond thuis in het teken van het werk. Op mijn vijfde ben ik op internaat gegaan, tot mijn 14de. Eerst in Oostakker, daarna in Sint-Amandsberg. We moesten elke dag naar de kapel en één keer per week naar de kerk. Je zit je daar als klein kind te vervelen, en dan begin je naar de beelden en de schilderijen te kijken. Die vertelden het katholieke verhaal van het lijden. Niet dat je dat als 5-jarige allemaal begrijpt, maar je neemt de beelden wel in je op.’

‘Een ander element is de eenzaamheid. In een internaat voel je je als 5-jarige wel aan je lot overgelaten. Bij mij is dat gelukkig allemaal goed uitgedraaid. Wie ik nu ben en wat ik nu maak, dat zaadje is daar geplant. En het is schoon uitgegroeid. Het had ook anders kunnen zijn. Ik heb op het internaat ook veel leuke dingen gedaan, hoor. Ik heb me goed geamuseerd met de vriendinnen. Maar het is niet natuurlijk. Een kind hoort op zijn vijfde niet tussen de nonnen te zitten.’

‘Engelenkeel’ opent op woensdag 26 mei in Bonnefanten in Maastricht.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud