Jan Van Eyck had de scherpzinnigste blik van de 15de eeuw

©Wouter Van Vooren

Na jaren van voorbereiding opent vrijdag in het Museum voor Schone Kunsten van Gent Van Eyck, een optische revolutie.

Die tentoonstelling is gebouwd rond de gerestaureerde buitenpanelen van het ‘Lam Gods’. Ze toont ook de historische en artistieke context waarin Jan van Eyck werkte.

De videowall over het renovatieproject. ©Wouter Van Vooren

Het duurt even - de helft van het tentoonstellingsparcours om precies te zijn - voor je op de eerste Jan (en Hubert, we moeten hem ook vermelden) van Eyck stoot. Het is wel meteen goed raak, ook al gaat het om twee bekende schilderijen: Adam en Eva uit het ‘Lam Gods’. Maar we mogen daar niet al te lovend over doen. De twee panelen zijn nog niet gerestaureerd, ze behoren tot renovatiefase nummer 3.

Wie weet staan we te zwijmelen bij schilderijen die voor de helft overschilderd zijn, zoals zovele al gerestaureerde panelen van het ‘Lam Gods’. De beroemde vijgenbladen kunnen weleens niet van de Van Eycks zijn, wordt hier en daar al geopperd. Wetenschappelijk onderzoek moet het volgend jaar uitwijzen.

40 flarden

Het lange wachten op de eerste Van Eycks is een bewuste keuze, legt projectleider Johan De Smet uit. ‘We wilden de tentoonstelling beginnen met de restauratie, maar dan niet op een muffe manier. Daarom tonen we een video op groot scherm van het renovatieproject.’

‘Daarna schetsen we de context waarin Jan van Eyck leefde. We vonden dat essentieel omdat er bijna geen biografisch materiaal van de kunstenaar is overgeleverd. In de archieven uit Van Eycks tijd - hij leefde van ongeveer 1390 tot 1441 - zijn hooguit 40 flarden van tekst bewaard gebleven. Je moet hem op een andere manier schetsen dan met een uitgebreide bio.’

We zien hier meer Van Eycks dan hij zelf ooit samen heeft gezien in zijn atelier.
Maximiliaan Martens
Hoogleraar kunstwetenschappen UGent

Die context wordt heel duidelijk met een quote van de Bourgondische hertog Filips de Goede in een van de eerste tentoonstellingszalen. ‘We zullen nooit zijn gelijke vinden, zo uitmuntend in zijn kunst en wetenschap.’ Van Eyck werd in 1425 kamerheer van Filips de Goede. De vorst en zijn gevolg reisden vaak van stad tot stad. Die steden sloofden zich uit om het Filips de Goede zo aangenaam mogelijk te maken met de productie van allerlei luxegoederen. Tapijten, manuscripten, houtsneden, edelsmeedkunst zijn voorbeelden op de tentoonstelling. In die steden ontwikkelde zich in Vlaanderen in de 15de eeuw een elite van patriciërs. Die kwam bij Van Eyck aankloppen. Joos Vijd is daar het bekendste voorbeeld van. Hij bestelde het ‘Lam Gods’.

Mythisch figuur

‘Al heel snel in de 16de eeuw werd Van Eyck een soort van mythische figuur, van wie waarheid en verzinsel niet altijd uit elkaar te houden waren’, legt De Smet uit. Op de tentoonstelling hangt een 16de-eeuwse kopie van het ‘Lam Gods’ van Michiel Coxie. Hij schilderde die in opdracht van Filips II. Op een van de panelen zou de schilder de broers Van Eyck hebben afgebeeld. Het zou kunnen, maar het is niet zeker.

Baudouin de Lannoye.

Gustave Van de Woestijne hangt ook op de expo. Hij liet zich voor zijn portret ‘Boer’ inspireren door Van Eycks portret van Vijd. De essays die Karel van Mander in zijn ‘Het Schilder-Boeck’ (1604) en Giorgio Vasari in zijn kunstencyclopedie (1568) aan Van Eyck wijdden, ontbreken evenmin. Beiden schrijven de uitvinding van de olieverf aan Van Eyck toe. Dat was een vergissing.

De aanloop is best boeiend, maar de tentoonstelling - alles samen goed voor zo’n 100 kunstwerken en objecten in een thematische opstelling - komt echt tot leven als de ster van de show in zaal 7 op het toneel verschijnt. Dertien authentieke schilderijen van Van Eyck worden getoond (de acht gerestaureerde buitenpanelen van het ‘Lam Gods’ en de niet-gerestaureerde binnenpanelen Adam en Eva tellen we voor één. De rest van het ‘Lam Gods’ hangt in de Sint-Baafskathedraal.)

De heilige graal is bewaard voor het laatst in de zaal van de portretten. Achteloos hangen ze daar naast elkaar, hoge heren en dames uit de 15de eeuw.

Van Van Eyck zijn niet meer dan een kleine 20 schilderijen bewaard. Deze tentoonstelling mag zich dan ook de grootste Van Eyck-expo ooit noemen, te vergelijken met die van Bruegel in 2018 in Wenen. ‘We zien hier meer Van Eycks dan hij zelf ooit samen heeft gezien in zijn atelier’, zegt Maximiliaan Martens, Van Eyck-specialist en hoogleraar Kunstwetenschappen aan de UGent.

Heilige Barbara.

De scenografie is klassiek maar wel doeltreffend. De meestal kleine schilderijen worden uitgelicht in verduisterde zalen. Het valt te vrezen dat het af en toe drummen wordt bij kleinoden als ‘Heilige Barbara’ (1437). Ieder schilderij vraagt om urenlang kijken. De kans dat je dan alles hebt opgemerkt, is onbestaande, meent Martens.

Hij kan precies uitleggen waarom Van Eyck zo’n genie was. ‘Hij verbeterde de olieverf door er siccatieven aan toe te voegen. De verf werd van toen af eenvoudiger in gebruik en ze werd zowel dekkend als transparant. Daardoor kon Van Eyck alle mogelijke texturen weergeven. Hij had daar zijn gelijke niet in.’

Op de expo wordt de nieuwe verftechniek van Van Eyck geconfronteerd met de vernieuwingen van zijn Italiaanse collega’s. Die dweepten vooral met het mathematisch perspectief. Het schilderij tot in de puntjes uitgerekend en uitgetekend. Van Eyck was ook een meester van het perspectief maar hij gebruikte daarvoor kleurschakeringen.

Spiritualisme

Ook baanbrekend is de manier waarop Van Eyck de realiteit weergeeft, aldus Martens. ‘Hij doet dat niet stilistisch, zoals bijvoorbeeld Rogier van der Weyden. Hij dringt tot de realiteit door om uiteindelijk een vorm van spiritualiteit te bereiken. Zijn manier van observeren hangt nauw samen met een toenmalig centraal theologisch thema: hoe kunnen we God zien en afbeelden?

Madonna bij de fontein.

‘Van Eyck dacht dat te kunnen door in de realiteit op te gaan en die minutieus weer te geven. De realiteit werd op die manier een metafysische afbeelding van God. Met uitvergrotingen en digitale technieken hebben we de afgelopen jaren details op zijn schilderijen ontdekt die met het blote oog niet zichtbaar zijn. Waarom deed hij dat? Het was zijn manier om God te vinden.’

‘Hij werd natuurlijk geholpen door zijn fabelachtige techniek. De manier waarop hij waterdruppels weergeeft op ‘Madonna bij de fontein’ is ongeëvenaard. Je ziet de druppels springen en vallen. Ik heb de test zelf eens gedaan in een wasbak. Je ogen kunnen waterdruppels amper volgen. Van Eyck zag de details dus wel. En hij had geen mogelijkheid om de fontein in slow-motion af te spelen. Hij moet een fotografisch geheugen hebben gehad, in combinatie met een bijzondere oog-handtechniek.’

En dan is er natuurlijk nog het spelen met het licht. De optica had voor Van Eyck geen geheimen. Hij wist hoe licht brak en hij wist hoe licht figuren tot leven brengt, zoals in de ‘Annunciatie’ (1430-35). Ze krijgen driedimensionale afmetingen. Van Eyck schilderde niet altijd bij daglicht. Maar dat stoorde hem niet, net omdat hij de wetten van de optica kende.

©Wouter Van Vooren

De heilige graal van de tentoonstelling is bewaard voor het laatst in de zaal van de portretten. Achteloos hangen ze daar naast elkaar, hoge heren en dames uit de 15de eeuw. Joos Vijd en zijn vrouw Elisabeth Borluut. Margareta van Eyck, de vrouw van de schilder. Jan de Leeuw. De sinistere Baudouin de Lannoy en nog wat andere mannen. Schoner gezelschap kan je je nauwelijks inbeelden.

‘Van Eyck, een optische revolutie’ opent morgen en loopt tot 30 april. De expo is zeven dagen op zeven open. Het is aangewezen online een tijdslot te kiezen. 80.000 van de 250.000 toegangstickets zijn al verkocht.

Catalogus, 503 pagina’s, uitgegeven door Hannibal.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud