interview

Kunstenaar Koen Vanmechelen: ‘Kunst dient niet zomaar om de wereld op te fleuren'

©SISKA VANDECASTEELE

Genk is New York niet, de Westhoek niet het centrum van de kunstwereld. Toch toont Koen Vanmechelen op die plekken zijn werk. Denkend aan de toekomst of, met 600.000 sculpturen, de Eerste Wereldoorlog herdenkend. ‘In gewonde plaatsen geeft creativiteit een antwoord.’

Het is paasmaandag en over een net pad wandelen we in Zillebeke naar ‘Coming World Remember Me’. Zo heet zijn laatste werk. Er zijn geen pijlen nodig. Er zijn veel mensen die je gewoon moet volgen. Vanop een uitkijkbrug is een rood tapijt te zien, gevormd door 600.000 voorovergebogen en gebakken figuurtjes. De brochure zegt dat er vier jaar aan is gewerkt en dat 180.000 vrijwilligers meehielpen.

Als je met grote kunstenaars in contact komt, vóél je de magie al. Die zeveren daar niet over.
Koen Vanmechelen
Kunstenaar

Twee dagen later zitten we in Genk in Labiomista, zijn nieuwe atelier, al is dat een understatement voor het enorme gebouw. Ooit was hier de zoo van Zwartberg. Maar ooit is lang geleden: Koen Vanmechelen (52), een naam geworden in de Belgische kunstwereld, liet de Zwitserse architect Mario Botta deze zwarte ark van stenen optrekken. Etalage én labo voor zijn werk, inclusief twee kooien waarin net een tweede neushoornvogel werd uitgezet. In een broedkast liggen eieren.

Maar we willen het niet over kippen hebben. Vanmechelen, met een lachje: ‘Ik bén ook niet de man van de kippen. Ik ben de man van het kruisen. Als je hier binnenkomt, hoop ik dat je iets anders ziet dan alleen kippen.’

Dat klopt, maar kijk, nu zijn we er toch over bezig. Dat is niet zo raar. Vanmechelen is het bekendst van zijn Cosmopolitan Chicken Project. Een van zijn werken - ‘Marek’s Disease’, uit 1999, een opgezette Mechelse Bresse - staat op de cover van Tom Lanoyes jongste roman ‘Zuivering’. Nu is er ook de Planetary Community Chicken en straks zullen ook in dit verhaal nog wel wat kippen rondpikken.

Maar we proberen toch honderd jaar terug in de tijd te gaan. Met die 600.000 rode mannetjes in Zillebeke, symbool voor elk slachtoffer op Belgische bodem, in die vreselijke oorlog. Vlaamse soldaten, maar ook jongens uit Duitsland, China, Algerije, Congo. Plus een reusachtig ei waaruit nog eens 48.000 kleinere beeldjes rollen, als symbool voor de toekomst.

‘De poppies (de klaproos als herinneringssymbool van de Eerste Wereldoorlog, naar John McCraes dichtregels ‘In Flanders Fields/the poppies blow’, red.) zijn voor mij iets te beperkt qua nationaliteit. Deze sculpturen hebben geen grenzen. Ik wilde alle mensen die sneuvelden herdenken en ze zo weer verbinden. Je mag die 600.000 niet uit de weg gaan en voor mij zit er zelfs verbinding in met wie vandaag nog leeft. In elke sculptuur is de ruggengraat geaccentueerd en die ruggengraat heb je nodig om weer op te staan. Geen enkel beeldje is overigens identiek. Die diversiteit in de ogenschijnlijke uniformiteit, zou een symbool kunnen zijn waarmee Europa zich kan onderscheiden.’

De land-art-installatie ‘Coming World Remember Me’ bestaat uit 600.000 sculpturen en is gratis te bekijken in provinciaal domein De Palingbeek in Zillebeke. ©BELGA

We kijken nog eens goed naar die beeldjes. Vanmechelen ontwierp de mal. In een atelier in Ieper - maar ook in veel ateliers over de hele wereld - bakte mens na mens telkens weer diezelfde mens. Zo werden ze dus uniek en later, als een handgeknoopt tapijt, over 3 hectare uitgespreid achter de Palingbeek in Zillebeke.

‘Als je mensen iets fysieks laat doen, gaan ze nadenken. Ik reken me niet meer bij de jongeren, maar zelfs ik heb geen oorlog meer meegemaakt. Dus kunnen we makkelijk zeggen: een oorlog is de oplossing als er geen andere oplossing meer is. Maar ik ben wel in Mumbai en Zimbabwe en Chili geweest, in de spannendste regio’s waar wel nog oorlogstoestanden te zien zijn. Daar heb ik nooit gedacht dat oorlog een oplossing is. Ik zie er alleen miserie en mensen die op de vlucht slaan. Dat is een belangrijk besef. Als je opgroeit in een wereld van vrede, moet je die willen bewaren.’

In een interview in Knack, samen met Tom Lanoye, liet u de term ‘kosmopolitische renaissance’ vallen. Was de Eerste Wereldoorlog, paradoxaal genoeg, misschien de eerste uiting van kosmopolitisme?
Koen Vanmechelen: ‘Ik vind kosmopolitisme geen vies woord. In de diversiteit zit juist de sterkte, want in die wereld is iedereen welkom en vindt iedereen een plaats. En zo’n wereld vind ik onvermijdelijk. Vandaar die kosmopolitische renaissance: voor het eerst in de geschiedenis krijg je de mogelijkheid kennis uit de hele wereld te halen. Als je zin hebt om een wetenschapper in Canada een lastige vraag te stellen, kan dat. Vroeger moest je daarvoor het vliegtuig op. Of nog vroeger wekenlang de boot op.’

De wereld is dus veel kleiner geworden en toch lijkt het woord ‘identiteit’ belangrijker dan ooit. Hoe vreemd is dat?
Vanmechelen: ‘Dat is de ‘revenge of the locals’. En ergens is dat normaal. Als je de locals altijd hebt gepasseerd, zeggen die mensen: ‘En wij dan?’ Vroeger gingen we de natuurlijke rijkdommen halen, we eigenden die ons gewoon toe. Nooit vroeg iemand: ‘Mogen we dat hebben?’ De locals hebben daar genoeg van. Dat is logisch, maar het leidt tot spanningen en het gevaar bestaat dat de gelederen sluiten en dat angst ontwikkelt. Terwijl je liefde nodig hebt. Sluiten van grenzen is geen oplossing. Het is zelfs een biologische wetmatigheid: diversiteit is nodig om te kunnen overleven. Anders gaan we onszelf tegenkomen.’

In gekrulde neonletters hangt dat bijna letterlijk boven zijn hoofd: ‘Every organism is looking for another organism to survive.’ Overleven zat er voor die 600.000 in de Westhoek niet in. Ook niet voor de lokale bevolking. Tenzij ze konden vluchten. Wie ooit het In Flanders Fields Museum bezoekt, kan niet onbewogen blijven bij de eerste videogetuigenis van Richard Wybouw, een eenvoudige man, met een stok, vluchtend voor het geweld. Om te overleven.

‘Als kunstenaar ben ik commentaargever. Dat is niet hetzelfde als criticus. Zodra commentaar in kritiek vervalt, word je politicus of activist. Als je commentaar geeft, ga je aan een open tafel zoeken naar een oplossing die in het midden van de tafel ligt. En ik zou willen dat ook de toeschouwer zich engageert.’

Als je binnen blijft, wordt je kunst de vuilnisbak van je eigen frustratie.
Koen Vanmechelen
Kunstenaar

Die 180.000 vrijwilligers die hielpen, doen dat. Allemaal zogenaamde gutmenschen?
Vanmechelen: ‘Er waren scholen die zich engageerden, bedrijven, individuen en mensen die voor 5 euro per sculptuur een peterschap opnamen. Revolutie begint vaak met een kleine groep mensen. Zonder die participatie was van ‘Coming World Remember Me’ geen sprake. Alleen al het engagement van 4.000 mensen de voorbije twee maanden om het werk in elkaar te steken. In weer en wind, enkel voor een kom soep en wat brood. Voor mij zijn dat voorbeeldfuncties.’

Soms waren er mirakels, vertelt Vanmechelen. Eén verhaaltje? Elk beeldje kreeg een eigen ‘dogtag’, een plakketje, met daarop een van de 600.000 namen. ‘Iemand, een kleinkind denk ik, kwam helpen om de sculpturen te plaatsen. En uit die hele massa van 600.000 kreeg hij uitgerekend dat beeldje in handen dat hij eerder ter ere van zijn grootvader boetseerde. Dat was een magic moment.’

Hebt u zelf een link met die Eerste Wereldoorlog?
Vanmechelen: ‘Mijn moeder is afkomstig van Alveringem, niet zo ver van Veurne. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonden ze in Antwerpen en toen vielen V2-bommen op hun huis. De bovenste verdieping werd weggemaaid. Zij ondervond aan den lijve wat het betekende en na de oorlog keerde ze terug naar de Westhoek, waar ze vier jaar woonde en herstelde. Onze generatie hoorde de oorlogsverhalen nog rechtstreeks van onze ouders en grootouders. Voor de volgende generaties wordt dat onmogelijk en daarom zijn herdenkingen als deze van belang voor het collectief geheugen.’

Die volgende generatie ziet de oorlog wel dagelijks binnenkomen vanuit Syrië.
Vanmechelen: ‘We zitten in de val door die ontwikkeling. Via de gsm en het internet komt de wereld bij ons thuis, maar het is de wereld die wij kiezen. Aan de andere kant zie ik hetzelfde gebeuren in de sloppenwijken van Mumbai. Die kinderen hebben ook toegang tot de technologie en zien op hun gsm hoe wij in het Westen feestvieren: nieuwe jurkjes, nieuwe schoenen, daar op reis geweest... We posten het allemaal. Zij zien dat en zeggen: ‘Ik wil dat ook, ik ga daarheen.’’

‘Maar dan wordt het Westen wakker. Hola, economische vluchtelingen? Dát was niet de bedoeling... Eigenlijk begon het al met het toerisme. Wij gingen op het strand liggen in Marokko of Tunesië. Maar omgekeerd? Zij op onze stranden toekomen? Dat willen we niet. Wel, ik verwijt dat die mensen niet. Onze technologische ontwikkeling is gebaseerd op nieuwsgierigheid naar kennis. Als de indianen iets wilden zeggen, moesten ze met rooksignalen werken. Nu sturen we een e-mail naar 50.000 mensen tegelijk. Maar we kunnen niet verwachten dat het eenrichtingsverkeer is.’

Reizend ziet Vanmechelen de wereld niet alleen op het schermpje van zijn iPhone. Hij noemde Mumbai al, hij wordt uitgenodigd in Peking, München en Addis Abeba, en was onlangs bij de Finnen. ‘Uitgeroepen tot de gelukkigste mensen van de wereld’, glimlacht hij. ‘Toen ik daar naar begon te vragen, kon niemand me antwoorden waarom dat zo was. Dat is voor mij het bewijs. Als je gelukkig bent, voelt dat als normaal aan. Ongelukkig zijn, dát is abnormaal. En dus wordt de hoop om gelukkig te worden een regelrecht verlangen. De verdienste van mensen als Jeanne Devos, de Belgische zuster die zich in India inzet voor mensen in sloppenwijken, is daarom onschatbaar. En ik wil, bijvoorbeeld met mijn Cosmogolem (een houten reus die rondreist als symbool voor kinderrechten, red.) ook voor die verbinding zorgen. Onlangs was ik ermee in een schooltje in Malawi. Het schooltje kan zélf zo’n golem zijn, die kennis deelt en verbindt.’

©SISKA VANDECASTEELE

Zonder engagement is er geen kunst?
Vanmechelen: ’Alle grote kunst is geëngageerd. Dat vind ik wel, ja. Picasso is een bijzonder goed voorbeeld. Als je ‘Guernica’ ontleedt, lees je aan de bron toch hoe dat ontstond vanuit de onderdrukking van Franco. Picasso zegt: ‘Mensen, construeer uzelf in de onderdrukking.’ Assertiviteit en eigen denken zijn de belangrijkste manieren om individuele rechten op te eisen. En ik heb niets tegen decoratie, maar men moet ophouden met kunst te zien als alleen maar het opfleuren van de wereld.’

Vanwaar kwam eigenlijk uw drive om met kunst bezig te zijn? Was er een trigger?
Vanmechelen: ‘Mijn vader was kunstenaar/filosoof, mijn moeder modeontwerpster. Eigenlijk ben ik geboren in het atelier van mijn vader, zoals de glasblazers van Murano dat zijn. En mijn peter (Louis Gonnissen, een bioloog die jaren een rubriek had in het radioprogramma van Jos Ghysen, red.) triggerde me tot de biologie. Zo, onbewust, ging ik kunst aan wetenschap linken.’

‘Eigenlijk zit er een grote logica in. Ik ben volières beginnen te bouwen en kippen gaan kweken. Maar de grootste trigger was de broedkast die ik, toen ik vijf was, op mijn kamer had. Ik zag dat een derde van het ei lucht was en twee derde het kuiken. Op het juiste ogenblik brak die schaal. Dat momentum was van uiterst belang voor mijn inzicht. Want ook het momentum en de juiste hoek zorgen ervoor dat de spaceshuttle doorvliegt of net opbrandt.’

Uiteindelijk, zegt hij, was er nog een momentum. Toen hij twaalf was, vroeg hij zijn vader: ‘Als we zo’n kip graag zien, waarom sluiten we ze dan op in een kooi?’ Dat was het moment waarop de kweker kunstenaar werd, zegt hij. ‘Toen stelde ik me de vraag: wat zijn we aan het doen?’

Is de magie gebleven? Want door zelf door te groeien in een vak, doorziet u soms anderen.
Vanmechelen: ‘Ik blijf een grote liefhebber van Picasso, van Joseph Beuys. Dat zijn mannen met grote visie. Rubens en Michelangelo ook, vandaag mensen als Anish Kapoor of Anselm Kiefer. Wat is dat dan? Ik denk dat elke mens met een tekort geboren is, en grote kunstenaars zijn die mensen met het grootste tekort. Kunst kan, althans voor mij, éven aan het absolute raken. Het geeft vertroosting. Als je met grote kunstenaars in contact komt, vóél je de magie al. Die zeveren daar niet over.’

‘Ooit vroeg de VRT me: ‘Wat maakt je tot een kunstenaar?’ Dat leverde een enorme discussie op, want ik wilde een speech van Barack Obama in Chicago laten zien. Hij was pas verkozen als president, maar nog niet ingezworen. Dat vond ik een groot kunstmoment omdat die speech hoop gaf en hij in die grijze zone zat waarin poëzie nog gepermitteerd was. Zodra hij president was, kon hij die commentaar op de maatschappij minder geven.’

Thuis, googelend, zoeken we Toon Vanmechelen, zijn vader. Op een vage foto kapt hij een beeld in steen, op een volgende foto zie je een beeld dat aan Picasso en Miró doet denken. Zijn moeder zag Koens tekentalent, zijn vader zag zijn visie.

‘De schoonheid in ons verhaal is de omgekeerde beweging. Mijn vader schilderde en beeldhouwde in zijn atelier en bracht die werken van binnen naar buiten. Ik brengen dingen van buiten naar binnen. Hij werkte in andere tijden. Ik vlieg voor een weekend naar China of voor een vergadering naar Venetië. Maar ik vond hem een groot kunstenaar en een wijs man. Hij herkende mijn talent en stimuleerde het. En daar zit de eerste stap in kunstenaarsschap, in de ontwikkeling van je talent. Maar daar mag het niet bij blijven. Anders kom je bij die definitie van kunst als allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Daar heb ik niets mee te maken. Dan blijf je immers binnen en wordt je kunst de vuilnisbak van je eigen frustratie.’

Ik ben God niet en ik ben geen wetenschapper. Ik kan alleen de verbeeldingskracht gebruiken om een nieuwe wereld te vatten.
Koen Vanmechelen
Kunstenaar

Wanneer erkende u bij uzelf het talent? Was er een momen waarop u wist: nu ben ik kunstenaar?
Vanmechelen: ‘Dat ging in fases. Maar toen ik dertig was, voelde ik dat ik niet meer terug kon. Ik werkte nog als kok in het restaurant La Feuille d’Or, maar ik had thuis al een atelier en brak door mijn eigen grenzen. Toen ging ik door een fase van verwarring, chaos, angst, liefde, verloren zijn, maar ook onwaarschijnlijk veel energie. Drie weken lang, bij wijze van spreken zonder eten, drinken of slapen, heb ik in trance tekeningen gemaakt. Ik oversteeg mezelf en mijn eigen denken. Toen was ik kunstenaar.’

‘Iets later nodigde de Londense curator Jill Silverman me uit om bij Lisson Gallery te exposeren. Ze zei: ‘Ik heb goed en slecht nieuws. Het goede nieuws is dat je een echte kunstenaar bent, het slechte nieuws is dat je je tijd twintig jaar vooruit bent.’ Nu, twintig jaar later, maakt Jill een expo met mijn werk in het Serlachius Museum in Finland.’

Gebeurt het ooit dat politici u uitnodigen om uw visie op de wereld te horen? Dat zou niet zo gek zijn, met uw verhaal over duurzaamheid en diversiteit.
Vanmechelen: ‘Het gebeurt, ik denk dat de kunstenaar iets kan bijdragen. Al wil ik me niet voor een kar laten spannen. Patrick Dewael citeerde ooit Gerrit Komrij: ‘Kunst en politiek zijn als twee zeepbellen die men probeert te verenigen.’ Dat lukt niet. De kunstenaar zoekt de anarchie om wild te blijven.’

‘Ik heb op het Wereld Economisch Forum in Davos gesproken voor een zaal met Tony Blair en Condoleezza Rice in het publiek. Zij luisterden naar wat Koen Vanmechelen te vertellen had. Dat vind ik genoeg. Ik heb een visie op productiviteit en diversiteit, en ik weet hoe de wereld in de marge eruitziet. En ik vertel dat er een balans moet worden gevonden tussen het lokale en het globale. Maar ik ben God niet en ik ben geen wetenschapper. Ik kan alleen de verbeeldingskracht gebruiken om een nieuwe wereld te vatten.’

En dan zijn we toch weer bij zijn kippen, want op die grens tussen het lokale en het globale zit hij met zijn Planetary Community Chicken. ‘Ik ben blijven nadenken. 25 jaar geleden pleitte ik al voor diversiteit en vandaag zet ons cultuurbeleid daarop in. Maar nu denk ik dat diversiteit niet volstaat. Want dat is een gegeven. Om de wereld te laten draaien moeten we dat verbinden met productiviteit. In Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië, hebben ze mijn idee erkend in het IRLI-centrum, het International Livestock Research Institute. We gaan de kip in de community van de armste mensen brengen. De boerderij functioneert er als kunstwerk en is daardoor de meest sexy boerderij ter wereld. Maar het is ook een labo, een denktank én een uitkomst voor de situatie van duizenden mensen daar.’

©SISKA VANDECASTEELE

‘Daar’ is ver van Genk, waar we nu zitten. In deze site waar weer nieuwe ideeën ontstaan. En waar een kooi staat waarin een stellerarend moet komen en hij de verbinding tussen natuur en cultuur wil maken. ‘We gaan de natuur niet redden. Dat is een fout concept. Maar de vraag is: hoeveel kans hebben we om te overleven? Daar wil ik mee bezig zijn en daarom zitten we goed in Genk. In de oude villa, het enige wat van de oorspronkelijke zoo overbleef, zit de kennis van de mens in heel veel boeken. En in dit gebouw gaan we denken over hoe we verder moeten.’

‘Ik kon dat in Parijs, Londen of New York proberen en me verbinden aan bestaande structuren. Of ik kon dat hier, in een gewonde plaats waar ooit de energie in de grond zat in de vorm van steenkool en waar je naast tientallen nationaliteiten die hier wonen ook industrie, landbouw én het grootste Nationaal Park van dit land vindt. Dat vond ik de beste keuze. En ik geloof dat creativiteit in zo’n gewonde plaats een antwoord zal geven op hoe we duurzaam verder kunnen.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud