Advertentie

Tentoonstelling over humor in de kunst: Lachen zonder te schateren

‘Portraits grandeur nature’ van Agnès Thurnauer, 2009. ©Centre Pompidou, MNAM-CCI/Dist. RMN-GP Copyright Artwork : © Adagp, Paris

Humor in de beeldende kunst was eeuwenlang moeilijk. Pas eind 19de eeuw veranderde dat. In ‘Ha ha ha, de humor van de kunst’ toont het ING Art Center hoe kunstenaars humor in de strijd gooiden om tradities te doorbreken.

'Wist je dat werken met humor veel minder opbrengen op de kunstmarkt? Vreemd, hè? Misschien omdat ze minder au sérieux worden genomen, ja...’ We staan met de Belgische kunstenaar Wim Delvoye bij ‘Fresh Widow’ van Marcel Duchamp aan het begin van de tentoonstelling. ‘In de jaren tachtig heb ik op het punt gestaan dat beeld te kopen. 300.000 frank kostte het. Dat was drie keer niks, 7.500 euro omgerekend naar vandaag. Ik heb het niet gedaan. Voor een student was het toch veel. Maar Duchamp is nog altijd niet duur.’

Delvoye is een van de vele kunstenaars die de expo ‘Ha ha ha, de humor van de kunst’ vormen. Opleuken, schreven we bijna. Maar dan doen we ze onrecht aan. Alsof er simpelweg kunstwerken worden gepresenteerd waarmee wat te lachen valt. Zo is het niet. Kunst heeft altijd een boodschap zelfs als het om humor gaat.

Humor is tricky. Wat honderd jaar geleden grappig was, is dat nu misschien niet meer. En misschien lacht over honderd jaar niemand nog met mijn kunst.
Wim Delvoye
Kunstenaar

Delvoye houdt halt bij enkele werkjes uit ‘Arts incohérents’, de historische expo’s die eind 19de eeuw in Parijs werden georganiseerd. De kunstenaars, stuk voor stuk zo goed als onbekend, maakten parodiërende tentoonstellingen. Ze staken met alles en iedereen de draak: schilders, critici, verzamelaars, het publiek. Brussel volgde wat later. Op de expo is een affiche te zien van de ‘Great Zwanz Exhibition’ op de toenmalige Madeleine Markt in Brussel.

‘Ik ben blij dat ik die kunstenaars van ‘Arts incohérents’ hier zie. Ik ben er nu zeker van dat Duchamp zich door hen heeft laten inspireren. Dat is een geruststelling. Hij is dan toch geen bovenmenselijke artiest die vanuit het niets de kunst radicaal veranderde. Hij schakelde zich in de geleidelijke evolutie van de kunst in. Ik probeer dat ook te doen. Humor is wel tricky. Wat honderd jaar geleden grappig was, is dat nu misschien niet meer. Of waar je honderd jaar geleden mocht mee lachen, mag nu misschien niet meer. En misschien lacht over honderd jaar niemand nog met mijn kunst.’

Avant-gardewapen

‘Ha ha ha, de humor van kunst’ is een samenwerking tussen het Centre Pompidou in Parijs, Kanal in Brussel en het ING Art Center. De chronologische expo is samengesteld door Centre Pompidou-conservator Nicolas Liucci-Goutnikov. Soms oogt ze wat chaotisch, maar ze boeit omdat ze op een alternatieve manier met de recente kunstgeschiedenis omgaat.

‘Action Doll’ van Wim Delvoye, 2007. ©on loan from the artist

Tot halfweg de 19de eeuw was kunst een bloedserieuze zaak. Op wat uitzonderingen na leken de lach en de satire verboden. Dat veranderde pas rond 1850, toen de geïllustreerde pers doorbrak en spotprenten gemakkelijk hun weg naar het grotere publiek vonden. Journal de Rire was zo’n Frans krantje dat lachte met kunst. Vooral de salons, waar nieuw werk werd voorgesteld, moesten het ontgelden. De expo toont heel wat karikaturen uit die tijd. Ze waren eerder een antwoord op de gebruiken in de kunst dan dat ze zelf als kunst kunnen worden beschouwd.

Pas in de 20ste eeuw begonnen kunstenaars humor in hun werken te moffelen om een boodschap uit te dragen en afstand te nemen van de traditie. Humor als wapen van de avant-garde. Het belang van Duchamp kan niet worden overschat. Hij was in het begin vooral een woordkunstenaar. Later volgden zijn readymades. ‘Humor was als het ware een redding, want tot dan was kunst zo’n ernstige zaak, zo pretentieus dat ik dolblij was dat ik er humor in kon brengen’, citeert de expocatalogus Duchamp. En toch is zijn kunst ook ernst. ‘Ik noem humor bij Duchamp een medeplichtige. Hij daagt daarmee de kunst uit en maakt ze toegankelijk’, zegt Anne Petre, verantwoordelijk voor de ING-kunstcollectie.

‘Le bon exemple’ van René Magritte, 1953. ©Centre Pompidou, MNAM-CCI/Jean-Claude Planchet/Dist. RMN-GP Copyright Artwork : © Adagp, Paris

Via Duchamp kom je snel uit bij het dadaïsme, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog in Zwitserland ontstond als een reactie op de gruwel van de strijd. De dadaïsten maakten de bestaande kunstvormen belachelijk. De beweging was een kort leven beschoren, maar heeft een bijzonder grote invloed gehad op de kunststromen van de 20ste eeuw. Er bestonden geen artistieke zekerheden meer. Het surrealisme ontstond in die context.

Uiteraard ontbreekt René Magritte niet. Het eerste schilderij op de expo is van hem: ‘Le bon exemple’ uit 1953. Onder een staande man met bolhoed en paraplu schreef Magritte: ‘Personnage assis’. Het lijkt humor - zij het een nogal gemakkelijke woordspeling - maar of Magritte het zo bedoelde, is twijfelachtig. Toch verdedigt Petre de prominente aanwezigheid van het doek. ‘Magritte was hoe dan ook een man met humor. Je moet van dat werk vooral onthouden dat de band tussen de titel, het beeld en het bijschrift niets met elkaar te maken hebben. Dat is de rode draad door de expo. Humor schrapte de zekerheden in de kunst.’

Annie Warhol

Omdat veel humor uit frustratie is geboren, valt op de expo niet zo veel te schaterlachen. De lach is vaak een laagje vernis, zoals bij de Franse kunstenares Agnès Thurnauer. Haar ‘Portraits grandeur nature’ uit 2009 bestaat uit grote naamborden waarop bekende kunstenaars van geslacht veranderen: Annie Warhol, Francine Bacon, Louis Bourgeois. Het is een humoristische aanklacht tegen de ondervertegenwoordiging van de vrouw in de kunst.

Ook ‘Merda d’artista’ uit 1961 passeert de revue. Piero Manzoni creëerde negentig blikken met 30 gram van zijn uitwerpselen, te verkopen tegen de goudprijs. Tenzij je van kakhumor houdt, is het werk niet grappig, integendeel. Manzoni klaagde de relatie tussen de kunstenaar en de koper aan. Hij zag speculatie en voorspelde toen al dat de prijzen op de kunstmarkt door het dak zouden gaan.

‘Merda d’artista’ van Piero Manzoni, 1961. ©Centre Pompidou, MNAM-CCI/Philippe Migeat/Dist. RMN-GP Copyright Artwork : © Adagp, Paris

Van de Belgische kunstenaar Guillaume Bijl is ‘The History of Documenta Wax Museum 2’ te zien. Het gaat om drie wassen beelden van de kunstenaars Bruce Nauman, James Lee Byars en curator Harald Szeemann. Ze lijken uit Madame Tussauds ontsnapt. Het is weer die kritiek op de rockstatus van de kunstenaar, al kan het net zo goed - humor is toch vaak dubbelzinnig - een eerbetoon zijn aan drie iconen uit de beeldende kunst.

Soms is humor ook onverwacht en alleen voor de kunstenaar zichtbaar. In 2007 fabriceerde Delvoye 5.000 exemplaren van een action doll naar zijn evenbeeld. De pop leunt tegen een miniversie van ‘Cloaca’, zijn beroemde kakmachine. ‘Een ironische knipoog naar mijn status’, zegt Delvoye. Ik word altijd opgevoerd als kunstenaar-ondernemer. Maar ik raakte die action doll aan de straatstenen niet kwijt. Ik heb er mijn broek aan gescheurd. Zo’n goede ondernemer ben ik blijkbaar niet. Dat vind ik dan weer grappig.’

Ha ha ha, de humor van de kunst’ loopt tot 22 januari in ING Art Center op het Koningsplein in Brussel.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud