Léon Spilliaert maakte kunst voor zichzelf

Zelfportret, 1907.

De Oostendse meester Léon Spilliaert geniet weinig bekendheid in het buitenland. Toch waagt de Royal Academy in Londen zich aan een expo. ‘Spilliaerts realisme ligt niet zo ver van de abstractie.’

Bij de uitreiking van de Ultimas was van hem geen spoor. Een dag later dook Luc Tuymans op in Londen om de opening van ‘Léon Spilliaert’ luister bij te zetten. Hij ligt dan ook aan de basis van de expo. Toen curator Adrian Locke vier jaar geleden aan Tuymans vroeg voor de Royal Academy een expo over James Ensor te cureren, antwoordde hij: ‘Zou je niet beter Léon Spilliaert nemen?’’ Het werd toch Ensor, maar Tuymans smokkelde twee werken van Spilliaert in de tentoonstelling en prikkelde zo de nieuwsgierigheid van Locke.

Hij bezocht het Spilliaerthuis in Oostende en was meteen overtuigd. Hij zou samen met Anne Adriaens-Pannier, dé Spilliaert-specialiste, een tentoonstelling over de Oostendse schilder maken. Voor de Royal Academy is het een gok. Spilliaert is in het Verenigd Koninkrijk, en bij uitbreiding in de rest van de wereld, vrijwel onbekend. Maar het Londense kunstinstituut gaat wel vaker een uitdaging aan in zijn Sackler Wing Gallerie.

Tachtig kunstwerken - de meeste uit Belgische, Franse en Amerikaanse privécollecties - hangen netjes naast elkaar in vier thema’s, en worden aangevuld met een vitrine met boekillustraties van Spilliaert. Spectaculair is de expo niet. Maar dat hoeft ook niet. Het werk van Spilliaert is sterk genoeg om de aandacht vast te houden.
Het gros is afkomstig van voor 1918. De vroege periode van Spilliaert wordt doorgaans zijn creatiefste genoemd. Adriaens-Pannier betwist dat niet, maar is het er niet mee eens dat de ‘latere’ Spilliaert waardeloos zou zijn.

‘Toen hij trouwde en gelukkig werd, was het met zijn kunst voorbij’, hoor je vaak. ‘Of toen hij van Oostende naar de rand van Brussel verhuisde.’ Dat is niet juist. Kijk naar zijn latere boomschilderijen, waarvan we er enkele tonen. Voor mij zijn ze net goed als zijn vroegere creaties. Ook die bomen, die vaak antropomorfe vormen aannemen, lijken op zoek naar hun eigen ziel.’

Eigen weg

Léon Spilliaert (1881-1946) was een autodidact. Op zijn 18de zat hij drie maanden op de Academie van Brugge, maar toen was hij het beu. Hij wilde zijn eigen weg gaan. Hij had geen zin anatomisch juist te leren tekenen en de zoveelste schilder in de rij te worden. Terwijl hij zichzelf leerde tekenen, las hij zich te pletter en verdiepte hij zich in de filosofie van Nietzsche. Het was de tijd dat het symbolisme in de kunst en de literatuur opgang maakte. Spilliaert was daar een adept van.

De twee werelden kwamen samen toen Spilliaert in 1902 de Brusselse uitgever van bibliofiele boeken Edmond Deman ontmoette. Deman schakelde geregeld kunstenaars in om zijn boeken te illustreren. Hij zag wel iets in de jonge Spilliaert. Vanaf 1902 werkten de twee samen. Op de expo zijn enkele prachtige miniatuurtjes te zien die Spilliaert maakte voor de uitgave van ‘Théâtre’ van Maurice Maeterlinck en ‘Pour les Amis du Poète’ van Emilie Verhaeren, twee schrijvers die het symbolisme vooruitstuwden.

De expo in Londen is niet spectaculair, maar dat hoeft niet. Het werk van Spilliaert is sterk genoeg om de aandacht vast te houden.


‘Maar Spilliaert is geen symbolistisch kunstenaar. Daarvoor is zijn werk te realistisch’, zegt Adriaens-Pannier. Het is wel een realisme met een sterke emotionele lading. Of hij nu een straat- of strandbeeld dan wel een stilleven of een vissersvrouw schilderde, je proeft keer op keer dat de kunstenaar met veel melancholie en somberte naar de wereld keek. Zeker in de eerste jaren domineren de donkere, sombere kleuren, in een desolate setting. Net op het moment overigens dat Matisse en co. in Parijs de kleurenpracht van het fauvisme uitvonden.

De absintdrinkster, 1907.

Maar ook daarin ging Spilliaert zijn eigen weg. Hij leefde in een soort zelfisolement, deels veroorzaakt door gezondheidsproblemen. ‘Hij had vanaf zijn jeugd maagzweren en leed aan slapeloosheid. Hij ging vaak ’s nachts in Oostende wandelen om rust te vinden. Hij hield van afzondering en eenzaamheid. Hij was constant op zoek naar zichzelf.’De talrijke zelfportretten zijn daar de expliciete getuigen van. Grote kunst, maar je hebt toch ook een beetje het gevoel dat je naar een man op de rand van de waanzin staat te kijken.

De Royal Academy verwijst in de promotie voor de expo graag naar Edvard Munch. Spilliaerts ‘Absintdrinkster’ (1907) doet inderdaad denken aan Munchs ‘Madonna’. ‘Spilliaert moet Munchs zwart-witwerk hebben gezien tijdens zijn verblijf in Parijs. Er is een affiniteit. Beiden hadden het psychisch zwaar. Spilliaert bezwoer zijn angsten met kunst. Munch was er erger aan toe. Hij werd uiteindelijk in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen.’

Geld verdienen

Voor een van de marines vragen we Adriaens-Pannier of Spilliaert zou hebben willen schilderen als J. M. W. Turner, de Engelse meester van het licht en de zee. Het blijft even stil. ‘Je mag Spilliaert geen schilder noemen, weet je. Hij kon dat niet. Spilliaert was een tekenaar. Hij gebruikte Chinese inkt, kleurpotloden en waterverf. Maar geen olieverf zoals de echte schilders. Zijn oeuvre bestaat uit 4.500 werken, waarvan 61 olieverfschilderijen. Die wil je echt niet zien, hoor.’

‘Zijn dochter Madeleine heeft me een anekdote verteld waarom hij het toch even heeft geprobeerd. Léon en zijn vrouwen waren op bezoek bij Constant Permeke. Die legde in geuren en kleuren uit hoe hij schilderde en daar veel geld mee verdiende. Spilliaerts moeder hoorde dat verhaal en zei tegen haar zoon: ‘Zou je daar ook eens niet mee beginnen?’ Hij gehoorzaamde, maar het werd een fiasco.’ 


Spilliaert had de schilderkunst niet nodig om een schilderachtig gevoel te creëren. Kijk in Londen maar naar ‘De teil’ (1907), een aquarel op papier. Spilliaert laat er het licht inventief schijnen. ‘De lichtplekken op de teil zijn waarschijnlijk de weerspiegeling van de zoeklampen van de vuurtoren. Echte schilders bereiken dat effect door verschillende verflagen aan te brengen. Maar een tekening heeft geen lagen. Spilliaert was zo geniaal dat hij op voorhand in zijn hoofd precies wist wat hij op papier ging zetten. Daarom lijkt dat werk zo op dat van een schilder.’

Spilliaert op de kunstmarkt

Op de kunstmarkt heeft Spilliaert nooit potten gebroken. Dat komt vooral omdat werken op papier nooit de hoge prijzen van olieverfschilderijen halen. Op de meest kunstbeurzen kan je voor niet al te veel geld werk van hem op de kop tikken. De duurst geveilde Spilliaert is een zelfportret uit 1908. Het ging in 2018 voor 600.000 euro onder de hamer bij De Vuyst. Het hangt op de expo. ‘De absintdrinkster’ bracht in 2015 400.000 euro op bij Sotheby’s.


Hetzelfde geldt voor de marine. ‘Spilliaert en Turner geven je in hun schriftuur allebei het gevoel dat de zee je opslokt. Ze is bijna echter dan echt.’
Met een zekere ironie merkt Adriaens-Pannier op dat de schilder die geen schilder was veel invloed heeft uitgeoefend op hedendaagse Belgische kunstenaars. Luc Tuymans (‘De teil’ is Tuymans!), Michaël Borremans, David Claerbout, Koen van den Broek, ze zijn allemaal schatplichtig aan de Oostendse meester. ‘Spilliaerts realisme is niet zo ver verwijderd van de abstracte kunst. Je hoeft van de strandtaferelen maar een lantaarnpaal weg te doen en je houdt een puur abstract werk over. Daarom voelt hij hedendaags aan.’

Waarom hij dan internationaal zo onbekend is? ‘Hij hoorde nergens bij. Veel kunstenaars uit het begin van de 20ste eeuw zijn bekend omdat ze classificeerbaar zijn. Ze behoorden tot het fauvisme, het kubisme. Spilliaert niet. Wellicht interesseerde het hem niet. Hij maakte kunst voor zichzelf, niet om in de kunstgeschiedenisboeken te komen.’


‘Léon Spilliaert’ loopt tot 25 mei in Londen. Daarna verhuist de expo
met andere accenten naar Musée
d’Orsay in Parijs.
www.royalacademy.org.uk

 

 

 

 

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud