Op bezoek bij Andy Warhol

Marilyn Monroe. ©ZUMAPRESS.com

Ze hangen er allemaal. De Campbell’s soepblikken, de Marilyns, de Elvissen. Larger than life Andy Warhol. Maar de nieuwe expo rond de Amerikaanse kunstenaar in Tate Modern is net zo goed intiem. Alsof je even The Factory binnenspringt.

De jonge Andrew Warhola kijkt recht in de lens. Hoe oud hij is, wordt niet gespecifieerd. ‘As a young boy’, lees je. Er hangen nog wat familiekiekjes aan het begin van de tentoonstelling. Een immigratielijst ook van de aankomst van moeder Julia Warhola in 1921 op Ellis Island in New York. Ze voegde zich bij haar echtgenoot, die al in 1914 uit Tsjechoslovakije was vertrokken en zich in Pittsburgh had gevestigd. Hij had geen zin in legerdienst tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Julia Warhola zal nog een paar keer opduiken in de tentoonstelling. Toen haar zoon in de jaren 60 al lang en breed bekend was, dekte ze nog altijd zijn bed op in hun New Yorkse appartement, waar ze samenwoonden. Warhols afkomst en de gezinsbanden zijn een thema op de expo.

Tricky

Tentoonstellingen van Andy Warhol (1928-1987) zijn tricky. Zijn kunst is zo bekend dat je als curator al heel inventief moet zijn om de toeschouwer nog te verrassen en bij de lurven te vatten. Dat staat enigszins in contradictie met de figuur van Warhol zelf. Hij was erg enigmatisch en wat hij precies dacht over het leven en de kunst is nooit helemaal duidelijk geworden. Je moet het doen met de bouwstenen die hij aanreikt. Tate Modern zet die bouwstenen erg aantrekkelijk in elkaar tot een tentoonstelling die zowel intiem als baldadig aanvoelt.

Voor Warhol was alles en iedereen ­gelijk. ‘Iedereen zou een ­machine ­moeten zijn. Want ­machines ­discrimeren niet.’


Het begin speelt zich af in het schemerdonker van de slaapkamer. Warhol draaide in 1963 met de hulp van wat vrienden - hij deed zelden iets alleen - de zwart-witfilm ‘Sleep’. Daarin toonde hij acht uur lang de slapende dichter John Giorno. Warhol schoot over een paar dagen verspreid meer dan honderd filmspoelen vol met opnames. Hij hield uiteindelijk 22 close-ups over.


Warhol vroeg aan zijn monteur Sarah Dalton zo weinig mogelijk beweging in de film te steken. Hij wilde een filmisch kunstwerk creëren dat de envergure van een schilderij kreeg. De film wordt in Tate Modern in een aparte ruimte op een reuzegroot scherm getoond. Je wordt er automatisch stil van. Je wil de slapende man niet wakker maken. De projectie toont ook dat Warhol zoveel meer was dan de popart waarvoor hij het bekendst is. Misschien was hij wel een van de eerste multimediale kunstenaars uit de geschiedenis.


Giorno zelf noemde de film een abstract schilderij, de afbeelding van het mannelijk lichaam als een spel van licht en duister. Je kan je afvragen of Warhol het ook zo zag. Toen hij eind jaren 40, begin jaren 50 met zijn kunst begon, regeerden de abstract expressionisten in de Verenigde Staten met kunstenaars als Mark Rothko, Willem de Kooning en Jackson Pollock. Ze waren stuk voor stuk macho’s die zichzelf op hun eigen manier de opvolgers van de oude meesters vonden. Daartegenover stond een schriel, klein al snel kalend mannetje genaamd Andy Warhol.

Belachelijk

Er is een anekdote uit de jaren 60 die de sfeer in de Amerikaanse kunstwereld bijzonder goed illustreert. De kliek van de abstract expressionisten kwam vaak samen in het etablissement Cedar Tavern in New York. Op een dag stapte Warhol binnen. De schilders maakten hem eerst belachelijk, trokken zijn pruik (een paar exemplaren zijn te zien op de expo) van zijn hoofd en smeten hem vervolgens buiten. Hij hoorde niet bij hen. Dat was het klimaat.

Mao en Skull. ©ZUMAPRESS.com

Het is een beetje jammer dat die historische context op de tentoonstelling ontbreekt. Na de geweldige ‘Sleep’-film beland je meteen in het succesverhaal van Andy Warhol: zijn popart. Die kwam er ook niet zomaar van de ene dag op de andere. Warhol verhuisde in 1949 naar New York, waar hij al snel de kost verdiende als illustrator en reclametekenaar. Dat was een noodzakelijke tussenstap naar zijn popart. Die wordt op de tentoonstelling in al zijn glorie getoond. De colaflesjes, de soep van Campbell’s, de lippen van Marilyn Monroe. We kennen ze allemaal.


Maar al die werken samen in een grote zaal vormen een indrukwekkend geheel. Warhol hield van de kunst van herhaling, maar in die herhaling schuilt het detail van het verschil. Hij gebruikte zeefdrukken om zijn ontwerpen zo snel mogelijk te kunnen reproduceren. Maar met zeefdrukken kan je naargelang je meer of minder inkt gebruikt ook wat spelen. In ieder geval deed Warhol aan mechanische en geautomatiseerde kunst. Het contrast met de uniciteit van de ‘klassieke’ kunst kon niet groter zijn.


Voor Warhol was alles en iedereen gelijk. ‘Iedereen zou een machine moeten zijn. Want machines discrimeren niet. Als iedereen een machine was, was iedereen gelijk.’ In dat kader moet je de popart zien. Het was een statement tegen discriminatie en ongelijkheid. Omfloerst weliswaar, want Warhol sprak zich nooit echt expliciet uit over iets. Hij hield wel van wat mysterie. Het maakt een mens interessant. Want laat er geen misverstand over bestaan: Warhol kickte wel op aandacht, liefst iets langer dan de 15 minutes of fame die hij aan iedereen toedichtte.

Arrogante babysmoel

Maar iedereen was welkom in zijn Factory, zijn atelier annex appartement. De plaats wisselde omdat hij af en toe verhuisde. In de Factory gebeurde van alles. In een van de indrukwekkendste zalen op de expo sta je er middenin. Je hoort stompende muziek van The Velvet Underground, de groep van Lou Reed, John Cale en Nico. Hoe jong Reed er toen uitzag. Een arrogante babysmoel met een zonnebril. Op de vier muren worden onafgebroken zwart-witbeelden geprojecteerd. Warhol zelf is nauwelijks te zien. Soms zitten mensen gewoon op een stoel voor zich uit te staren. High allicht. Hoe zou het daar eigenlijk geroken hebben?

Silver Clouds. ©REUTERS

Nog zo’n indrukwekkende ruimte is die met de ‘Silver Clouds’. In 1965 besliste Warhol zich toe te leggen op film en te stoppen met zijn schilderijen en zeefdrukken. ‘Silver Clouds’ was zijn afscheid van de beeldende kunst. Het waren zilverkleurige ballonnen die hij in een New Yorkse galerie toonde. De bezoekers mochten ertussen lopen, ermee spelen, erop slaan, ze kapotprikken. Opnieuw ging het om het gelijkheidsbeginsel. Kunst is van iedereen, kunst is niet uniek.


In 1968 veranderde veel voor Warhol. Hij werd neergeschoten, werd even klinisch dood verklaard, maar hij overleefde miraculeus. In de expo hangen twee pakkende foto’s. De ene is van zijn moeder, ontroostbaar in tranen. De andere is een close-up van Warhols bovenlichaam van Richard Avedon, inclusief alle littekens die de chirurgen hebben achtergelaten. De aanslag betekende het einde van de opendeurpolitiek van Warhol in de Factory. Maar hij begon wel weer met zijn zeefdrukken. In die periode ontstond zijn reeks schilderijen ‘Mao’.


In 1975 begon hij aan zijn reeks ‘Ladies and Gentlemen’, waarin hij travestieten en transgenders portretteerde. De expo schenkt veel aandacht aan de portretten, meer dan toen ze bij de creatie kregen. Het lijkt alsof Warhol zijn tijd vooruit was.


Het was misschien zijn laatste echte kunststukje. Warhol werd zo goed als letterlijk een fabriek. Voor hem was kunst ook gewoon business. Hij probeerde dat op geen enkele manier te verdoezelen. Maar de kwaliteit ging er niet op vooruit. Dat zie je aan de portretten van de beroemdheden uit de jaren 70 en 80 die aan de muren hangen. Bandwerk. Maar daar moeten we ons overheen zetten. Want bandwerk is machinewerk. En machines moeten we allemaal worden. Al is het maar omdat die virusbestendig zijn.

Andy Warhol, tot 6 september
in Tate Modern, Londen.

n

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud