Paul Gauguin, de schilderende Christus

©RMN-Grand Palais (musée d'Orsay) / René-Gabriel Ojéda

De Franse schilder Paul Gauguin werd beroemd met zijn schilderijen van het leven in Tahiti. De National Gallery in Londen toont een alternatief overzicht van zijn carrière aan de hand van zijn portretten. Daarin was hij een onvergelijkbare vernieuwer.

Op het einde lijkt alles tevergeefs geweest. Die gedachte overvalt je bij het allerlaatste zelfportret van Paul Gauguin (1848-1903) aan het eind van de expo. Hij schilderde het enkele maanden voor zijn dood in Hiva Oa, in de Stille Zuidzee. Je ziet een dodelijk vermoeide, zieke man in een wit T-shirt tegen een blauwgrijze achtergrond. Sober geschilderd. Geen verwoestende vernieuwing meer. De dubbele of drievoudige bodems zijn verdwenen. De schilderende patser is niet meer.

Als je de suppoosten van de National Gallery kunt verschalken, sta je tien meter na het einde weer bij het eerste schilderij van de tentoonstelling. Een zelfportret uit 1885. Net zo klassiek als het laatste. Alsof er tussenin niks is gebeurd. Gauguin in zijn studio. Trotse blik, dat al wel, maar verder niet echt opvallend. Je begrijpt waarom hij in het begin van zijn loopbaan een zondagsschilder werd genoemd. Een zondagsschilder met een missie dan wel, blijkt al vlug op de tentoonstelling.

‘Gauguin Portraits’ is precies wat het betekent. De expo toont de geschiedenis van de Franse post-impressionist aan de hand van zijn portretten. In de eerste zaal is een aantal fascinerende zelfportretten van de schilder - de keuze was groot, hij kickte nogal op zichzelf - samengebracht. Het eerste is dus nog redelijk normaal, maar daarna vallen alle remmen weg.

Twee springen meteen in het oog. ‘Christus in de olijftuin’ uit 1889 en ‘Zelfportret met gele Christus’ van een jaar later. In het ene schilderij beeldt Gauguin zichzelf af als Christus, in het andere plaatst hij zichzelf naast een gele Christus aan het kruis. Toeval is dat niet. Gauguin vergeleek zich graag met Christus. Die offerde zich op voor de zonden van de mens. Gauguin offerde zich op voor de toekomst van de kunst, vond hij.

©RMN-Grand Palais (musée d'Orsay) / René-Gabriel Ojéda

Het kan geen kwaad om voor je de expo binnenwandelt een toertje te maken langs de imposante collectie van de National Gallery. Kwestie van nog eens goed te kijken hoe de oude meesters - Antoon van Dyck bijvoorbeeld, of Rembrandt - portretten schilderden. Gauguin kende die klassiekers ook. Hij was er niet tevreden over. Het is te zeggen, hij vond ze te beperkt.

De oude meesters trachtten de persoonlijkheid van hun modellen weer te geven door nuances in lichaamstaal. Gauguin deed het anders. Hij maakte gaandeweg tableaus waar de afgebeelde figuur slechts een onderdeel is van het hele portret. Als Gauguin nu een portret van Nafi Thiam zou maken, schilderde hij misschien wel een geknakte speer. Met in het hoekje terloops een treurende atlete.

Succesvolle beursjongen

Gauguin kwam niet meteen tot dat inzicht. Na de zaal met de exuberante zelfportretten wordt zijn kunst chronologisch uitgelegd. Hij was helemaal niet voorbestemd om kunstenaar te worden. Zijn ouders vluchtten na de revolutie van 1848 met de pasgeboren Paul in 1849 van Frankrijk naar Peru. Gauguins vader stierf daar. Zes jaar later waren moeder en zoon opnieuw in Frankrijk. Op zijn 17de ging Gauguin werken als scheepsagent. Hij reisde zes jaar lang de wereld rond.

Dat eindigde in 1871, toen hij de beursmakelaar en kunstverzamelaar Gustave Arosa ontmoette. Het veranderde Gauguins leven voorgoed. Arosa bezorgde hem een job als beursmakelaar in Parijs. Gauguin bleek erg goed. Tegelijk introduceerde Arosa hem in het Parijse kunstenaarsmilieu. Gauguin begon de Franse impressionisten te verzamelen. Hij voelde het zelf ook kriebelen en begon te schilderen. Een zondagsschilder dus. Het werd serieus toen hij bevriend geraakte met Camille Pissarro. Die werd zijn leraar en bracht Gauguin in contact met zijn grote held, Paul Cézanne.

Gauguin schilderde aanvankelijk wel als een impressionist, maar zijn eigenzinnigheid stak al snel de kop op. Op de expo is een mooi portret te zien van zijn slapende zoon Clovis uit 1884. De jongen staat niet centraal, wel zijn houten drinkbeker. En het behangpapier op de achtergrond lijkt wel een scène uit een nachtmerrie.

Al even opvallend is het portret uit 1886 dat hij maakte van collega-schilder Charles Laval. Beiden hadden elkaar ontmoet in de kunstenaarskolonie Pont-Aven in Bretagne. Na de beurscrash van 1883 had Gauguin besloten fulltime schilder te worden. Het leidde hem zoals zoveel artiesten naar Pont-Aven, zeg maar het toenmalige Bokrijk van Frankrijk. De moderniteit was er nog niet doorgedrongen.

Stikjaloers

Het portret van Laval is curieus. Je kan het net zo goed als een portret van Cézanne beschouwen. Laval kijkt aan de zijkant van het doek naar een tafel met appels, een van de favoriete thema’s van Cézanne. Het is de portretkunst van Gauguin ten voeten uit. Hij stopte zijn schilderijen vol dubbele bodems. Hij deed het Cézanne-trucje veel later nog eens over toen hij aan het einde van zijn leven een stilleven met zonnebloemen schilderde. Het was een eerbetoon aan zijn vriend Vincent van Gogh, op wiens postume succes hij overigens stikjaloers was.

Gauguin vond in Frankrijk noch het commerciële succes noch de artistieke erkenning waar hij recht op meende te hebben. Hij verkaste in 1891 naar Tahiti, een Franse kolonie. Gesponsord door de Franse overheid mocht hij daar een studie maken van de plaatselijke cultuur. Artistiek bereikte hij in de Stille Zuidzee zijn hoogtepunt. Maar of hij echt begaan was met de inheemse bevolking is twijfelachtig.

De beursmakelaar in Gauguin is nooit helemaal gestorven. Zijn gedachten waren dan misschien vooral bij de plaatselijke jonge vrouwen, de kunstmarkt verdween nooit uit zijn gedachten. Hij kleurde de werkelijkheid op zijn schilderijen wel eens bij met het oog op de smaak van de Franse collectionneur. Het bloedmooie ‘Arii Matamoe’ uit 1892 is daar een goed voorbeeld van. Het toont het afgehakte hoofd op een schotel van de Tahitiaanse koning Pomare V. Die was in 1891 gestorven.

©Getty's Open Content Program

Gauguin woonde de begrafenis bij, maar hij zag tot zijn teleurstelling een vrij westerse begrafenis. Hij fantaseerde er dan maar het gebruik bij dat de Tahitianen een gestorven koning onthoofden. Het is een verwijzing naar talloze oude meesters die de onthoofde Johannes De Doper schilderden. Het is ook een verwijzing naar de onthoofding van Lodewijk XVI in 1793. Gauguin dacht dat het schilderij niet zou misstaan in Frankrijk bij de herdenking van de 100ste verjaardag van de executie.

Onbegrijpelijk

In 1893 keerde Gauguin terug naar Parijs met een zak vol schilderijen. Hij ging ervan uit dat Frankrijk aan zijn voeten zou gaan liggen voor zijn Polynesische kunst. Het was hem niet gegund. Parijs haalde zijn schouders op, een enkeling als zijn collega Edgar Degas niet te na gesproken. Als je naar Gauguins vrouwenportretten op de expo kijkt, is dat onbegrijpelijk. Tenzij ze misschien te ingewikkeld waren voor die tijd.

Gauguin stapelde de elementen op in zijn schilderijen. Kijk naar het portret uit 1893 van zijn piepjonge vrouw Teha’Amana. Ze draagt een zedige westerse jurk - de invloed van de missionarissen - maar de achtergrond is vol met Polynesische symboliek. Nu vinden we dat prachtig. Toen blijkbaar niet.

©The Art Institute of Chicago

Gauguin keerde na zijn Parijse intermezzo gedesillusioneerd terug naar de Stille Zuidzee. Tahiti vond hij te westers geworden. Hij meerde aan op de Markiezeneilanden. Hij bleef er naarstig meesterwerken schilderen. Maar syfilis ontnam hem langzaam maar zeker zijn krachten. Moe en ziek schilderde hij in 1903 zijn laatste zelfportret. Een man met een ziekenfondsbrilletje.

‘Gauguin Portraits’, tot 26 januari in de National Gallery in Londen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect