interview

‘Tilburg is misschien het kleine broertje, maar wel een brutaaltje'

©Diego Franssens

Martijn van Nieuwenhuyzen ruilde het Stedelijk Museum Amsterdam voor De Pont, een parel voor hedendaagse kunst in een voormalige wolfabriek in Tilburg. De nieuwe directeur wil er vernieuwing brengen zonder te forceren.

In het gastenboek aan de ingang valt ons oog op een opmerking van Paul uit Leiden. ‘Prachtig, en dat is onverwacht. Ik wist niet dat ik moderne kunst zou waarderen.’ Martijn van Nieuwenhuyzen (61), de nieuwe directeur van De Pont, glimlacht als we hem de uitspraak voorleggen. ‘Die meneer heeft een epifanie gekregen. Een openbaring. Dat is mooi.’

Met dank aan een jurist

Tilburg heeft zijn parel van moderne kunst te danken aanaan Jan de Pont (1915-1987). De jurist en ondernemer liet een stichting na om kunstenaars te ondersteunen. Hendrik Driessen, die als directeur van de stichting mocht beslissen hoe dat zou gebeuren, begon al snel te dromen van een nieuw museum. De zoon van Jan de Pont wees hem op de wolspinnerij Thomas de Beer. In de jaren zestig had zijn vader die van het faillissement gered, maar eind jaren tachtig was ze toch ten dode opgeschreven. Driessen besliste ze om te bouwen tot een museum, dat in 1992 de deuren opende. Het karakter van de fabriek is behouden: de grote expozaal wordt omrand door de voor-malige wolhokken. In 2016 werd een nieuwe vleugel toegevoegd. De Pont trekt jaarlijks een kleine 120.000 bezoekers. De exploitatie op zich is verlieslatend, in het boekjaar 2017-2018 ging het om 1,7 miljoen euro. De stichting past de verliezen bij.

Hij denkt even na over de vraag of mensen warm maken voor kunst de essentiële taak van een museum is. ‘Er zijn verschillende redenen waarom mensen naar een museum gaan. Paul uit Leiden was duidelijk nog nooit in contact gekomen met moderne kunst. Door zijn bezoek aan De Pont krijgt dat soort kunst nu betekenis voor hem. Een meer geoefende kunstliefhebber legt misschien andere accenten in zijn beleving. Maar de kern is voor iedereen hetzelfde: verbaasd en geraakt kunnen worden door wat een kunstenaar doet. Hij reikt ideeën aan die van een grote betekenis zijn voor hoe je zelf in het leven staat en ernaar kijkt.’

Van Nieuwenhuyzen, journalist en kunsthistoricus van opleiding, werkte de voorbije 28 jaar in verschillende functies voor het Stedelijk Museum Amsterdam. Hij leidde er onder meer zeven jaar het Bureau, een plek waar vooral jonge kunstenaars konden experimenteren.

U bent 61. Dacht u: de leeftijd om aan iets nieuws te beginnen?

Martijn van Nieuwenhuyzen: ‘Nee, zo ging het niet helemaal. Ik was gelukkig bij het Stedelijk Museum. Maar de vacature van De Pont kon ik niet laten voorbijgaan. Ik ken het museum al van het prille begin. Of zelfs nog vroeger. Mijn voorganger, Hendrik Driessen, heeft me hier rondgeleid toen het museum nog een wolfabriek was. Ik was nog student. Sinds dat bezoek ben ik De Pont blijven volgen.’

Verhoudt De Pont zich tot het Stedelijk Museum zoals de lokale voetbalploeg Willem II zich tot Ajax verhoudt?

Van Nieuwenhuyzen: ‘De Pont is kleinschaliger, natuurlijk. Voor mezelf zie ik niet zoveel verschillen. Ik heb in Amsterdam heel direct met kunstenaars gewerkt. Dat ga ik hier ook doen. De sterkte van De Pont is het centraal plaatsen van de kunstenaar. Het is ook het leukste wat er is: samen met kunstenaars nadenken en dan een tentoonstelling vormgeven.’

U had in het Stedelijk Museum ook de nieuwe artistiek directeur kunnen worden. Had u daar geen zin in?

Van Nieuwenhuyzen: ‘Dat was moeilijk, want ik zat als personeelsvertegenwoordiger in het selectiecomité. (lachje) Los daarvan omvat die job ook enkele managementfuncties waarin ik minder zin heb. Geld gaan zoeken, bijvoorbeeld. In De Pont ben ik algemeen directeur en hoofdconservator. Ik zal nog veel contact hebben met kunstenaars.’

Hebt u nooit de ambitie gehad zelf kunstenaar te worden?

Van Nieuwenhuyzen: ‘Ik ben fotograaf, hoor. Op Instagram heb ik een account onder de naam ‘acuratorscamera’. Het is een verslag van mijn praktijk als conservator en de relatie met de kunstenaar. Maar ik zou me verder geen kunstenaar noemen.’

U bent kunsthistoricus. Wat is uw favoriete kunstperiode? Of zweert u bij hedendaagse kunst?

Van Nieuwenhuyzen: ‘Nee, hoor. Ik verzamel Nederlands porselein uit de 18de eeuw. Dat vind ik prachtig. Als ik in Venetië ben, sla ik de kerken met werk van Titiaan niet over. Dat zit ingebakken, al doe ik er professioneel haast nooit iets mee. Je kan je laven aan de rijkdom van de oude meesters. Het hangt wel van mijn gemoed af. Soms sta ik voor een 17de-eeuws schilderij en denk ik: ‘Oké...’ En op een andere dag word ik er hevig door geraakt.’

Wat vindt u als Amsterdammer van de stad Tilburg?

Van Nieuwenhuyzen: ‘Tilburg is een ruwe diamant. Naburige steden als Breda of ’s-Hertogenbosch zijn gepolijster. Tilburg is cultureel volop in ontwikkeling. Het stadsbestuur speelt daar een grote rol in. Vorige week werden alle cultuurmensen uitgenodigd in het stadion van Willem II. Iedereen praat met elkaar, iedereen steunt elkaar. Er is veel ambitie. De LocHal is de katalysator. Dat is een vroegere spoorwegwerkplaats die is omgebouwd tot een grote multifunctionele plek voor werken, ondernemen, studeren, tentoonstellingen. De nieuwe bibliotheek is er ook in ondergebracht. Er zijn ook nog best wat plekken voor muziekoptredens. En de Fontyshogeschool voor kunsten is hier. Tilburg is in de regio misschien het kleine broertje, maar wel een brutaaltje.’

Wat wilt u veranderen in De Pont?

Van Nieuwenhuyzen: ‘Ik moet de job nog in de vingers krijgen. Misschien leg ik hier en daar andere accenten, maar dat moet zich nog uitkristalliseren. Hoe dan ook blijft de kunstenaar de basis. De Pont heeft de traditie lange relaties aan te gaan. Luc Tuymans is een goed voorbeeld. In 1995 stelde hij hier voor het eerst tentoon. Vandaag loopt weer een expo van hem. Zo’n traject wil ik met anderen ook afleggen. Een nieuw hoofdstuk maken met hen.’

Is het moeilijk de juiste kunstenaar te kiezen voor een expo, zeker als ze nog jong zijn? Wie wel, wie niet?

Van Nieuwenhuyzen: ‘Je ontwikkelt daar met de jaren een gevoel voor. Het gesprek met de kunstenaar is essentieel. Je kan wel een werk zien, maar ik wil vooral weten hoe de kunstenaar zichzelf ziet. Wat zijn drijfveren zijn. Soms duurt het jaren voor je met iemand in zee gaat. Tot je voelt dat hij er klaar voor is. Maar het kan ook erg snel gaan. In 1999 besliste ik vrij intuïtief de Nederlandse Jennifer Tee een expo te geven in het Bureau van het Stedelijk Museum. Ze studeerde nog aan de Rietveld Academie. Ik gaf haar carte blanche. ‘Kom met een voorstel’, zei ik. Dat deed ze. Het is goed uitgedraaid. Je moet kunstenaars ook weleens uitdagen. Door hen meer ruimte te geven dan ze verwachten, dwing je hen hun grenzen op te zoeken.’

Hoe moeilijk is het voor een conservator om niet toe te geven aan de druk van de kunstmarkt en de galeries?

Van Nieuwenhuyzen: ‘Ik kom terug op mijn stokpaardje. Als je nauw samenwerkt met een kunstenaar, ben je niet afhankelijk van galeries. Ik heb een jarenlange relatie met de Duits-Britse performancekunstenaar Tino Seghal, al van toen hij nog onbekend was. Daardoor weet je precies welke werken belangrijk zijn en kan je die aankopen voor een museum. Seghal maakte in 2012 voor de Documenta in Kassel ‘This Variation’, een groot werk met twaalf vertolkers. Ik heb dat voor het Stedelijk Museum kunnen kopen door mijn goede relatie met Tino. Ik ben niet de man die even naar een kunstbeurs stapt en begint te kopen.’

In België is de meerderheid van de museumbezoekers blank. Is dat in Nederland ook zo?

Van Nieuwenhuyzen: ‘Ja. Al begint dat in Amsterdam te veranderen. De bevolking met een andere culturele achtergrond is er in de meerderheid. Als museumdirecteur moet je daar zeker over nadenken. Het publiek verandert, wat uiteindelijk leidt tot een legitimiteitsvraag: voor wie ben je er als museum?’

Dat is voor een privémuseum misschien minder belangrijk...

Misschien moeten we ons westerse beeld van wat kunst is, verruimen.
Martijn van Nieuwenhuyzen, directeur van De Pont

Van Nieuwenhuyzen: ‘Nee, dat vind ik niet. Ook een privémuseum heeft een maatschappelijke rol. Je kan gerust een kunstenaar met een ander cultureel profiel programmeren die voor iedereen interessant is. Je hoort weleens: ‘Ja, maar dan moeten we onze kwaliteitscriteria aanpassen.’ Daar ben ik het niet mee eens. Misschien moeten we ons westerse beeld van wat kunst is, verruimen. Zo krijg je dingen in beweging.’

Over zes jaar gaat u met pensioen.

Van Nieuwenhuyzen: ‘Dat is niet gezegd, hoor. Ik mag langer werken.’

Zou u het erg vinden als mensen straks niet hebben gemerkt dat er al x jaar een nieuwe directeur is?

Van Nieuwenhuyzen: ‘Mmm, ik ga ervan uit dat ze het wel zien. Ik wil continuïteit en vernieuwing brengen, zonder iets te forceren.’

‘Luc Tuymans, The Return’ loopt nog tot 17 november in De Pont in Tilburg.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect