Advertentie

Tot eer en glorie voor zichzelf en de herinnering

Petrus Christus, ‘Portret van een jonge vrouw’, circa 1470.

De portretkunst maakte in de 16de eeuw een stormachtige ontwikkeling door. Het Rijksmuseum toont die evolutie in de expo ‘Vergeet me niet, portretten uit de renaissance’.

Ach, wie herinnert zich niet de voortijdig afgebroken tentoonstelling over Jan Van Eyck in het MSK Gent in maart 2020? En vooral de voorlaatste zaal waar zijn portretten werden getoond? Fabuleuze schilderkunst. Zo doorleefd, zo modern. Je verwacht tegen beter weten in Van Eyck elk moment tegen te komen op de expo ‘Vergeet me niet’ in het Rijksmuseum. Zo simpel liggen de dingen helaas niet. Een Van Eyck krijg je niet snel in bruikleen. Maar zijn geest en die van de andere Vlaamse Primitieven waart wel rond in Amsterdam, zegt Matthias Ubl, een van de curatoren. ‘We hebben het tijdskader van de expo afgebakend op 1470-1570. In die 100 jaar heeft de portretkunst op alle vlakken een enorme vlucht genomen. Een schilder als Jan Van Eyck, die in 1441 stierf, heeft daar in grote mate toe bijgedragen. We tonen hem niet, maar ergens is hij er wel.’

Het idee van de expo ontstond toen de curatoren van het Rijksmuseum bedachten dat ze hun renaissanceportretten, voornamelijk van wat we nu Nederlandse schilders zouden noemen, nog nooit afzonderlijk op een expo hadden getoond. ‘Veel van die schilders reisden veel. Jan van Scorel verbleef in Jeruzalem, Rome en Venetië. Die Europese context is de leidraad van de tentoonstelling.  Onze collectie wordt aangevuld met heel wat werken in bruikleen uit andere musea’, zegt Ubl. Topportretten van Hans Memling, Albrecht Dürer, Sofonisba Anguissola, Domenico Ghirlandaio en zo veel anderen zijn de gids doorheen de upper class van de 15de en 16de eeuw.

De nieuwe klasse van de 16de eeuw wilde zich met een portret laten vereeuwigen. Ook toen al wilden succesvolle ondernemers niet graag snel vergeten worden.

De expo vertelt twee verhalen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dat maakt ze zo boeiend.  De artistieke ontwikkeling van de portretkunst is een product van de maatschappelijke evoluties in de late 15de en 16de eeuw. Er ontstond een nieuwe klasse die we gemakshalve handelaars en vrije beroepen noemen. Ze wilden zichzelf net als koningen en andere hoogwaardigheidsbekleders laten vereeuwigen in een schilderij. Wie van zichzelf en/of zijn familie een portret kon laten maken, was geslaagd in het leven. Met het portret werd men een beetje onsterfelijk. Ook toen al wilden succesvolle ondernemers niet graag snel vergeten worden.

 De schilders profiteerden van de groeiende vraag. Maar hoe koos een man van stand  een schilder? ‘Daar hebben we vaak het gissen naar. De woonplaats speelde een rol, de beschikbaarheid van de kunstenaar en het budget dat iemand te besteden had. Hoe groter de reputatie van de schilder hoe duurder hij was’, zegt Ubl.

De tentoonstelling is thematisch opgedeeld. Hoofdstukjes over schoonheid, gezag, ambitie, liefde, familie, kennis en geloof volgen elkaar op in een eenvoudige maar doeltreffende scenografie. In al die thema’s schemeren de verschillen tussen de renaissance van de noordelijke en de zuidelijke landen door. De Lage Landen tegen Italië, zeg maar. Om een of andere reden lijken de Italiaanse portretten hoekiger, gekunstelder, de landschappen in de achtergrond krampachtiger. Minder mooi eigenlijk. ‘De Italiaanse portretten zijn ook mooi, hoor. Maar ze zijn anders. Om te beginnen hebben de Italiaanse schilders veel langer mensen in profiel afgebeeld. Daar zijn ze geleidelijk van terugkomen, onder invloed van de noordelijke collega’s. Fundamenteel keken de Italianen ook anders naar schilderkunst. Ze zijn beïnvloed door het ideaal van de antieke oudheid. Ze namen het daarom minder nauw met de realiteit in de 16de eeuw. Ze idealiseerden de werkelijkheid. In het noorden was dat niet zo. De noordelijke schilders waren de meesters van het realisme of het naturalisme. Elk detail klopte.’

Op de tentoonstelling is het ultieme voorbeeld daarvan het sensuele ‘Portret van een jonge vrouw’ uit 1470 van de Brugse schilder Petrus Christus. Ubl raakt er niet over uitgepraat. Het is een juweeltje, geleend van de Gemäldegalerie uit Berlijn. ‘Kijk eens naar die transparante halsdoek. Christus geeft die ook weer als een transparante halsdoek en niet als een idee daarvan. Dat was in die tijd bij de Italianen net iets minder.’

Er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen. Er is op de expo maar één schilderij dat Christus naar de kroon steekt als het gaat om absolute schoonheid: ‘Portret van Ranuccio Farnese’ van Titiaan. Je ziet een zelfbewuste jonge puber haast guitig in de ‘camera’ kijken. Titiaan koppelde psychologisch inlevingsvermogen aan schildertechnisch raffinement. Hij schilderde het doek in 1541. De barok wierp toen al zijn schaduw vooruit. ‘De accenten in de portretkunst veranderden na 1570. Daarom ligt in dat jaar onze eindgrens. De mode veranderde, de manier waarop mensen zich lieten afbeelden veranderde. Veel meer ten voeten uit of vaak al zittend. Maar de basis van de portretkunst ligt in de renaissance.’

‘Vergeet me niet, portretten uit de renaissance’ loopt tot 16 januari in Rijksmuseum, Amsterdam. Online reserveren.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud