Voor Kris Martin is zijn kunst vechten tegen vergankelijkheid

©Wouter Van Vooren

Met ‘Exit’ krijgt de Belgische conceptkunstenaar Kris Martin zijn eerste retrospectieve in eigen land. Zijn installaties en sculpturen binden de strijd aan met de ver­gankelijkheid van het leven.

 

De zalen van het S.M.A.K in Gent zijn een week voor de opening nog zo goed als leeg. Het houdt Kris Martin (47) niet tegen al een rondleiding te geven. Hier komt dit, hier komt dat. Een sculptuurtje van een bij, bijvoorbeeld. Het is de laatste bij op aarde. Als die ook sterft - misschien is ze al dood, ze zal niet bewegen op de expo - is het gedaan met de mens.

In een andere zaal haalt Martin een zelfgeslagen munt uit zijn broekzak. Op de voorkant is zijn hoofd afgebeeld, met zijn initialen. ‘Hoe vol van jezelf kan je zijn?’, zegt hij. Dan draait hij ze om. ‘Idiot’, staat er. ‘Ik toonde de munt voor het eerst op de Biënnale van Venetië in een locatie op het San Marco plein. De exporuimte was leeg. De bezoekers dachten dat ze zich hadden vergist. Ten onrechte. In de zaal liep een Italiaans topmodel rond met de munt in zijn zak. Af en toe liet hij ze zien. Dat was het kunstwerk.’


De idioot komt later op de expo terug. In 2009 schreef Martin de roman ‘De idioot’ van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski over. Hij veranderde de naam van het hoofdpersonage Lev Myshkin in die van hem zelf. Zo werd hij zelf een idioot. Wat zelfspot doet een kunstenaar zelden kwaad. ‘Ik neem mezelf nooit au sérieux. Als mijn vrouw niet een keer per dag onnozelaar tegen mij heeft gezegd, is het een slechte dag geweest.’

Traag en klein

Martin exposeerde de voorbije twintig jaar veel meer in het buitenland dan in België. ‘Exit’ is zijn eerste grote solotentoonstelling in ons land. Met dank aan S.M.A.K.-
directeur Philip Van Cauteren, die even komt meekijken als een 7 meter lang zwaard wordt geïnstalleerd. ‘Het wordt tijd dat Kris bekender wordt in België’, zegt hij. ‘De meeste mensen kennen hem van zijn altaar op het strand van Oostende dat hij maakte voor de afscheidsexpo ‘Salut d’honneur’ van Jan Hoet in 2014.
That is it. Hij verdient beter. Zijn kracht is dat hij met vaak kleine ingrepen een wereld oproept die universeel en existentieel is.’

In die verklaring kan Martin zich vinden. ‘Ze noemen me vaak een conceptueel kunstenaar. Dat mag. Maar uiteindelijk is het resultaat een beeld of een installatie. De expo is een best of. Een terugblik op wat ik de afgelopen twintig jaar heb gemaakt, meestal in het buitenland. Het is een soort documentaire die inkijk geeft in de motieven van mijn kunst. Ik vind niet dat deze retrospectieve heel laat komt. Mijn productie is traag en klein. Ik heb echt wel twintig jaar nodig gehad om ze te kunnen houden. Los daarvan ben ik ook geen lawaaimaker. Ik opereer graag in de luwte.’

Als mijn vrouw niet een keer per dag onnozelaar tegen mij heeft gezegd, is het een slechte dag geweest.
Kris Martin
Kunstenaar


Vrijblijvend is de tentoonstelling niet. ‘Ze is een groot gevecht tegen de vergankelijkheid van het leven. Je verliest hoe dan ook. De paradox van kunst is dat een beeld in dode materie je verhaal langer kan brengen dan jijzelf. Een beeld kan duizend jaar bestaan. De mens niet.’ Die vergankelijkheid wordt op meerdere manieren getoond. Een van de beste voorbeelden is ‘Festum II’ uit 2010. Met de in brons gegoten confetti keert Martin de natuurlijke gang der zaken om. Confetti vervliegt doorgaans snel, maar bij hem overleeft het alle feestgedruis.


De vergankelijkheid staat de esthetiek niet in de weg. ‘Ik wil schoonheid geven, een gevoel van herkenning ook. Een van mijn grote voorbeelden is de Cubaan Felix Gonzales-Torres. Een groot deel van zijn oeuvre is gewijd aan de ziekte en uiteindelijk de dood van zijn partner, die aan aids leed. Torres brengt dat kleine verhaaltje cryptisch in beeld en overstijgt zo de anekdotiek. Toen zijn vriend was overleden, hing hij zijn woonplaats New York
vol met billboards van een leeg bed. Dat had een enorme impact. Hij was vreselijk hard aan het roepen, maar zonder decibels. Zo poëtisch.’


‘Ik wil met mijn kunst hetzelfde gevoel opwekken. Ik kan jou vertellen dat mijn vader is gestorven. En dan zeg jij uit beleefdheid: ‘Innige deelneming.’ Waarom zou je iets anders zeggen? Je hebt mijn vader nooit gekend. Maar als ik het woord ‘dood’ uitspreek, ga je in een flits aan iets of iemand denken. Het woord krijgt betekenis voor jou. Dat is wat kunst ook doet.’

Idealen en mededogen

Een van de motieven die Martin beïnvloeden, zijn de incarnaties van Christus in de literatuur en de kunst. ‘Don Quichotte, Parsifal en Dostojevski’s idioot zijn mensen die niet passen in de maatschappij en worden gedreven door idealen, compassie en mededogen. Dat triggert me.’

Aan het uitleggen van de betekenis van zijn kunstwerken heeft Martin minder behoefte. ‘Veel wat ik doe, heeft te maken met mijn kindertijd. Ik zie de logica. Anderen misschien niet. Maar ik vind niet dat ik het moet uitleggen. Er is een trend dat bezoekers van expo worden overvoerd met informatie, alsof ze zelf niet meer kunnen kijken en betekenis geven.’


Zijn kindertijd was sowieso gekleurd door kunst. ‘Ik wist al snel dat ik kunstenaar wilde worden. Sinterklaas moest niets anders brengen dan kleurpotloden.’ Hij ging nochtans geen kunstopleiding volgen, maar studeerde af als architect. ‘Ik dacht dat ik beter een serieus diploma kon behalen. Maar in het tweede jaar al wist ik dat ik het beroep nooit zou uitoefenen. Dat is vervelend, hoor. Dat kwam door Jan Hoet. Ik bezocht in 1992 Documenta in Kassel. Jan was curator. Ik zag er de videoinstallatie ‘Anthro/Socio’ van Bruce Nauman. Ik werd van mijn sokken geblazen. Toen wist ik: ‘Dat wil ik ook doen, het beeld zal mijn taal worden.’ Ik heb uiteindelijk één architecturaal project gerealiseerd: een serre bij de vader van mijn ex-lief.

Ontoereikend saldo


De keuze voor kunst was geen gemakkelijke. ‘Ik heb zeven jaar in armoede geleefd. Aan de kassa van de supermarkt staan en niet kunnen betalen omdat je saldo ontoereikend is. Ik had recht op OCMW-steun, maar ik heb die altijd geweigerd. Het was mijn keuze voor de kunst te gaan. Daarom heb ik nooit een job gezocht om comfortabeler te kunnen leven. Waarom zou ik? Ik had geen vrouw of kinderen. Niemand had er last van. Na die zeven jaar begon het beter te gaan. Ik kwam Jan Hoet tegen. Hij geloofde in mij. De eerste verzamelaars ontdekten me. Uiteindelijk leef je als kunstenaar bij de gratie van mecenassen. Het ‘Lam Gods’ was ook nooit geschilderd als Joos Vijd de gebroeders Van Eyck die opdracht niet had gegeven.’


De jaren van armoede liggen lang achter hem, al had Martin vier jaar geleden een artistieke dip toen hij door zijn Dusseldorfse galerij ‘serieus werd bedrogen’. ‘Ik heb me toen een tijd opgesloten in mijn tuinhuis. Dan hoor je het kwekken in de kunstwereld: ‘Het is gedaan met Martin.’ Het werd me kwalijk genomen dat ik niets meer deed. Mijn goede vriend Peter Goossens sprak me daar ook over aan. Maar op een dag stond de New Yorkse galerist Sean Kelly aan mijn tuinhuis. Die heeft me er weer bovenop geholpen. Kelly stelt zich familiaal op. Daar hou ik van.’
Martin moet weer aan de slag. Hij wordt boven verwacht voor de installatie van het zwaard. ‘Het is een echt, hoor. De kling is haarscherp. Je kan er een kastanjeboom mee vellen.’



‘Exit’ loopt van 7 maart tot 31 mei
in het S.M.A.K in Gent.
www.smak.be

 

 

 

 

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud