Wat kermis en golfballen met wielergeschiedenis te maken hebben

De zaal der wereldkampioenen. ©SISKA VANDECASTEELE

Beneden de eerste houten loopfiets uit 1817. Boven de gele fiets van Greg Van Avermaet waarmee hij in de Tour van 2018 als leider rondreed. En daartussen een dikke 100 jaar geschiedenis van de Vlaamse wielersport. Welkom in het museum KOERS in Roeselare.

Waar was u op 2 september 1973? Mogelijk thuis, gekluisterd aan het televisiescherm om de ontknoping van het WK wielrennen in Barcelona te volgen. Vier renners reden op kop. Eddy Merckx, Freddy Maertens, Felice Gimondi. ‘Maar wie was alweer de vierde?’, vragen we Dries De Zaeytijd, historicus en wetenschappelijk medewerker van KOERS. Museum van de Wielersport, als we een foto van Maertens passeren.

Hij denkt na, maar moet ook het antwoord schuldig blijven. Het bleek Luis Ocana. Gimondi werd wereldkampioen. Maertens had met de vingers in de neus moeten winnen, maar de overlevering wil dat
Merckx dat niet zag zitten. Gimondi profiteerde van de tweestrijd. Het laatste woord over dat WK is nog altijd niet gezegd.

We gaan doping niet uit de weg. We tonen wat mag en wat niet. In de jaren 60 mocht veel. In het strafwetboek was toen maar één pagina gewijd aan doping.
Dries De Zaeytijd
Wetenschappelijk medewerker KOERS

Maertens werd later toch twee keer wereldkampioen, in 1976 en 1981. Zijn foto prijkt daarom in de Zaal der Wereldkam­pioenen, op het gelijkvloers van het museum. De term is wat misleidend. Het gaat om een eerbetoon aan de vier wereldkampioenen die in Roeselare zijn geboren of er lang hebben gewoond. Behalve Maertens zijn dat Benoni Beheyt (1963, legendarische spurt tegen Rik Van Looy in Ronse), Jean-Pierre Monseré (1970, Leicester) en Patrick Sercu (veelvoudig kampioen op de piste). Met Odiel Defraeye telt de stad ook de allereerste Belgische Tourwinnaar.

Loop hier niet voorbij

Het museum KOERS telt honderden voorwerpen. ‘Maar deze koffer van de Luxemburgse ronderenner Charly Gaul mag je niet missen’, zegt medewerker Dries De Zaeytijd. ‘Voor mij staat hij symbool voor het wielrennen. De renners leefden vanuit hun koffer. En je ziet, die is niet eens zo groot.’

©SISKA VANDECASTEELE

Weinig steden in de wereld kunnen dat palmares voorleggen. Het was daarom geen toeval dat Roeselare in 1985 besliste een Nationaal Wielermuseum op te richten. ‘De stad heeft ook een traditie van kermiskoersen en ligt in het epicentrum van de Vlaamse wielersport. De Vlaamse Ardennen en de Kemmelberg zijn vlakbij’, zegt De Zaeytijd.

De plek was snel gevonden: het Arsenaal op het Polenplein, in 1903 geopend als brandweerkazerne en later het stedelijk museum. Het wielermuseum ging open in 1998. Na een grondige renovatie tussen 2015 en 2018 kreeg het zijn huidige naam: KOERS. De oorspronkelijke architectuur is mooi ingebed in het vernieuwde gebouw. Let vooral op het plafond met de originele elementen uit 1903.

Minuscuul schrift

KOERS telt twee grote polen: een kenniscentrum en zalen over de geschiedenis van de fiets en het wielrennen. De Zaeytijd leidt ons eerst rond in het kenniscentrum, een uit de kluiten gewassen wielerarchief. In de gang kasten met boeken en nog eens boeken. Je houdt het niet voor mogelijk hoeveel over de koers is geschreven. ‘In ons archief kan je terecht voor onderzoek. We krijgen vaak journalisten en schrijvers over de vloer.’

Het dagboekje van Lucien Vlaemynck. ©SISKA VANDECASTEELE

De collectie bestaat uit schenkingen en aankopen. Fototheek Charles Aerts, lezen we op een doos. ‘De man verzamelde wielerfoto’s. Toen hij overleed, hebben zijn erfgenamen de collectie aan ons gegeven.’ In de ideale wereld schenken wielrenners hun persoonlijk archief aan het museum. Maar dat is geen vanzelfsprekendheid. ‘Ze moeten het willen afstaan, hé. Er zijn ook fans die alles van hun idolen verzamelen.’ De Zaeytijd haalt een minuscuul schrift uit een doos. ‘Het is een dagboek van Lucien Vlaemynck. Derde in de Tour van 1939. Zijn archief ligt bij ons. Contracten, briefwisseling, trainingschema’s, dagboekjes. ‘Vandaag Parijs-Brest en terug. 735 kilometer’, lees ik hier. Prachtig, toch?’

Ook voor kinderen

Het museum telt jaarlijks (precorona) zo’n 25.000 bezoekers. Het ligt bij een knooppunt van allerlei fietsroutes. Veel fiets­toeristen houden er halt voor een drinkpauze. Het merendeel van de bezoekers is al wat ouder. Maar aan de opvolging wordt gedacht. Het museum maakt deze zomer deel uit van Schatten van Vlieg. Voor kinderen tot 12 jaar.

Voor het museum moet je eerst in de Zaal der Wereldkampioenen zijn. Over die kampioenen verneem je niet zoveel. De zaal toont vooral de geschiedenis van de fiets. Er hangen er heel wat aan het plafond. De eerste fiets dateert uit 1817, uitgevonden door de Duitse ingenieur Karl von Drais. Hij was van hout. Je kon erop zitten maar om vooruit te raken moest je je met je voeten op de grond afduwen. Een loop­machine dus.

Gelukkig volgden de uitvindingen elkaar in sneltempo op. Eerst de fiets met het grote voorwiel en het kleine achterwiel, in 1885 ontwierp John Kemp Starley de safetyfiets. Die bestond uit een driehoekig frame en twee even grote wielen. De huidige generatie fietsen, hoe gesofisticeerd ook, is nog altijd op dat prototype gebaseerd. Het museum toont de evolutie decennium na decennium.

Rodania

Van de Zaal der Wereldkampioenen gaat het naar de eerste verdieping en het kloppende hart van het museum: de geschiedenis van het rijke Vlaamse wielerleven. Als je al wat ouder bent, bestaat de kans dat je nostalgisch wordt. Zeker als De Zaeytijd op een knopje drukt en de magische aankondigingstune van Rodania door het gebouw schalt. Dat was vroeger het moment om alles te laten vallen en naar de straat te lopen. De koers was in aantocht.

©SISKA VANDECASTEELE

Maar laat je niet afleiden door de nostalgie van oude truitjes en petjes. De tentoonstelling is gedegen thematisch opgebouwd. Ze toont aan dat de koers een wezenlijk onderdeel vormt van de Vlaamse cultuur. Al vanaf 1900, toen bij iedere dorpskermis een koers hoorde. Later werd de flandrien geboren, de wielrenner als woeste volksheld die in weer en wind over gammele wegen banjerde.

‘Koers is emotie’ is een van de thema’s. Treffend wordt dat geïllustreerd met een pagina uit Het Nieuwsblad van 29 augustus 1988, met een ontredderde Claude Criquelion op de foto. Weet u het nog? Criquelion, Steve Bauer en Maurizio Fondriest snelden naar de meet van het WK in Ronse. Bauer bracht Criquelion ten val. Fondriest won. De Canadees werd net niet gelyncht. Het incident toonde ook de relativiteit van objectieve wielerjournalistiek. Je krijgt radiofragmenten uit verschillende landen te horen. De Italiaanse verslag­gevers gingen door het dak. De Vlaamse iets minder.

Sandwichman

Met de emotie kwam ook de commercie. Merckx werd een sandwichman. Hij maakte reclame voor de meest uiteen­lopende producten: verzekeringen, sigaretten, sinaasappels, frietvet. In een reclamefilmpje prijst zijn vrouw Claudine het wasmiddel Ariel aan. Het succes van het wielrennen trok steeds grotere bedrijven aan als ploeg­sponsors. Wielrennen werd big business. De rol van het toeval werd ingeperkt. Dat merk je bij het thema wetenschap. Tech­nische snufjes optimaliseerden de koersfiets. Het is straf om te zien waar het wielrennen leentjebuur speelde. De klikpedalen komen uit de skisport. Het carbon als framemateriaal is afkomstig van de helikopter. En de aerodynamische helm met zijn putjes? Geïnspireerd op een golfbal.

De wetenschap heeft ook een keerzijde: de medische begeleiding. ‘We gaan doping niet uit de weg. We tonen wat mag en wat niet. In de jaren 60 mocht veel. In het strafwetboek was toen maar één pagina gewijd aan doping’, vertelt De Zaeytijd. Een doosje Aranesp (epo) ligt achteloos in de vitrine.

Een apart deeltje in het museum is gewijd aan Jean-Pierre Monseré, een kind van de stad. In 1971 verongelukte hij tijdens een wedstrijd in Retie. De beelden van de met bomen omzoomde weg, de witte wagen die hem aanreed. De zwart-witte beelden van de begrafenis. Het land was in rouw. Monseré was de lieveling van het Belgische wielrennen. Niet zo succesvol als Merckx, wel aaibaarder.

Het museum eindigt met een fietsenstalling, twee rijen boven elkaar. Het is een zaal voor de liefhebbers. Oude fietsen uit vroege Parijs-Roubaixs, afgewisseld met fietsen van toprenners van vroeger en nu. Fabian Cancellara, Sean Kelly, Chris Froome, Lance Armstrong, de lijst is eindeloos. Eén fiets valt op: een gele. ‘Toen Greg Van Avermaet in de Tour van 2018 acht dagen in het geel reed, werd zijn fiets geel geschilderd. En kijk, die staat nu hier.’

KOERS is open van dinsdag tot zondag in het hoogseizoen, koersmuseum.be

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud