Wereldreis door de tekenkunst bij Fondation Custodia in Parijs

©Musée d'État des Beaux-Arts Pouchkine, Moscou

Je hebt je net vergaapt aan een prachtige Rubenstekening, of daar wacht Matisse of Malevich. Fondation Custodia in Parijs toont 500 jaar tekengeschiedenis in 250 werken. Uit Moskou.

Ger Luijten, de Nederlandse directeur van Fondation Custodia, kan zijn enthousiasme nauwelijks de baas. ‘Moet je dit zien, joh. Prachtig toch.’ Hij wijst aan het begin van de tentoonstelling ‘Het Poesjkin Museum, vijfhonderd jaar meestertekeningen’ naar een tekening met dansende en musicerende putti (mollige kinderen) van Albrecht Dürer. Voor we goed kunnen kijken, neemt hij ons al bij de arm naar het volgende kleinood. Luijten is bijzonder trots op zijn expo. En zeggen dat hij er niet eens zoveel moeite heeft moeten voor doen.

Je kan je niet van de indruk ontdoen dat in de tekening het ware genie van de kunstenaar schuilt. Het lijkt zo eenvoudig, maar met een paar potloodstrepen wordt vaak een intense wereld geschetst.

Het Poesjkin Museum in Moskou was vragende partij. Het museum, dat overigens niets te maken heeft met de schrijver, wilde in het Westen enige ruchtbaarheid geven aan zijn collectie. Een tentoonstelling in Parijs bij Fondation Custodia leek directrice Marina Loshak de aangewezen weg.

De stichting werd in 1947 opgericht om de kunstcollectie van de Nederlandse verzamelaar Frits Lugt te beheren. Die bevat onder meer 7.000 tekeningen en 30.000 prenten. Impressionant maar peanuts in vergelijking met het Poesjkin Museum. Dat telt in zijn collectie 27.000 tekeningen en 350.000 prenten, verworven door schenkingen, nationalisaties tijdens de Russische revolutie en transfers van andere Russische musea.

De bron was voor Ger Luijten haast onuitputtelijk. Hij koos 250 tekeningen die de geschiedenis van de tekenkunst moeten illustreren. ‘Het zijn misschien niet allemaal meesterwerken. Maar het gebeurt niet zo vaak dat je de geschiedenis van het tekenen zo uitgebreid kan bekijken.’

Oude meesters

De tentoonstelling is chronologisch opgebouwd. Ze begint in de renaissance en eindigt in de 20ste eeuw. Een handige tentoonstellingsgids (Frans en Engels) duidt iedere tekening. In de eerste eeuwen waren tekeningen vooral studies, ontwerpen voor schilderijen.

Los van de intrinsieke kwaliteit zijn ze ook van kunsthistorisch belang. Dat geldt bijvoorbeeld voor twee tekeningen van Giuseppe Cesari uit 1591-93. Ze waren studies voor een reeks schilderijen over het leven van de apostel Matteüs voor de Contarelli-kapel in de San Luigi dei Francesi-kerk in Rome.

Uiteindelijk ging de opdracht naar Caravaggio. Hij gebruikte de tekeningen eerst als leidraad maar veranderde onderweg van mening. Achteraf bekeken kun je misschien zeggen: gelukkig. De drie Matteüs-schilderijen van Caravaggio zijn drie meesterwerken, zelfs naar zijn hoogstaande normen.

De barok was de glorietijd van Rembrandt en Rubens. Een opmerkelijke tekening van de Antwerpse meester is ‘Een centaur gekweld door Cupido’ uit 1605-08. De tekening toont een marmeren beeld uit de tweede eeuw voor Christus. De sculptuur werd opgegraven toen de schilder in Rome verbleef. Rubens tekende wat hij zag: een gehavende Cupido zonder vleugels en een centaur zonder linkerarm.

De sculptuur werd in 1608 gerestaureerd en staat nu in het Louvre. Er is nog een tekening van Rubens te zien. Een voorstudie van ‘Madonna della Vallicella’ uit 1608 in rood en grijs. Maar waren alle oude meesters begenadigde tekenaars? Over die vraag moet Luijten even nadenken. ‘Johannes Vermeer maakte niet zo veel tekeningen. Er zijn er alleszins geen bewaard gebleven. Ik denk dat hij liever meteen met verf begon te kliederen.’

Genie

Je kan je niet van de indruk ontdoen dat in de tekening het ware genie van de kunstenaar schuilt. Het lijkt zo eenvoudig, maar met een paar potloodstrepen wordt vaak een intense wereld geschetst. Dat wordt duidelijker naarmate de geschiedenis vordert. Vanaf de 18de eeuw wordt de tekening een kunstvorm op zich. Dat blijkt vooral uit de evolutie op de kunstmarkt, waar vanaf 1760 tekeningen als autonome kunstwerken worden aangeboden.

Een van de absolute topwerken is ‘Twee mannen aan zee’ uit 1830-35 van de Duitse schilder Caspar David Friedrich. Hij was een van de boegbeelden van de Duitse romantiek. Twee mannen vanop de rug geportretteerd overschouwen de zee en de ondergaande zon.Het enige wat mist, is een streepje Schubert voor de ultieme Weltschmerz.

Friedrich maakte de tekening toen hij zwaar ziek was en niet meer met olieverf kon werken. Hij was in de herfst van zijn carrière populairder in Rusland dan in Duitsland. Dat verklaart zijn grote aanwezigheid in Russische musea.

Voor de kunst van de vroege 20ste eeuw moet je de trappen af naar de benedenverdieping. Wat een schoonheid tref je daar aan. Tekeningen van de grote Russen uit de avant-garde: Wassily Kandinsky, Marc Chagall, Kazimir Malevich, Alexander Koeprin. Maar ook Pablo Picasso, Fernand Léger, Paul Klee, Emil Nolde. Klein van formaat groot in de uitwerking.

Het allermooiste zijn enkele vrouwenportretten en stillevens van Henri Matisse. Het Poesjkin Museum bezit veel tekeningen van Matisse, geschonken door diens secretaresse en vriendin, de Russische Lydia Delectorskaya. Matisse portretteerde haar in een enig mooie tekening in 1945. Voor een keer schudde hij het portret niet uit zijn mouw. Hij herwerkte de tekening keer op keer, uitvegend wat hij had, om dan opnieuw te beginnen. Het resultaat is meer een karakterschets dan een figuratief portret. Echte kunst dus, zoals zo veel op de tentoonstelling.

‘Het Poesjkin Museum, vijfhonderd jaar meestertekeningen’ loopt tot 12 mei in Fondation Custodia, Parijs.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect