Terminus voor tactloze Tarantino

Als Quentin Tarantino woord houdt, heeft hij nog één film in zijn mouw. ©Getty Images

In ‘Once Upon a Time... in Hollywood’ richt Quentin Tarantino zijn camera eindelijk op de biotoop die hem al zijn hele leven voedt: de filmwereld. Met dit semifictieve portret van Hollywood laat de regisseur zich kennen als tactloos en onverschillig.

Tien films. Dat is de limiet die Quentin Tarantino (56) voor zichzelf en zijn carrière als filmmaker heeft gesteld. In principe toch. ‘Elf films is ook mogelijk, maar veel meer zal het niet zijn’, zei hij vijf jaar geleden al. ‘Ik wil geen regisseur worden die enkel regisseert omdat hij niets anders kan, omdat hij de filmset mist en omdat hij de aandacht nodig heeft om te overleven. En ik weet ook dat ik met de jaren niet scherper en capabeler zal worden. Het idee van een mooi afgerond aantal films die strak met elkaar samenhangen, spreekt me enorm aan. Voor mij telt mijn filmografie, en ik wil vermijden dat ik ooit een slechte film maak die de rest van mijn oeuvre aantast.’

Een beeld uit 'Jackie Brown', de enige keer dat de Tarantino zich baseerde op het werk van iemand anders. ©RV DOC

Als je dat oeuvre overschouwt en dan ziet dat ‘Once Upon a Time... in Hollywood’, zijn negende, de filmwereld zelf als onderwerp kiest, kun je je niet van de indruk ontdoen dat er nog een andere reden is voor Tarantino’s beperkte carrièreplannen: hij dreigt zonder brandstof te vallen. De films die hij tot nu toe heeft gemaakt, kannibaliseren telkens een specifiek genre. Gangsterfilms (‘Reservoir Dogs’), film noir (‘Pulp Fiction’), Hongkong-actie (‘Kill Bill’), horror (‘Death Proof’), oorlogsfilms (‘Inglourious Basterds’), westerns (‘Django Unchained’ en ‘The Hateful Eight’), in elk van die gevallen bracht Tarantino een hommage aan een van zijn favoriete filmsoorten. De enige titel die daar min of meer aan ontsnapt, is ‘Jackie Brown’. Het was ook de enige keer dat de cineast zich baseerde op het werk van iemand anders, in casu de roman ‘Rum Punch’ van Elmore Leonard.

Tegelijk zou het niet fair zijn Tarantino’s werk te reduceren tot louter herkauwerij. De waarheid is eerder dat cinema altijd zijn zuurstof is geweest. Hij vond op jonge leeftijd in het medium een band met zijn stiefvader, die hem vaak vergezelde naar de bioscoop. Zijn moeder zag er geen graten in dat hij naar films keek waar hij strikt genomen te jong voor was. Zo zag hij op amper zesjarige leeftijd Sam Peckinpahs gewelddadige western ‘The Wild Bunch’.

Enige toekomst

Toen hij op zijn 15de de buik vol had van school, was cinema dan ook de enige toekomst die hij voor zich zag. Hij wou oorspronkelijk acteur worden en begon lessen te volgen. Om brood op de plank te brengen, vond hij een job in een videotheek (Manhattan Beach Video Archives), en daar vrat hij zich dag na dag vol met alle mogelijke soorten films. Cinema is zijn leefwereld, het toevluchtsoord waar hij zich goed voelt en waar hij de sleur en zorgen van het echte leven kan vergeten.

Tarantino is niet alleen een vraatzuchtige filmliefhebber, hij houdt ook veel van romans, en dat merk je

Wat Tarantino siert en van de concurrentie onderscheidt, is dat hij vanaf het prille begin zijn eigen bier heeft gebrouwen met al die invloeden en ingrediënten. ‘Reservoir Dogs’ is niet zomaar een gangsterfilm, de criminelen kletsen er ook over popsongs en (uiteraard) films en televisie, maken ruzie over fooien en kibbelen over de bijnamen die ze krijgen voor ze een overval uitvoeren.

Bovendien knipoogt hij voortdurend visueel en narratief naar andere films. ‘Pulp Fiction’ doet daar op alle vlakken nog een schepje bovenop, te beginnen met een speelduur die anderhalve keer langer is. Die stijl en aanpak heeft Taran-tino negen films lang doorgetrokken, ook als ze zich in het verleden afspelen. Het is zijn manier om die verhalen met beide voeten in de realiteit te planten, maar het is ook wat spontaan uit zijn pen vloeit.

Hetzelfde geldt voor de uitgesproken literaire insteek van zijn werk. Tarantino is niet alleen een vraatzuchtige filmliefhebber, hij houdt ook veel van romans, en dat merk je. De niet-chronologische structuur, de toon en kleur van zijn dialogen, het gebruik van hoofdstukken, het komt allemaal uit de literatuur. Hij schrijft zijn scripts trouwens met de hand, naar eigen zeggen ‘omdat je geen technologie nodig hebt om poëzie te schrijven’. De jongste jaren - sinds ‘Kill Bill’ eigenlijk - zijn Tarantino’s films ook literairder geworden, en ‘Once Upon a Time... in Hollywood’ is geen uitzondering. De enige keer dat hij een film voordien zo liet drijven op de personages was ‘Jackie Brown’.

Opwinding

Als Tarantino in het verleden de cinema gebruikte als irrigatie voor zijn werk, dan put hij in ‘Once Upon a Time… in Hollywood’ uit de bron zelf. De film is een onverhulde en extreem gedetailleerde hommage aan Tinseltown, de plaats waar hij zelf ook ooit arriveerde met sterretjes in de ogen. ‘Ik herinner me nog heel goed de dag dat ik voor het eerst de bus nam naar Hollywood’, vertelde hij ooit op ‘Primetime Monday’. ‘Ik was starstruck door alles wat ik zag. Ik bevond me plots in een stad die volledig in het teken stond van mijn grote passie. Overal waar ik keek, zag ik cinema. Elke winkel, elke straathoek maakte er deel van uit. Ik kon mijn opwinding nauwelijks onder controle houden.’

Tarantino gaat compleet respectloos te werk. Hij dicht zichzelf als filmmaker goddelijke krachten toe die hem op alle vlakken vrij spel geven.

In ‘Once Upon a Time... in Hollywood’ buigt Tarantino zich over beide kanten van de droomfabriek, zowel de belofte van eeuwige roem als de nachtmerrie van de vergetelheid en desillusie die om de hoek loert. De film speelt zich niet toevallig af in 1969, een cruciaal moment in de Amerikaanse filmgeschiedenis. Het oude studiosysteem daverde op zijn grondvesten door de komst van een nieuwe generatie filmmakers, zelfverzekerde cineasten die zichzelf eerder als auteur zagen dan als een radertje in de machine en daar ook succes mee oogstten. Coppola, Scorsese, Altman, Kubrick, De Palma, de namen dwingen tot vandaag ontzag af.

Roman Polanski hoort daar zeker ook bij. De Poolse regisseur had in 1968 een gigantische hit gescoord met ‘Rosemary’s Baby’ en zijn naam lag op ieders lippen. Polanski raakte echter nauw betrokken bij een huiveringwekkende gebeurtenis die voorgoed een einde zou maken aan de onschuld die nog in Hollywood hing. Tijdens de nacht van 8 op 9 augustus 1969 drongen volgelingen van Charles Manson Polanski’s huis binnen - de regisseur was op dat moment in Londen - en slachtten er zijn hoogzwangere echtgenote Sharon Tate af, samen met vier van hun vrienden.

Die fatale avond speelt een belangrijke rol in ‘Once Upon a Time... in Hollywood’, maar Tarantino werkt er indirect naartoe. Tate en vooral Polanski zijn maar randpersonages, de hoofdrollen zijn voor twee fictieve figuren. Leonardo DiCaprio speelt een acteur die vreest dat hij over zijn hoogtepunt heen is en aan de drank zit. Brad Pitt steelt de show als de zelfverzekerde stuntman/chauffeur/rechterhand die DiCaprio in al zijn broosheid blijft steunen. Het toeval wil dat DiCaprio’s personage in het huis naast dat van Polanski en Tate woont, en het is zijn grote droom dat de poort naar die villa op een dag zal openzwaaien, dat hij uitgenodigd zal worden in het heilige der heiligen en dat zijn carrière weer zal opstijgen.

Talenten en gebreken

Tarantino demonstreert in ‘Once Upon a Time... in Hollywood’ nog maar eens waar zijn talenten liggen, maar ook wat zijn gebreken zijn nu hij ongehinderd zijn zin mag doen. Individuele scènes - Pitts bezoek aan de ranch waar de Manson Family zich ophoudt, DiCaprio’s gesprek met een hyperprofessionele jonge actrice, de ruzie tussen Pitt en Bruce Lee - spatten van het scherm, maar het geheel mist drive en trappelt te veel ter plaatse.

Het valt ook op hoe weinig Sharon Tate voorstelt als personage. Je kunt opperen dat ze dienstdoet als verpersoonlijking van de onschuld die met haar verdween en dat ze daarom weinig meer doet dan dansen, lachen en mooi zijn. Een vrouw van vlees en bloed is ze echter niet.

Tarantino heeft dat trouwens ook begrepen. Toen een journaliste hem op de persconferentie op het festival van Cannes vroeg waarom actrice Margo Robbie zo weinig dialogen heeft in de film, maakte hij er zich nog van af met een kribbig ‘Ik verwerp je hypothese’. Alleen blijkt Sharon Tate in de bijgeschaafde versie die nu in de zalen komt plots meer te doen te hebben. Zo onterecht was de stelling van de journaliste dus niet.

Veel onvergeeflijker is dat Tarantino zich het recht toe-eigent om Tates drama te herleiden tot voer voor vrolijk entertainment. Zonder te verklappen hoe ‘Once Upon a Time... in Hollywood’ uitdraait, kun je stellen dat Tarantino compleet respectloos te werk gaat. Hij dicht zichzelf als filmmaker goddelijke krachten toe die hem op alle vlakken vrij spel geven. Om het cru te stellen: de enige regisseur die deze versie van het verhaal zou mogen vertellen, is Polanski. Tarantino zal wel opwerpen dat de climax van zijn film symbolisch en cathartisch bedoeld is, maar in werkelijkheid ruikt hij naar goedkoop en reactionair opportunisme.

Als Tarantino woord houdt, heeft hij dus nog één film in zijn mouw. Hij heeft al laten verstaan dat hij flirt met het idee om een ‘Star Trek’-film te maken, maar het zou niemand verbazen mocht hij dat avontuur dan beschouwen als een zijsprongetje om vervolgens af te sluiten met een echte Laatste Film. Die zal echter sowieso niet het definitieve afscheid zijn. ‘Ik ben in de eerste plaats schrijver’, zei Tarantino aan de filmjournalist Peter Travers. ‘Ik kan toneelstukken schrijven en regisseren. Ik kan romans schrijven. Of boeken over cinema. En vooral: ik wil eindelijk eens beginnen aan de rest van mijn leven.’

‘Once Upon a Time… in Hollywood’ speelt vanaf 14 augustus in de bioscoop.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect