'Film is kunst én commercie'

Voormalig Knack-coryfee Patrick Duynslaegher leidt vandaag het Filmfestival Gent: 'Film is voor mij iets permanent educatiefs. Ik leer de wereld erdoor begrijpen.'

Het was 'an offer he couldn't refuse'. Iets meer dan een jaar geleden verruilde filmcriticus Patrick Duynslaegher de journalistiek voor het Filmfestival Gent. Vanavond start 'zijn' eerste editie. Een gesprek over zijn liefde voor cinema, onze 'attention span' en de Vlaamse film.

In mei zwierf Patrick Duynslaegher (59) voor het eerst in bijna veertig jaar zonder perskaart rond op het Filmfestival van Cannes. 'Dat was wennen. Met mijn perskaart kon ik bijna overal gratis binnen. Geen al te lange wachtrijen, geen gedoe. Nu moest ik als programmator haast overal reserveren. Ik voelde me een tweederangsburger. (lacht) Journalisten hebben een verdomd goed leven.'

Maar spijt heeft de voormalige filmcriticus en hoofdredacteur van het weekblad Knack Focus niet van zijn overstap van de journalistiek naar het Filmfestival Gent, ruim een jaar geleden nu. Duynslaegher ziet één glasheldere parallel tussen de twee. 'Ik mag nog steeds mijn passie voor film bij de mensen overbrengen. Alleen waren die mensen vroeger lezers, terwijl het nu festivalbezoekers zijn.'

Zijn passie voor film bracht de kleine Duynslaegher eind jaren zestig via zijn vader bij Jo Röpcke, die hem op zijn beurt in 1972 bij het weekblad Knack introduceerde. Röpcke was een collega van zijn vader bij de openbare omroep. Duynslaegher senior maakte als graficus tekeningen, karikaturen en landkaarten voor de nieuwsdienst. Als kind ging hij vaak mee met zijn vader. 'Daar, in de pakketboot op het Flageyplein (waar de openbare omroep was gevestigd, red.), is mijn fascinatie voor het beeld ontstaan.'

'Mijn liefde voor cinema dank ik aan mijn moeder. Als kind was ik tamelijk onhandelbaar. Ik speelde niet graag op straat, hield niet van sport. De beste manier om me te kalmeren, was me in een filmzaal te zetten. Mijn moeder werkte als ouvreuse in wijkbioscopen in het Gentse. In die tijd stapten mensen nog in het midden van een film de zaal binnen. Mijn moeder begeleidde bezoekers met een lampje naar hun stoel. Ik ging vaak mee. Soms zag ik drie, vier films op één dag.'

Taboebreker

In een van die wijkbioscopen zag hij op zijn elfde zijn eerste Bond-film: 'Goldfinger.' 'Als je zoals ik uit een bescheiden milieu komt, maakt Amerikaanse cinema een grote indruk. Die huizen met zwembaden, de kleurrijke decors, de grote auto's en badkamers: het stond allemaal ver van ons bed. Cinema was een soort droomfabriek. Mensen gingen in die tijd niet naar Amerika. Inmiddels zijn we allemaal veramerikaniseerd.'

'Film is voor mij iets permanent educatiefs. Ik leer de wereld erdoor begrijpen. Film heeft voor mij deuren geopend die anders dicht waren gebleven. In mijn overgang van adolescentie naar volwassenheid was het een belangrijke taboebreker. Films als 'Bonnie and Clyde', 'The Wild Bunch' van Sam Peckinpah, 'Satyricon' van Fellini en 'Teorema' van Pasolini waren van levensbelang voor mijn persoonlijke ontwikkeling.'

'In de jaren zestig en zeventig was film de alleenheerser in entertainment en beeldcultuur. Die positie is film kwijtgeraakt. Helemaal. Vandaag worden mensen van 's morgens tot 's avonds met beelden geconfronteerd. Op hun smartphone, in commercials, op het internet, op televisie, in andere kunstvormen. Begrijp me niet verkeerd: ik vind dat allemaal zeer boeiend. Máár... Mensen zijn ongeduldig geworden. Hun attention span wordt korter en korter.'

Loopt de film als 'medium' daardoor gevaar? Films zijn niet korter geworden, integendeel. 'Zo'n Amerikaanse blockbuster duurt tegenwoordig inderdaad zelfs langer dan twee uur. Maar we hebben een ander soort cinema gekregen, gebaseerd op instantbevrediging. Cinema als pretparkattractie: een opeenstapeling van prikkels en gewaarwordingen. Technologisch is het ongetwijfeld verbluffend. Helaas zijn door de spektakelzucht van Hollywood kwaliteiten in de verdrukking gekomen die film voor mij en veel cinefielen de moeite waard maken, denk aan de suggestie of de evolutie van personages.'

Het sleutelmoment voor die spektakelzucht, zegt Duynslaegher, was 'Jaws' uit 1975. Een meesterwerk, en bovendien de allereerste zomerse blockbuster. De planeet voelde de naschokken van de eerste oliecrisis. De Hollywoodstudio's hadden eindelijk een economische formule beet die toeliet in weinig tijd grof geld te verdienen. In de jaren tachtig enterde Wall Street vervolgens Hollywood. Gevolg: elke film moest de vorige verpletteren. Greed was good. Duynslaegher, verontwaardigd: 'Akkoord, film is kunst én commercie. Maar het is niet de box office die een film de moeite waard maakt. Het is wat hij voor iemand betekent, verdorie!'

Compromis

Daar is hij eindelijk. Duynslaegher, de cultuursnob. De Hollywoodhater. De querulant die een film alleen goed vindt als er vijf mensen naar gaan kijken. Het is een beeld dat aan de Gentenaar kleeft. Maar het klopt niet. Hij is gek van James Bond, de Pink Panther-serie van Blake Edwards, de Batman-films van Tim Burton en Christopher Nolan, het halve oeuvre van Steven Spielberg. Laurel & Hardy noemt hij 'grote kunstenaars'. Als hoofdredacteur heeft Duynslaegher meer dan één commerciële film op de cover gezet. En ook nu, als artistiek directeur van het Filmfestival Gent, koppelt hij 'de beste arthouse cinema aan de beste commerciële cinema', zoals hij het zelf omschrijft.

Selecteerde hij voor zijn eerste volwaardige festival films die hij als criticus zou hebben afgebrand? Hij ontwijkt de vraag. Of toch niet helemaal. 'Als recensent kan je strenger zijn, in die zin dat je je smaak kan laten prevaleren. Als festivalorganisator moet je ruimer gaan. Ik beschouw het niet als een compromis dat ik nu dingen moet tonen die daarom niet mijn cup of tea zijn, maar die op een of andere manier belangrijk zijn of aanhangers hebben. Ik ben wel wat gewoon. Ik heb als hoofdredacteur de eerste Harry Potter-film op de cover gezet, terwijl ik dat vreselijke cinema vond.'

Geen dwarskop dus. Maar wat met die andere alias? Puynslaegher. De slachtoffers van zijn scherpe pen zijn talrijk. Duynslaegher kon vilein en giftig tekeergaan in zijn recensies, maar altijd met stilistische precisie. Vooral de Vlaamse film moest het lang ontgelden. 'De Vlaamse boerenfilm, ja. Vreselijk vond ik dat. Als ik dan weer zo'n film in de grond had geboord, kreeg ik te horen: 'Ja maar, voor de Amerikanen is de western hún boerenfilm.' Dat klopt, maar het ging me om hoe ze bij ons gemaakt werden: het gevloek, de slechte verhalen.'

'De Vlaamse film was ook totaal geen afspiegeling van de werkelijkheid. In de jaren zeventig verschenen in Frankrijk of de VS films die de vinger aan de pols hielden. Dat miste ik in Vlaanderen. En dan durfde ik wel eens lelijk tekeer te gaan, ja. Ook omdat ik me stoorde aan de teneur dat je de Vlaamse film zogezegd zachter moest behandelen. Dat vond ik onzin. Als er een goede Vlaamse film uitkwam, schreef ik dat ook. Harry Kümel vond ik top. Robbe de Hert heeft verdienstelijke dingen gedaan. De eerste film van Marc Didden was goed. Ook over Dominique Deruddere heb ik positief geschreven. Enfin, over zijn eerste twee films toch.'

BV-cultus

Sommige Vlaamse cineasten hielden hoe dan ook hun hart vast toen hij naar het Filmfestival overstapte. Maar de vrees dat 'Puynslaegher' makers van eigen bodem zou weren, is ongegrond. Liefst negen titels uit het Filmfestival-programma zijn Vlaams.

Over de nieuwe wind die door de Vlaamse cinema waait, is al veel inkt gevloeid. Duynslaegher houdt het bij een samenloop van factoren. 'Er is onder meer het Vaf onder leiding van Pierre Drouot: een zeer bezielende figuur die zijn metier kent. Hij zit niet in een ivoren toren, staat dicht bij het veld. Zijn voorganger Luckas Vander Taelen had dat veel minder. En de tax shelter heeft ook veel mogelijk gemaakt, financieel dan.'

Maar films maken begint met talent. Er is een generatie opgestaan die tabula rasa heeft gemaakt. Ze gaat vanzelfsprekender met het medium om, zegt Duynslaegher. 'Film heeft lang aan een soort klagersmentaliteit geleden: 'Er is geen geld, dus we kunnen geen films maken.' Tegenwoordig worden met weinig geld goede Vlaamse films gemaakt. Je mag de rol van de omroepen ook niet onderschatten. Er is de jongste tien jaar uitstekend tv-drama gemaakt, zowel op de VRT als op VTM. (denkt na) Wellicht lag het breekpunt zelfs veel vroeger in de omroepgeschiedenis: bij de intocht van de BV-cultus. Mensen begonnen nieuwsgierig te worden in dingen van bij ons.'

Horen we hem nu zeggen dat de komst van VTM een zegen was voor de Vlaamse film? Hij grinnikt. 'Indirect wel, ja. Maar ik zeg er nadrukkelijk bij: wat als negatief wordt beschouwd, heeft altijd iets positiefs.'

 

Het Filmfestival Gent loopt van 9 tot 20 oktober op verschillende locaties in Gent.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud