reportage

Mijnverleden is zelfs ons verleden

©Jo Struyven

Er is een reden waarom al die terrils rond Charleroi en Luik liggen, en dat wil fotograaf Jo Struyven tonen. In Le Bois du Cazier loopt enFER, een tentoonstelling van zijn industriële portretten van gebouwen en het landschap. En dus zo van de mens.

Op oude foto’s in het boek ‘Charleroi entre noir et blanc’ van Clemens Schuelgen zie je Café de l’Espérance en café La Belle Vue. Ze schonken er Haacht en Jupiler. Ze zijn ongetwijfeld weg nu, zoals zoveel in deze oude mijnstreek, maar als we achter fotograaf Jo Struyven naar de terril van Bayemont Saint-Charles rijden, valt Garage L’Espoir op. Niet alle hoop is dus verdwenen in deze donkere streek.

Schreven we donker? Ach, al die clichés. Natuurlijk word je niet vrolijk op de laatste dag van september, die wolken in alle variaties van grijs geeft, en de drie vuile paarden in de modder bij de Ranch du Terril vrolijken je niet op. Maar aan onze kant van de taalgrens was het vanochtend niet zonniger en er is ook troost. Boven is het uitzicht wonderbaarlijk mooi en het infobord beneden wijst op verse begroeiing, vlindertjes en de aanwezigheid van de crapaud calamite: de rugstreeppad. De natuur neemt weer over. Is dat donker?

‘En kijk.’ Jo Struyven, jurist en dus eigenlijk ‘fotograaf in bijberoep’, wijst naar de HF4. Dat is de laatste hoogoven van Marcinelle. Hij staat prachtig in het industrieel archeologische decor daar beneden, maar hoelang nog? ‘Jean-Louis Delaet (directeur van Le Bois du Cazier, red.) werkt er keihard aan om de HF4 te redden. Denk aan Zollverein in Essen, waar Rem Koolhaas mee aan de slag ging. Je kan aan zo’n gebouw enkel een culturele bestemming geven en natuurlijk kost dat veel geld. Maar zou in Charleroi geen Bilbao-effect kunnen ontstaan? En hoe moet je, als al die oude mijngebouwen afgebroken worden, aan de jeugd en volgende generaties uitleggen waarom al die terrils hier liggen?’

Zou er in Charleroi geen Bilbao-effect kunnen ontstaan als ze een culturele bestemming geven aan de laatste hoogoven van Marcinelle?

Dat laatste zinnetje heeft Struyven deze voormiddag al een paar keer gezegd. Dat het een mantra is, zou overdreven zijn. Zeker geen cliché. Misschien is het een missie en vooral is het zijn onderschrift bij de ongeveer zestig foto’s die in lichtbakken getoond worden in de machinehal van Le Bois du Cazier. Omdat die naam hier al enkele keren viel: dit is de site waar op 8 augustus 1956 brand uitbrak in de mijn. 262 doden vielen er, heel veel Italianen waren daarbij, het was een ramp die de geschiedenis veranderde. De migratie vanuit Italië stopte, die vanuit Turkije en Marokko werd gestimuleerd. Onwillekeurig was het misschien zelfs een eerste stap naar het einde van de mijnindustrie in ons land.

‘In Limburg sloot de laatste mijn in 1992, maar hier gebeurde dat veel vroeger’, zegt Struyven. Marcinelle tekende het hele land en zo werd het mijnverleden ook ons verleden. Dat laatste zie je trouwens op zijn foto’s. Er loopt een spoorlijn door Charleroi en dat is eigenlijk de Noord-Zuid-verbinding. ‘Tienduizenden Vlamingen kwamen hier werken en velen van hen trokken ’s avonds terug naar huis om onder hun kerktoren te slapen. Door die treinverbinding kon dat. Al zie je, bijvoorbeeld op de kerkhoven, nog veel Vlaamse namen.’

Plechtige communie

Struyven, 59 en van Sint-Truiden afkomstig maar al lang in Brussel wonend, begon te fotograferen toen hij twaalf was. In de plaatselijke fotoclub met een toestel dat hij voor zijn plechtige communie kreeg. Maar fotografie studeren, dat mocht niet. ‘Ik kom uit een bourgeoismilieu.’ Bij de overgang van analoog naar digitaal haakte hij even af, maar dan hernam hij zich. Zijn fascinatie voor de mijnstreek en de industrie rond Charleroi en Luik begon in het noorden van Frankrijk.

Mijn foto’s zijn portretten van het landschap die ook veel zeggen over de mensen.

Struyven, die eerder vanop een rubberbootje de Belgische kust fotografeerde met als resultaat een boek en een 65 meter lange foto in De Panne, zag ooit in het Noord-Franse Leffrinckoucke de site van Ascometal. Dat beeld dreef hem naar Ougrée, een deel van Seraing bij Luik, vlak bij het fiere Sclessin van Standard. Maar ook waar Cockerill-Sambre huisde. Dat fotograferend, vanop de kade naar de andere oever, bleef Struyven rondcirkelen bij die oude industriële sites. Eerst in en rond Seraing, dan richting Charleroi. ‘Het verschil zie je zo’, toont hij. ‘De sites in Seraing kun je fotograferen vanop het standpunt van de Maas. Heel frontaal. In Charleroi lukt dat niet. Daarvoor had ik de hoogte nodig en moest ik de terrils op.’

Aan de monumentaliteit van zijn beelden verandert die opstelling niet zo veel. Struyven fotografeerde, monteerde en veegde weg. ‘Graffiti op gebouwen heb ik vaak weggekuist. Veel Vlamingen hebben een a priori over de industrie hier, ik wilde dat resetten. Ik noem mijn foto’s portretten. Vaak zijn het samengestelde beelden van vijf foto’s. Maar het zijn portretten van het landschap die ook veel zeggen over de mensen.’

Verbluft kijk je inderdaad naar de mix van industrie, economie, sociaal weefsel en zelfs de kerk. De oude arbeiderswijken omringen de sites. Soms, zoals op de foto bij dit verhaal, ligt er een terril - een berg die ontstond uit steenafval dat uit de mijn gehaald werd - in de mensen hun tuin. Een foto uit Lodelinsart is dat, we zien de cokerie van Carsid, Struyven fotografeerde vanop de terril van Sacré-Français. Elke terril heeft zijn eigen naam. Ze heten St-Théodore, Boubier, Bayemont Saint-Charles, Blanchisserie, Bois du Cazier natuurlijk. Sommige laten zich makkelijk bestijgen, andere vereisen goede schoenen en een betere conditie. Wat ze bindt, is het overzicht.

Op de stad, op de premetrolijn van Charleroi, op woningen met schommels in de tuintjes en duivenkoten, op het verleden, op andere terrils. Ook rond Luik zie je ze. ‘Bernd en Hilla Becher (een Duits fotografenkoppel, allebei overleden nu, red.) fotografeerden oude industriële gebouwen, met hun foto’s wilden ze er letterlijk beelden van maken. Maar zelf ben ik vooral geïnspireerd door Peter Weller, een voorganger van de Bechers. Zijn foto’s van die gebouwen waren meer landschappen en landschappen zijn uiteindelijk de expressie van politieke, sociale en economische keuzes. Ze blijven overigens veranderen, en zachtjes wint de natuur weer terrein en neemt ze de bovenhand. Dat zie je op veel van mijn foto’s.’

De hel

Tussen de lichtbakken met zijn foto’s lopend valt dat op. Struyven kreeg de vraag om te exposeren in dit oude mijngebouw en de expo heet ‘enFER’, een woordspelletje waarin ijzer en de hel en dus staalindustrie en mijnbouw samenkomen. Hij toont ‘La Wallonie industrielle à la carte’, een overzichtskaart met de activiteit van lang geleden in de regio. ‘Toen ik die kaart voor het eerst zag, viel ik achterover. Ik had totaal geen vermoeden dat er ooit zoveel fabrieken waren. Tussen 1830 en 1880 was België nummer 2 van de industriële landen. Nu is heel veel weg en die terrils, die ik bijna allemaal beklom, zijn daar dan de getuigen van.’

Bij een van die tochten hoorde hij boven op zo’n berg beneden een ijskar tingelen. ‘Als je die kleine huisjes ziet, met een nokbreedte van soms maar 3,80 meter en één raampje, denk je: hoe kun je daar leven? Ik heb een grote belangstelling voor architectuur, maar daar zou je bijna alcoholicus worden. Blijf daar maar eens in je ‘kot’. Tijdens de lockdown zag je dat die terrils voor veel mensen hun uitweg waren. Hier konden ze wandelen. Maar die ijskar deed me denken aan kindergeluk. Dat is er dus ook nog. (glimlacht) Al hoorde ik het wijsje van de ijsverkoper. Hij speelde ‘Mister Sandman, bring me a dream.’ Dat zei wel wat.’

Wegrijdend uit Charleroi vallen op een groot gebouw nog grotere letters op die samen het woord BISOUS vormen. Een erfenis van de lockdown misschien. Of kussen van al die duizenden mijnwerkers die stierven in de mijn. Van corona was toen geen sprake, maar ook stoflongen leidden tot een vreselijke dood. ‘enFER’ is de best mogelijke titel voor deze foto’s die daarvan getuigen.

‘enFER’ van Jo Struyven is vanaf vandaag tot 6 december te zien in Le Bois du Cazier in Charleroi.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud