‘Schoonheid is niet langer belangrijk'

Palm Springs, The Kite, 2018. ©©ERWINOLAF_CourtesybyFlatlandGallery

Hij was acht toen z’n mama een gouden lepeltje won voor een verhaal dat ze naar het damesblad Margriet stuurde in de rubriek ‘Goud voor uw brief’. Ze schreef hoe Erwin Olaf protesteerde toen ze zijn broertje uit bad haalde. Erwin had zelf eerst groente, peper en zout bij zijn broertje in bad gegooid. ‘Je haalt het vlees uit mijn soep!’, brieste hij.

Toen al was de verbeelding van de bijna 60-jarige fotograaf groot. En wie zijn dubbeltentoonstelling in Den Haag bezoekt, weet dat dat zo is gebleven. Met succes: de expo’s werden verlengd tot half juni. Deze week opent in Parijs ‘Palm Springs’, recent werk. Vanaf 3 juli hangen twaalf foto’s in het Rijksmuseum in Amsterdam en nu woensdag praat hij erover tijdens De Donkere Kamer in het Concertgebouw in Brugge. Bij Hannibal verscheen een prachtig overzichtsboek.

We bellen hem. Dat is onze fout, we waren welkom in Amsterdam, maar soms beslist het leven anders. ‘Ach, misschien wel beter zo’, zegt hij dan. ‘Ik ben erg verkouden en dan ben ik altijd chagrijnig. (schatert) En ik word er met ouder worden al niet vrolijker op.’

Is dat zo?
Erwin Olaf: ‘Ach, nee. Het leven wordt alleen leuker. Ook al overleed mijn moeder vorig jaar en bracht dat verdriet. Nu ik het getal 60 zie naderen, komt ook mijn dood dichterbij. Je telt toch wat minder mee. In ‘Palm Springs’ zit een zelfportret waarop ik met een cocktail in de hand aan een zwembad sta. Een jongeman zit erin. Dat water staat voor mij symbool voor de onoverbrugbaarheid: de jeugd is verderaf.’

Op 2 juli wordt de fotograaf, die sinds zijn 38ste aan longemfyseem lijdt, dus zestig. Het is een ziekte die hem langzaam achteruitduwt. Dat is een belemmering, geeft hij toe: ‘Maar ik probeer me erop te organiseren. Je moet er intelligent mee omgaan. Vliegen is heel vervelend, maar het is noodzakelijk. Gelukkig leven we in deze tijden: er zijn elektrische fietsen en ik hoop straks een elektrische step mee te mogen nemen op het vliegtuig. Maar als ik in de spiegel kijk, word ik natuurlijk sad. Het is altijd daar. Gaat de deurbel en wil ik rennen om open te doen, is die confrontatie er: je kán niet meer rennen, man.’

U zegt dat u minder gaat meetellen, maar professioneel is dat toch helemaal niet zo. U staat aan de top.
Olaf: ‘Het lijkt wel of er een sprong is gemaakt. Documentaire fotografie was lang de tendens, door de Becher Schule. Nu plots is er ruimte voor de geënsceneerde fotografie en dat zie je in Den Haag: 200.000 bezoekers, een derde druk voor het boek en ook in het Engels, Frans en het Duits zijn er al tweede drukken. Ik kon nooit fotograferen met het idee dat ik de wereld zou veranderen met mijn werk. Ik begon wel als journalist, schrijvend. Maar toen ik begon te fotograferen, borrelde mijn fantasie over. De documentaire fotografie sloeg ik over. Weg met de werkelijkheid, dacht ik. Daar was ik nooit fan van.’

Door welk beeld wist u dat niet blijvend met fotojournalistiek zou bezig zijn?
Olaf: ‘In 1978 ging ik met een vriend naar Parijs en vlak bij Centre Pompidou kocht ik een ansichtkaart van een foto van Weegee in zwart-wit. Daarop stond een travestiet die uit een gevangeniswagen stapt. In die foto zat zoveel sensatie. Zulke foto’s hoopte ik ooit te kunnen maken.’

Vorig jaar kocht Olaf een vintage print van dat beeld van Weegee. Daar betaalde hij 12.000 dollar voor: dat kon. In die vier decennia werd hij de fotograaf die hij is: met een eigen signatuur, grote geënsceneerde beelden. Toch een wereld die niet losstaat van de echte. Een reeks werd een commentaar op 9/11. Andere foto’s op de aanslagen op de Bataclan in 2015. ‘Dat zijn startpunten’, zegt hij. ‘Maar kunst kan soms te pamflettair zijn. Ik ben tegen racisme en ik reageer op 9/11, maar ik wil niet dat je dat allemaal metéén ziet. Je mag denken. Ik was onlangs in het Met in New York: Rothko en Miro laten je ook denken.’

Maar de schoonheid die u creëert, is niet vrijblijvend.
Olaf: ‘In het boek staan jaartallen bij de foto’s, anders kijk je alléén maar naar een mooie foto. Maar wat is, sinds de komst van de smartphone, nog het belang van schoonheid? Die is toch totaal onbelangrijk. Elke dag worden 1 miljoen mooie foto’s gemaakt. Wij kunnen alleen verschil maken door te laten nadenken.’

Kan werk van Rothko en Miro u inspireren?
Olaf: ‘Meer dan fotografie, daar houd ik me ver van af. Stephan (Vanfleteren, red.) is voor mij de beste portrettist van Europa. Als ik daar te veel naar kijk, bestaat het gevaar dat ik het ga namaken. Of toen ik zijn ‘Atlantik Wall’ zag, dacht ik: ‘Verdomme, dat had ik zelf willen doen.’ (lacht) Voor mijn serie ‘Palm Springs’ liet ik me wel inspireren door het kleurenpalet van Gordon Parks, maar het werd geen serie à la Gordon Parks. Voor de zwembadfoto was David Hockney wel een trigger en ook advertenties inspireren me.’

Straks hangt u in het Rijksmuseum. Is dat het ultieme?
Olaf: ‘Ik ben een kind van Nederland, de Gouden Eeuw werd erin gepeperd. Thuis lagen boeken van Anton Pieck, maar ook van Rembrandt. Ik ga twaalf foto’s van mezelf linken met schilderijen uit de collectie. Het jeugdige zelfportret van Rembrandt koppel ik aan een foto die ik in 1985 maakte van een jongen met een dameshoedje. Natuurlijk is dit een hoogtepunt in mijn leven.’

Uw boek draagt u met een eenvoudige ‘Voor ma’ aan uw moeder op. Het Rijksmuseum maakt ze niet meer mee.
Olaf: (lachend) ‘Ze had me daar vast voor de voeten gereden met haar rolstoel. Ach, ze vond natuurlijk alles goed. Al zag ik haar ooit de tekst naast een foto van mijn erectie lezen met haar duim op de gevoelige plek: die moest ze niet zien. Maar je fotografeert natuurlijk niet met 200.000 bezoekers in je hoofd. Je werk maak je altijd voor familie en vrienden. Al herinner ik me de kick toen in 1988 voor het eerst iemand een foto uit mijn reeks ‘Chessmen’ kocht. 300 gulden kreeg ik ervoor.’

Een goede investering. Uw foto’s kosten vandaag duizenden euro’s.
Olaf: ‘En toch ben ik altijd teleurgesteld als ik op de online kunstveiling Arnet kijk.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect