reportage

Vogelkijken is een hobby voor het leven

©Siska Vandecasteele

Mei is voorbij, alle eieren zijn nu wel gelegd. De trekvogels zijn ook terug en liefhebbers bewonderen de blauwborst, de kuifduiker en de Cetti’s zanger. Vogels zijn in. Kijk maar in de boekenwinkel. ‘Je moet een beetje freak zijn.’

Zo kon het zijn. Zoals een film - en de generiek - begint met muziek, kan ook een verhaal dat doen. En als dat verhaal over vogels gaat, dan past ‘El Cant dels Ocells’ van Pablo Casals. YouTube wijst u de weg.

Zo vlieg je mee, ver weg, door luchtstromen en over wouden, Pyreneeënpieken en droge Afrikaanse woestijnen, zomaar naar een vijver bij Lier. Daar land je, je bent een grote aalscholver, en al elf jaar kies je dezelfde tak. Vanwaar hij komt? ‘Geen idee’, zegt Gerald Driessens. ‘In oktober landt hij, in april is hij weg.’

Zo kon het ook zijn. Je stapt vandaag de boekenwinkel binnen en een mooie tafel ligt vol vogelboeken. Dat is niet eens zo gek, we leerden allemaal dat onze taal begon met ‘Hebban olla vogala’. Je koopt je arm. ‘Spotvogels’, van Jean-Pierre Geelen en Saskia van Loenen. ‘Het lange voorjaar’ van Laurence Rose. ‘Vogels, vlinders en andere vliegers’, gedichten van Hans van Pinxteren. ‘Nederlandsche Vogelen. 1770-1829’, van Nozeman en Sepp. Je laat nog veel liggen: ‘Grenzeloos vogels kijken’, ‘An Urban Birdwatching Logbook’, ‘Fraaie vogels’ (een ‘press-out vogelboek’), ‘Vrolijke vogels’.

Kanoetstrandloper

Je wist het niet toen je binnenstapte, maar nu dus wel: je bent in de ban. Alleen al van die namen. Alkstormvogeltje, bruine raafkaketoe, kanoetstrandloper, leikleurige musgors, witte roepie roepie of zwartkoprietzanger. ‘Extra bonuspunten: tortelkoekoeksduif’, lees je in het zeer geestige boekje ‘Spotvogels’. ‘Viermaal woordwaarde!’

Het onvoorspelbare vind ik vooral zo leuk. Ik zag dit jaar de eerste huiszwaluw van België.
Koen Leysen, lesgever bij Natuurpunt

En zo beland je op een avond in Hoeve Dieseghem in Mortsel op de cursus ‘Vogelzang in het bos’. Eerst praat je, op een bankje buiten, nog even met lesgever Koen Leysen. Hij weet nog dat hij in 1968, toen hij 9 was, voor het eerst een vogel waarnam. Met zijn vader was hij naar Tessenderlo gereden om de notenkraker te zien. ‘Voor België was dat een zeldzame vogel, hij kwam uit Siberië, maar toen was er een invasie. De laatste invasie in West-Europa.’

51 jaar later werkt Leysen bij Natuurpunt. Terwijl we praten, zegt hij: ‘Hoor, een merel. En een roodborstje.’ De leek hoort alleen fwiet-fwiet, of een variant. ‘Vogelkijken is een hobby voor het leven. Het onvoorspelbare vind ik vooral zo leuk. Ik zag dit jaar de eerste huiszwaluw van België. Die gaf ik dan in op waarnemingen.be. Het geheim zit ’m in het feit dat je niets onder controle hebt. Je kan nooit zelf bepalen wat je gaat zien of horen.’

Fwieeeet. ‘Als ik me soms niet zo goed voel, maar ik weet zelf niet waarom, dan kom ik er al snel achter: ah, je moet wat naar de vogels gaan kijken. Dat hoor ik vaker.’

Volle agenda

Deze avond is bijzonder omdat niet Natuurpunt de cursus organiseert. Dat doet de Dienst Vrije Tijd van de stad Mortsel en dat gebeurt niet zomaar. ‘Het boomt geweldig’, zegt Koen. ‘Mijn agenda voor 2020 zit al voor twee derde vol. Per jaar zijn dat 100 à 130 lesmomenten. En ik doe dat graag. (met de lach van de grap die hij graag vertelt:) Conscience leerde zijn volk lezen, ik wil graag de geschiedenis ingaan als de man die zijn volk leerde vogelen.’ Het licht wordt wat gedimd, dit is de eerste van twee theoretische avonden, nadien volgen nog twee vogelwandelingen buiten.

Leysen heeft meer grapjes. Als snel de gsm van een cursist afgaat, zegt hij: ‘Dat is het geluid van de Proxi-mus.’ Als hij de groene specht laat horen, een vogel met een zang die op een lach lijkt, zegt hij: ‘Ooit zei een cursist me dat zijn schoonmoeder ook zo lacht.’ En volgens Koen is het aan de grote bonte specht te danken dat we op een dag televisie via de kabel kregen. ‘Ooit had de grote bonte specht de antennes op onze daken ontdekt. Dat was niet meer houdbaar.’

©Siska Vandecasteele

Schedelbreuken

Er wordt vanavond veel over spechten geleerd. Het zijn vogels met een ingebouwde speciale ophanging van de snavel zodat ze bij het tokken zelf geen schedelbreuken oplopen. De groene specht weegt 180 gram, de grote bonte specht 90. De roffel heeft overigens geen functie om gaten in bomen te boren. ‘Het is hun zang, zoals een andere vogel op zijn manier zingt. Het heeft met territoriumafbakening te maken.’ De kleine bonte specht weegt 22 gram. En, ja: er is ook een middelste bonte specht. ‘60 gram en een nieuwkomer in onze contreien’, zegt Koen. ‘Vroeger moest je naar Noord-Rusland om hem te zien. De eerste bij ons werd in Vlaams-Brabant gespot.’

Gek genoeg is er nog een specht, de zwarte, 300 gram. In 1924 broedde hij voor het eerst in Vlaanderen. Nu zitten er tussen 650 en 1.050 broedparen en typisch is dat ze dat broeden doen in een ovalen hol in een boom. Waarom ovaal? ‘Waarom-vragen zijn altijd de moeilijkste in de natuur’, zegt Koen. ‘Wellicht omdat hij groter is en zijn bocht moet kunnen pakken als hij de boom inkruipt.’

We zien filmpjes, we horen geluiden, roffel-roffel-roffel en toch ook fwiet-fwiet. Nouni van Arnhem, een 27-jarige Antwerpse, is met de fiets naar Mortsel gekomen. Ze woont graag in de stad, in ’t stad moeten we eigenlijk schrijven, maar daar is zo weinig natuur en je hoort geen vogels meer over het lawaai van al die stadsmussen. ‘Toevallig las ik onlangs ‘De Vogels’, een boek van Tarjei Vesaas, over iemand die in het bos woont. Een boek dat me verwonderde. Even later woonde ik in de Elisabethzaal een concert bij van het Sinfonieorchester Aachen, dat de Cantus Arcticus van Rautavaara (Fins componist, red.) uitvoerde. Daarin zitten opnames van moerasvogels en dat vond ik prachtig. Ik heb het gefluit van vogels altijd bijzonder gevonden. Alsof het een dagelijkse soundtrack bij het leven is. Als kind kon ik er al van genieten. (glimlacht) Als ik een vogeltje zag, wilde ik er altijd naartoe. Natuurlijk vloog het weg. Dat vond ik zo spijtig. Nu woon ik in de stad en soms vergeet ik dat ik de natuur nodig heb als tegengewicht tegen het stadsleven. Daarom ben ik hier.’

Jammer genoeg is er nog geen goeie Shazam voor vogels. Dat zou nog wat zijn.

De avond duurt drie uur, Koen blijft verhalen vertellen, laat met fragmentjes nog meer vogels zien en horen, hij vertelt hoe vinken hun hele leven hetzelfde zingen. ‘Al hebben ze ook een dialect.’ Zanglijsters leren nieuwe melodieën. ‘Jammer genoeg is er nog geen goeie Shazam voor vogels. Dat zou nog wat zijn.’

Overdrijven we dat vogelspotten in is? Maak kennis met ‘De scharrelaar’, een gloednieuw ‘vogeltijdschrift voor lezers’, half april gelanceerd. Het is een literair blad, uitgegeven door Atlas Contact, met verhalen over vogels. In de inhoudstafel mooie namen van schrijvers zoals Koos van Zomeren (die al twee boeken had: ‘Alle vogels’ en omdat hij er een paar vergat ook ‘Nog meer vogels’), Redmond O’Hanlon, Marja Vuijsje en Stefan Brijs.

Gefrituurde vogeltjes

Brijs woont al enkele jaren in het zuiden van Spanje, schrijft met een verrekijker naast zich en spotte al vogels toen hij nog in Koningshooikt woonde. In zijn bijdrage in ‘De scharrelaar’ passeren de roodkopklauwier, de veldleeuwerik, een torenvalk, een paar zebravinken, kanaries, roodborsttapuiten en boerenzwaluwen. Hij schrijft over de Noord-Amerikaanse schrijver Washington Irving, die op reis in Andalusië jongens met een vislijn op torens zag hengelen. ‘Irving beschouwde dat als vermaak’, schrijft Brijs, vooral bekend van ‘De engelenmaker’, maar ooit toevallig gedebuteerd met ‘Arend’. ‘Maar het zou me niet verbazen dat deze jongens daarmee een zakcentje bij elkaar ‘visten’, want in die tijd - en nu nog altijd, maar in mindere mate - waren pajaritos fritos (gefrituurde vogeltjes) een delicatesse.’

©Siska Vandecasteele

Gerald Driessens zou nooit vogels eten. Dat denken we, tenminste, want eerlijk: we vergeten het te vragen. Wat een mooie dag is het, we staan aan vogelkijkhut Eeckhoven in Rumst. Hij was 11 toen in 1977 een klasgenoot vroeg: ‘Zouden we geen vogelclubke oprichten?’ Met een kopieerapparaat knutselden ze hun eerste tijdschrift in elkaar. ‘De Vlaamse gaai’ verscheen op vier exemplaren. Driessens is vandaag coördinator Vogels bij Natuurpunt. Hij is wat in het jargon een twitcher heet, iemand die ook graag verre reizen maakt om vogels te spotten. En hij tekent vogels. ‘Liefst in het veld.’

‘In 1987 startte de Nederlandse Vogellijn’, vertelt hij. ‘Dat was een antwoordapparaat waar je naar kon bellen om vogelwaarnemingen te melden. Twee jaar later startte ik dat in België. Daar belde makkelijk 350 man per dag naar.’ In 2000 begon hij als ledenwerver bij Greenpeace en in 2003 solliciteerde hij met een eigen jobomschrijving naar Natuurpunt. ‘Ze namen me aan.’ Ondertussen illustreerde hij boeken, deed aan cartografie, reisde rond.

Maar nu staan we dus in Rumst. Hij heeft een Swarovski-verrekijker en een Swarovski-telescoop bij zich. Via een app op zijn smartphone meldt hij om 12.26 uur via waarnemingen.be (eigenlijk de erfgenaam van de Vogellijn) dat hij een oranjetipje heeft gezien, de vlinder die in onze streken het begin van de zomer inluidt, en hij neemt zijn tekenblok mee. In zijn auto ligt ‘Collins Bird Guide’ en een van zijn zeker twintig dikke schetsboeken. We zien een huiszwaluw (getekend op 21 juni 2017) en een laplanduil in Finland (getekend op 21 april 2017). ‘Als mijn huis afbrandt, red ik eerst die schetsboeken’, zegt hij. ‘En mijn vrouw natuurlijk. (glimlacht) Al kan die zelf lopen. Mijn boekjes kunnen dat niet.’

De eerste zijn

Vanmorgen was hij hier al, omdat je ’s morgens de zang beter hoort. Dat weet elke student die in juni ’s ochtends vroeg opstaat om net voor het examen nog eens de leerstof te herhalen. Tot het einde van je dagen zal het ochtendgefluit van de vogels in het voorjaar je aan de examens doen denken. Terwijl hij praat, kijkt Gerald je niet zo vaak aan. Daar, nog een oranjetipje. Een buizerd. ‘Daarnet zag ik een spreeuw, een tjiftjaf en een zwartkop.’ Ogen en oren heeft hij nodig om vogels te spotten. ‘Soms slaag je erin de eerste te zijn die in België een bepaalde vogel ziet. Dat is niet zo belangrijk, maar het motiveert je wel om buiten te zijn.’

Zijn er bedriegers, op waarnemingen.be? ‘Ongetwijfeld’, zegt hij. ‘Maar die kennen we. En wat heb je daar eigenlijk aan?’

‘Kijk.’ In de vogelkijkhut nu, aan de rand van een waterplas, toont hij een kuifduiker. ‘Met de natuur bezig zijn is altijd een geschenk. Al moet je een beetje een freak zijn. En je mag niet te emotioneel zijn. Sommige vogels overleven door op andere vogels te jagen. Dat is de natuur. Maar mensen die zeggen dat dit een marginale bezigheid is, snappen er niets van. De natuur is belangrijker dan luxe.’

Als mijn huis afbrandt, red ik eerst mijn vogelschets boeken.
Gerald Driessens, coördinator ‘Vogels’ bij Natuurpunt

Hier staan nog twee freaks. Ze heten Johan Denonville (‘ik ken Johan al jaren van op waarnemingen.be, maar nu zie ik hem voor het eerst’, zegt Gerald) en Sonja Van Loock. Ze is vandaag jarig, 58 wordt de bediende van de busfabrikant Van Hool, en op haar verjaardag werkt ze nooit. ‘Dan kom ik vogels kijken’, zegt ze. ‘Pas op, ik ben nog relatief nieuw. Elf jaar geleden begon ik ermee. Heel toevallig. Ik zat op een cursus Excel en raakte aan de praat met iemand die gepassioneerd over vogels vertelde. Zo geraakte ik geïnteresseerd.’

Sonja heeft een camera met een zware lens en klikt en klikt en klikt. ‘Dat doe ik: foto’s maken. Wat ik er nadien mee doe? Weinig eigenlijk. Maar vandaag heb ik voor het eerst een kuifduiker. Dat is mijn verjaardagscadeau.’

Ze wisselen verhalen en namen uit: fuut, dodaars, geelsnavelduiker, slechtvalken en blauwborsten vliegen uit hun mond en in dit hok zo van wand tot wand. Ze zitten in telposten, ze ringen vogels, doen aan broedvogelmonitoring en zijn actief op waarnemingen.be. Johan: ‘Eigenlijk was ik eerst visser, maar op den duur betrapte ik me erop dat ik meer naar de vogels keek dan naar de vissen.’ Op het bord in deze kijkhut, graffiti en gekraste namen die je ook op openbare toiletten ziet: Lore loves Claudia, Yaya en natuurlijk ‘voor seks 0475/xxx’. Worden de gevleugelde dieren toch nog een werkwoord.

Vogelboekenhype

©Siska Vandecasteele

De vogelboekenhype begon een paar jaar geleden toen uitgeverij Lannoo ‘Nederlandsche Vogelen’, een boek van Cornelis Nozeman en Christiaan Sepp en zoon heruitgaf. Prachtige ingekleurde gravures stonden erin van 250 vogels. In de heruitgave lees ik de inleiding onder de titel ‘Papieren vogelliefde’: ‘Vervolgens liep ik vanuit Artis Bibliotheek, met de vogels van Nozeman en Sepp in mijn hoofd, door de parken en langs de grachten en zag de futen, meerkoeten, spechten, klevers en kruipers.’ Maartje Swillen, van de Leuvense boekhandel Boekarest, vertelt dat die heruitgave het begin was. ‘Sindsdien wil elke uitgever een vogelboek’, zegt ze.

Dat komt natuurlijk alleen door succes. Wat niemand weet, is dat er in 2022 misschien een nieuw boek komt. ‘Dan hoop ik klaar te zijn met al mijn tekeningen’, glimlacht Gerald. Aan dat nieuwe boek werkt hij en nu toont hij, terwijl we naar de plas van Anderstad in Lier zijn gereden, hoe dat gaat. Met één oog kijkt hij door zijn telescoop, zijn andere oog kan zijn tekenblad en zijn potlood in het vizier houden. Op een tak zitten wat aalscholvers en vooral één grote, die grote aalscholver uit het begin van dit verhaal. Maar ook hoort hij de Cetti’s zanger, wijst op een ooievaar, en vertelt over de zes blauwborsten die in maart zijn aangekomen. Dan zien we er een. ‘Je hebt geluk’, zegt Gerald. ‘Sommige vogelspotters hebben nog nooit een blauwborst gezien. Een tijdje geleden praatte ik met een vogelspotter die niet meer zo goed hoort. Plots hoorde ik iets zingen. Ik dacht dat het een oeverloper was. We zwegen. Maar ik hoorde niets meer. Toen we weer praatten, opnieuw: dat geluid. Sssst, zei ik. Maar weer niets meer. (schatert) Toen hadden we het door. Bleken het de batterijen van zijn hoorapparaat te zijn die piepten.’

’s Avonds, op waarnemingen.be: om 13.02 uur heeft Gerald een zomertaling gemeld, die zag Johan Denonville al om 12.20. De kuifduiker meldde Gerald om 13.00. Op dezelfde plek zag iemand anders vandaag een houtduif, een kauw, een tjiftjaf. Dat Gerald er al ’s morgens was, is geregistreerd: de Cetti’s zanger zag hij om 7.55 uur. ‘Baltsend, zingend’, schreef hij erbij.

We bellen Nouni van Arnhem terug. Ondertussen heeft ze haar eerste vogelwandeling op de Kesselse Hei achter de rug. Ze hoorde ‘een duizelingwekkend ochtendconcert’ van groene spechten, grote bonte spechten, roodborstjes en merels. De gids wees op een mooie boompieper en helemaal op het einde op een koppel kuifmezen. ‘Iedereen was erdoor geraakt.’

Vergissing

Koen Leysen, die de theoretische cursus ‘Vogelzang in het bos’ gaf, zegt: ‘Eigenlijk zit je voortdurend te luisteren. Een jaar of vijf geleden was er op Eén een tv-serie die ‘Vriendinnen’ heette. Het begon in de Tweede Wereldoorlog en telkens schoof men vijf jaar op. In de aflevering die zich zogezegd in 1950 afspeelde, waren twee vrouwen aan de praat en plots hoorde ik op de achtergrond de Turkse tortel. (lacht) Dat was dus een vergissing, want dat kan helemaal niet! De Turkse tortel werd pas in 1955 in Vlaanderen gezien.’

Dit is De Tijd en dus, ja natuurlijk, vragen we: is er ook een bedrijfsleider die van vogels houdt?

Ik heb het gefluit van vogels altijd bijzonder gevonden. Alsof het een dagelijkse soundtrack bij het leven is.
Nouni van Arnhem, vogelliefhebster

Guido Wauters, aan de lijn. Hij is directeur organisatieontwikkeling bij het afvalverwerkingsbedrijf Indaver en rapporteert niet alleen aan CEO Paul De Bruycker, ze zijn ook sámen vogelliefhebbers. Nogal fervent. Wauters, Gentenaar van ‘aan de Brugsche Puurte’, kocht enkele jaren geleden een huisje in La Brenne. Dat is een streek onder Parijs, bekend om haar natuur. ‘En voor de vogels’, zegt hij. ‘Ik ben geen twitcher, mijn actieradius beperkt zich tot de zee, Antwerpen, Eindhoven. En mijn huisje in La Brenne dus. Maar ik ging wel een paar keer naar Israël, omdat dat de corridor is tussen Afrika en Azië. Met Paul ben ik daar naar de kibboets geweest en ’s morgens zaten in de boom voor de deur soms wel 200 vogels. Eigenlijk een volière in openlucht.’

Permanent op scherp

Hij praat bevlogen over zijn passie die volgens hem nog laat kwam. ‘Tot ik 27 was, was ik een stadsmus. Maar in 1987 volgde ik een cursus natuurgids en van de planten kwam ik snel bij de vogels terecht. Dat is fijn. Stilaan begon je dingen te benoemen, ik ging me specialiseren in zeldzame vogels en dagelijks belde ik naar de Vogellijn.’ Vandaag zet hij zich in voor de natuurbescherming en geeft hij zelfs al eens een vogelinfoavond. Op zijn telefoon staat een app met alle vogels erop. ‘8.700 vogelsoorten zijn er’, weet hij. ‘Ik kijk voortdurend rond. Het is een gewoonte geworden. Mijn zintuigen staan permanent op scherp. Maar mijn gehoor is niet zo zuiver. Veel vogels herken je door deductie: tijd van het jaar, plaats, herkenbaarheid.’

Hoever gaat die liefde? ‘In het voorjaar hebben we een internationale managementmeeting in Dordrecht. Ons gebouw staat er naast het Biesbosch, een natuurgebied. Het eerste wat ik die ochtend altijd doe, is het venster van de vergaderruimte openzetten. Omdat ik weet dat in die periode de nachtegaal daar volle bak zingt. Bij ons hoor je die niet meer. Dan begint de vergadering en als ik ’m hoor, zoek ik oogcontact met Paul De Bruycker. Als Paul dan knipoogt, weet ik: hij heeft hem ook gehoord.’

De eindgeneriek loopt. In ‘Spotvogels’ suggereren de auteurs nog ‘Spotivogels’, een Spotify-lijstje met vogelliedjes. Abba, Anouk, The Beatles, Fly like an eagle, natuurlijk. ‘Al snel zat ik aan bijna 450 nummers’, schrijft Saskia van Loenen. ‘... zelfs ‘De vogeltjesdans’ hoort op de lijst.’ Maar nummer 1 op ‘Spotivogels’ past wel. Het is ‘I Like Birds’ van Eels en E zingt: ‘I don’t care for walkin’ downtown / Crazy auto-car gonna mow me down / Look at all the people like cows in a herd / Well, I like / Birds.’

Naschrift: door dit verhaal vloog één vogel die niet bestaat. Wie ’m spot, tikt de naam in op YouTube. En geniet dan nog 4 minuten en 55 seconden van wat u zult zien.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect