interview

‘In de middeleeuwen kregen ondernemers ook privileges'

©Dries Luyten

Vlaanderen was in de middeleeuwen een economische grootmacht. Door de innovatieve kracht van de eerste ondernemers, menen Fernand Huts en Katharina Van Cauteren. Hun expo ‘Voor God en Geld’ toont hoe het zo ver is gekomen.

Handen op de rug, van het ene schilderij naar het andere lopend, monstert Katoen Natie-baas Fernand Huts de opbouw van ‘Voor God en geld, gouden tijd van de Zuidelijke Nederlanden’ in het Caermersklooster in Gent. Zijn curator, de kunsthistorica Katharina Van Cauteren, moet hem af en toe tot de orde roepen. ‘Fernand, blijf nu eens staan. We zijn hier voor de foto!’

Een week voor de opening van de expo liggen nog angstwekkend veel kunstwerken in houten kisten, maar Van Cauteren is er gerust in. We blijven even staan voor ’t Licht is op den kandelaer’, een werk van een anonieme schilder. ‘Een knullig schilderij, maar het past wel in het verhaal dat we willen vertellen: hoe de godsdienst een grote rol speelde in het doen en laten van de ondernemers. Dit werk toont hoe de protestante voormannen de kaars van de reformatie hebben aangestoken. Uiteindelijk betekende die het einde van de Vlaamse bloei, na de val van Antwerpen in 1585.’

Jodocus Aemszoon van der Burch is een ondernemer uit de 16de eeuw. Zijn portret, van de hand van Jan Cornelisz Vermeyen, is een van de topstukken van de expo. Het werd in april door Christie's geveild voor 2,4 miljoen euro. Het is aan ondernemers als Aemszoon van der Burch te danken dat de schilders in de late 15de eeuw een nieuwe markt konden aanboren. Katharina Van Cauteren: ‘Na de dood van Karel de Stoute in 1477 liep het aantal kunstbestellingen van de adel spectaculair terug. Maar de middenklasse vulde de leemte. Uit boedelbeschrijvingen uit de 16de eeuw blijkt dat bijna iedereen enkele beeldvoorstellingen in huis had. Dat ging van topkunst tot eenvoudige prullen.'

Zo’n 140 werken vertellen in elf thema’s het verhaal van de Vlaamse economische glorie in de middeleeuwen. Ze komen lang niet allemaal uit Huts’ verzameling, d ie is ondergebracht in The Phoebus Foundation, waarvan Van Cauteren de stafchef is. ‘We hebben ook veel bruiklenen uit de meeste Belgische musea.’

Voor de aanpak hebben Huts en Van Cauteren een aardig potje gebakkeleid, geven ze toe. ‘Er is wat conceptuele wrijving geweest in het begin. Fernand denkt niet als een tentoonstellingsmaker. Hij had de inhoud op papier gezet, met alle thema’s die voor hem aan bod moesten komen. Ken je dat: 1.1, 1.2, 2.1, enzovoort? Die thema’s mocht ik dan illustreren. Maar zo maak je geen expo. Je moet vertrekken van een visuele visie. Die gaat verder dan enkel prentjes aan de muur hangen. Ik hoop dat ik er een echte beleving van heb gemaakt. We spelen ook met projecties: kolkend stofgoud, water en vuur. En aan het einde volgt een spectaculaire afsluiter met in de hoofdrol: een silhouet uit de najaarscollectie van Véronique Branquinho.’

©Dries Luyten

Bij de expo hoort een gelijknamig boek, uitgegeven door Lannoo. Daarin geven Huts en Van Cauteren onafhankelijk van elkaar hun visie over het thema. Dat dubbele verhaal is best boeiend, al zijn er onvermijdelijk overlappingen. Van Cauteren schetst in een breed cultureel-historisch kader hoe de klassieke samenleving van clerus, adel en boeren door het succes van handel en industrie in de steden door elkaar werd geschud. Huts spitst zich in zijn essay meer toe op de rol van de ondernemer. Over de tijd van toen, maar met een polemiserende ondertoon naar vandaag. ‘Mijn boodschap is: zorg dat de bedrijven goed draaien en de rest volgt vanzelf. Dat was duizend jaar geleden zo en dat is volgens mij niet veranderd.’

Het succes van de Zuidelijke Nederlanden - historisch gaat het om Vlaanderen, Brabant en Henegouwen - stoelt voor Huts op het concept van de creatieve destructie. ‘Daarmee bedoel ik: de vervanging van oude producten en diensten door nieuwe en betere. Dat deed niemand beter in de middeleeuwen dan wij. We waren industrieel vernieuwend met de uitvinding van het weefgetouw, het spinnewiel, enzovoort. Ook in de kunst waren we innovatief. Jan Van Eyck heeft de olieverf uitgevonden.’

Van Cauteren: ‘Dat is niet waar, Fernand. Ik probeer u dat al lang te zeggen. Van Eyck heeft de olieverf verbeterd, niet uitgevonden.’

Huts, zich tot ons richtend: ‘Ze is echt een puriste. Macro-economisch is dat niet zo belangrijk of Van Eyck de olieverf heeft uitgevonden of verbeterd. Waar het om gaat, is dat Vlaanderen op alle terreinen een geweldige economische ontwikkeling kende door uitvindingen en verbeteringen. Met die economische vooruitgang volgden de financiële innovaties. De vrije markt, de beurs, de staatsleningen, allemaal hier bedacht, en nergens anders.’

©Dries Luyten

In uw essay citeert u Friedrich Nietzsche: ‘Handelaar en piraat waren gedurende een grote periode een en dezelfde persoon’. Criminelen dus...
Huts: ‘Dat woord vindt u niet terug in het boek. Het is iets in die aard. Het is zo dat sommige deugnieten in de 10de, 11de eeuw hun startkapitaal niet altijd eerbaar verkregen. Maar zo zijn de handel en ambachten in de steden wel onstaan. Vaak waren het mannen die van geen hout pijlen meer wisten maken. Door het succes werden ze patriciërs die van de adel steeds meer rechten kregen.’

Van Cauteren: ‘De adel had die mensen ook nodig. De edelen mochten zelf niet werken. Iemand anders moest dat voor hen doen.’

Huts: ‘En in ruil kregen de stedelingen privileges. En zo hoort te volgens mij te zijn. Nog altijd. Wie onderneemt, moet privileges krijgen. Want ondernemingen laten de maatschappij draaien.’

©Dries Luyten

Is dat niet wat simpel? Heeft de overheid ook geen rol te spelen?
Huts: ‘Ja, die moet ervoor zorgen dat wij kunnen werken. Maar het tegendeel gebeurt.’

In de succesvolle middeleeuwen waren er toch ook regels? De gods-dienst legde veel beperkingen op.
Van Cauteren: ‘Klopt. De gilden werkten volgens strikte regels. Deels om het ambacht te beschermen, deels om godsdienstige redenen. Het goddelijke wereldbeeld stond stabiliteit en continuïteit voor. Alles wat die stabiliteit kon verstoren, was verboden. Ambachtslui mochten niet met elkaar concurreren, want dan zou de ene rijker worden dan de andere. Dat werd beschouwd als een inbreuk op de goddelijke stabiliteit. Daarom was reclame verboden, of mochten stoelenmakers ’s nachts geen stoelen maken. Want dan zou de ene misschien wel eens meer stoelen kunnen maken dan zijn concurrent die enkel overdag werkt. De stedelingen probeerden daar pragmatisch mee om te gaan. Want ze waren wel doodsbang om in de hel terecht te komen.’

©The Phoebus Foundation

Huts: ‘Het kapitalisme creëerde het geld waarmee ze hun zielenheil konden afkopen. Daar werd de kerk heel rijk van. Het protestantisme is daar een reactie op.’

In uw epiloog in het boek bent u erg pessimistisch over de toekomst.
Huts: ‘Ik noem het realistisch. Het concept natiestaat werkt niet meer. Wij worden bestuurd volgens 19de-eeuwse bureaucratische principes. Zelfs hier op de expo, een privaat-publieke samenwerking met de provincie Oost-Vlaanderen, voelen we daar de gevolgen van. Straks hebben we een spoedvergadering met de traiteur over de openingsreceptie. Het Caermersklooster heeft daarvoor een aanbesteding moeten uitschrijven. De goedkoopste krijgt de opdracht. Zo zijn de regels.’

‘Wat is het resultaat? Een glas cava en drie hapjes. Dat zie je van hier dat wij dat laten gebeuren. Dat is zo symptomatisch voor wat in overheidsdiensten gebeurt. Alles gebonden aan regels. Het is om moedeloos van te worden. Gelukkig surfen de medewerkers van het Caermersklooster mee op ons enthousiasme.

‘Weet u waar de cultuursector onder lijdt in Vlaanderen?’

Te weinig geld?
Huts: ‘Nee. De cultuursector is verlamd door regelgeving. Over alles en nog wat moet worden vergaderd. Commissie hier, commissie daar. Jaarplannen, budgetten. En nog eens een vergadering. Maar wanneer wordt er iets beslist?’

‘Alles wordt in Brussel in richtlijnen gegoten. Elke museumdirecteur probeert zich daarin krampachtig te schikken. Hij zal er publiekelijk nooit over klagen, want als je het spelletje niet meespeelt, wordt het leven moeilijk. Ik vind dat heel triestig. Want ik zie ook dat er in Vlaanderen ontzettend veel getalenteerde mensen in de cultuurwereld rondlopen. Maar het lijkt alsof die niet mogen werken. Ze moeten zich vooral houden aan de van bovenaf opgelegde regeltjes.’

‘Voor God & Geld’ loopt van 17 juni tot 1 januari in het Caermersklooster in Gent. Zaterdag 18 juni vindt u in De Tijd een gratis ticket voor de expo.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content