Prenten hielden fabriekje van Bruegel draaiende

©KBR

Pieter Bruegel de Oude was bij leven vooral bekend als een begenadigd tekenaar. Zijn prenten gingen als warme broodjes over de toonbank van de winkel van Hieronymus Cock. In een nieuwe, erg leerrijke expo toont de Koninklijke Bibliotheek van België alle prenten van de meester.

‘Mag ik nog een prent van den Bruegel. Liefst een nieuwe.’ Zo moet het er in de 16de eeuw vaak aan toe zijn gegaan in de prentenuitgeverij annex winkel Aux Quatre Vents in Antwerpen van Hieronymus Cock en zijn vrouw Volcxken Diericx. Het koppel speelde een belangrijk rol in de expansie van Antwerpen als productiecentrum van de prentenkunst. Pieter Bruegel de Oude (ca. 1526-1569) was een van hun commercieel interessantste kunstenaars. Tussen 1554 en 1568 ontwierp de kunstenaar 60 prenten voor Cock. Ze zijn samen met nog tien andere te zien op de tentoonstelling ‘De wereld van Bruegel in zwart en wit’ in de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR).

De geschiedenis doet rare dingen met de werkelijkheid. Vorig jaar liep Wenen storm voor de grote Bruegel-tentoonstelling in het Kunsthistorisches Museum. 450.000 bezoekers van heinde en verre kwamen er kijken naar de schilderijen. Nochtans was Bruegel bij leven helemaal niet zo bekend als schilder. Zijn prenten waren veel meer verspreid en dus eigenlijk belangrijker voor het fabriekje van de kunstenaar. Maar de kans dat de expo in Brussel ook zoveel bezoekers trekt, is klein. Prenten zijn nu eenmaal maar prenten.

Hoe Bruegel naar zijn eigen werk keek, weten we niet. ‘Er zijn geen documenten bekend waarin hij zijn schilderijen afzet tegen zijn prenten’, zegt Maarten Bassens, een van de twee curatoren van de tentoonstelling. Van Bruegel zijn 40 schilderijen overgeleverd, 65 tekeningen en 70 prenten. De Koninklijke Bibliotheek bezit naast het volledige prentenoeuvre ook nog drie originele tekeningen.

De tentoonstelling begint vrij didactisch over de manier waarop prenten werden gemaakt. Om bij Bruegel te blijven: hij maakte een tekening en vervolgens gingen etsers of graveurs daarmee aan de slag. Daarom zie je bij iedere prent op de expo eerst de naam van de technicus, dan pas volgt ‘naar Pieter Bruegel de Oude’.

Er is geen enkele koperplaat van Bruegel bewaard gebleven. Ze werden zo intensief gebruikt dat ze in de loop van de 18de eeuw tot op de koperdraad versleten waren.

In de 16de eeuw waren er drie manieren om prenten te maken: door middel van een gravure, een ets of een houtsnede. Bij Bruegel werden vooral gravures gemaakt, de moeilijkste techniek. De graveur maakte met een burijn (een soort naald) in een koperplaat groefjes (noem het de tekenlijn) die met zwarte inkt werden gevuld. Die groefjes werden de zwarte lijnen op de prent. Het spreekt voor zich dat Bruegel in de gaten hield of de graveurs zijn tekening wel goed (en dan nog in spiegelbeeld) op de koperplaat overbrachten.

Hieronymus Cock kon de vraag naar Bruegels amper bijhouden. De persen draaiden voortdurend. ‘Het is niet duidelijk of Bruegel daar beter van werd. Allicht niet. Royalty’s bestonden nog niet in de 16de eeuw’, legt Maarten Bassens uit. Op de expo is de winkel van Cock nagebouwd. ‘De prijs van een prent was gelijk aan het dagloon van een ongeschoolde arbeider’, zegt de curator. Er is geen enkele koperplaat van Bruegel bewaard gebleven. Ze werden zo intensief gebruikt dat ze in de loop van de 18de eeuw tot op de koperdraad versleten waren.

Vernuftig

Het tweede deel van de tentoonstelling gaat over de prentkunst van Bruegel zelf. Het is thematisch ingedeeld, met de landschappen als startpunt. Bruegel was daarin een kei, vooral toen hij terugkwam van een reis naar Italië. Onderweg passeerde hij de Alpen. Die bergen komen in zijn tekeningen regelmatig terug. De landschappen van Bruegel zijn vernuftige constructies. Ze zijn geen realistische weergave van de natuur. Bruegel stelde zijn landschappen samen op basis van verschillende schetsen die hij onderweg maakte.

Cock was een grote bewonderaar van Jheronimus Bosch (ca.1450-1516), van wie hij veel prenten op de markt bracht. Iedereen wilde een Bosch, een hele rist kunstenaars maakten met het oog op de commercie bosschiaanse prenten. Bruegel was geen uitzondering. Maar hij stak erbovenuit en werd al snel de tweede Bosch genoemd. Vooral in zijn de adembenemende reeks ‘De zeven hoofdzonden’ meet Bruegel zich met zijn grote voorganger: buitenissige creaturen, duivels, rare gebouwen en voorwerpen, seks aan de lopende meter. Je kunt uren naar de prenten kijken en nog heb je niet alle details van de zondige mens gezien.

Enkele jaren later bracht Cock Bruegels ‘De zeven deugden’ op de markt. Die is - dat zie je meteen op de tentoonstelling - een stuk soberder. Misschien voelde Bruegel toen niet meer zo de behoefte een tweede Bosch te worden. De eerste Bruegel volstond. Dat blijkt ook in het slot van de expo, waar de navolgers van Bruegel worden belicht. Historisch interessant, maar zoals Bruegel was er toch maar een.

Bruegel in zwart en wit, tot 16 februari in Koninklijke Bibliotheek, Brussel.

Catalogus uitgegeven door Hannibal

Kort

Pieter Bruegel de Oude (ca. 1526 -1569) werd in 1551 officieel als schilder geregistreerd bij de Antwerpse Sint-Lucasgilde. Hij was tijdens zijn leven vooral bekend als tekenaar en prentontwerper. In de 18de en 19de eeuw geraakte hij helemaal in de vergetelheid. Door zijn prenten werd hij in het begin van de 20ste eeuw herontdekt. De Koninklijke Bibliotheek speelde daar een grote rol in.


Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect