Dagboek van een lyrische ambtenaar

©RV DOC

In ‘Ambtenaar Belmiro’ beschrijft de Braziliaan Cyro dos Anjos als een volleerd dromer het prikkelende stadsleven van Brazilië. Waar de liefde pijn doet, maar niet te hard. Het boek verschijnt nu in het Nederlands.

Het dagboek van een bescheiden ambtenaar bij de dienst Groei en Ontwikkeling, ‘waar iedereen gezapig en bedaard wacht op zijn pensioen en de dood.’ Als pitch klinkt dat niet bijster aanlokkelijk, maar vergis u niet: ‘Ambtenaar Belmiro’ is een boek met een cultstatus en een prikkelende getuigenis van het stadsleven in Brazilië anno 1935. Cyro dos Anjos (1906 - 1994) ving de geest van een generatie.

Het boek staat haaks op de literatuur die toen bon ton was. Auteurs als Jorge Amado en Graciliano Ramos schreven politiek geïnspireerde, realistische romans die de onderkant van de maatschappij belichten en waarin ze zich verzetten tegen het rechtse bewind van Getúlio Vargas. Dos Anjos daarentegen vertelt het verhaal van een flanerende dromer die zich laat overrompelen door een lyrische binnenwereld. Een moderne donquichot, ‘mager als een lat’, die niet kan aarden in de banaliteit van de werkelijkheid.

©RV DOC

Na een vrij zorgeloze jeugd op het landgoed van zijn familie is Belmiro naar de stad Belo Horizonte vertrokken. Hij slijt zijn dagen op kantoor en zwerft na zijn werkuren door de straten waar hij zich laat verleiden door melancholische accordeons en roda morena’s, groepen meisjes die zingend door de straten lopen. Als die niet voorhanden zijn, zit hij urenlang in de cafés met zijn vrienden te palaveren over literatuur en filosofie.

We leren ze een voor een kennen: de salonfilosoof Silviano, de zelfbewuste en geëmancipeerde Jardina, Glicerio met zijn aristocratische neigingen, de anarchistische Redelvim die doldraait in zijn politieke overtuigingen, en Florencio, die steevast ‘de man zonder afgronden’ wordt genoemd. Een bont gezelschap van kwetterende pseudo-intellectuelen die hun eigen demonen bekampen.

Belmiro beschrijft hen in zijn dagboek even liefdevol als ironisch. Het zijn de mensen aan wie hij zich vastankert om niet in eenzaamheid en vervreemding weg te zinken. Want Belmiro is geen gelukkige man. Hij voelt zich een mislukkeling: ongehuwd, zonder richting of ambitie, twijfelend en verlegen. ‘Een klein boompje op de eindeloze vlakten van het binnenland.’

Tijdens een wild carnavalsfeest neemt alles een andere wending. Hij ontmoet de jonge Carmelia die hem met haar witte handen meteen betovert. Het duurt slechts een paar minuten, maar dat volstaat om hem volledig in de ban van het meisje te brengen. De weken en maanden nadien doolt hij verliefd door de stad in de hoop een glimp van haar op te vangen, om dan timide terug te deinzen wanneer ze toevallig ergens opduikt.

Het beeld van Carmelia begint in hem te spoken en neemt algauw mythische allures aan. Belmiro is een eenzame man die zich aan vurige gevoelens wil warmen en daarom een liefde bij elkaar fantaseert. Hij is een dromer, een donquichot die zich verliest in de verheerlijking van een verzonnen dulcinea. Omdat de realiteit tekortschiet, moet hij zijn toevlucht zoeken in de verbeelding.

Je voelt als lezer een vreemde tederheid voor de man die zichzelf een beroepstwijfelaar noemt.

Belmiro zit gevangen in het conflict tussen droom en realiteit, maar zijn dagboek biedt soelaas. ‘Het is een soort innerlijk theater: een deel van jezelf staat op de planken terwijl een ander deel in de zaal gaat zitten en toekijkt.’ Schrijven is niet alleen een manier om het leven te overdenken en te analyseren: op de pagina’s laat hij werkelijkheid en verbeelding elkaar ontmoeten en in elkaar overlopen.

Alleen door te schrijven vindt hij een innerlijke kracht en staat een ‘machtige, elementaire Belmiro’ in hem op. ‘Wie wil, mag kwaadspreken over de literatuur. Ikzelf zal zeggen dat ik er mijn redding aan te danken heb. Ik kom bedrukt thuis, schrijf tien regels en word olympisch.’

Toch is Belmiro geen zwijmelende romanticus. In zijn dagboek hanteert hij een milde ironie waarmee hij zichzelf voortdurend onderuithaalt. Je voelt een vreemde tederheid voor de man die zichzelf een beroepstwijfelaar noemt, een ‘individualistische socialist’, en ‘volslagen ongevaarlijk voor alle regimes’.

Kunstenaars en intellectuelen

De roman opent met een citaat van de Franse schrijver Georges Duhamel: ‘De herinneringen die ik heb van mijn werkelijke leven zijn noch kleurrijker noch levendiger dan die van mijn bedachte levens. (...) Om het verhaal van een ander te schrijven maak ik gebruik van mijn eigen leven.’

Ook Cyro dos Anjos heeft heel wat gemeen met zijn dolende held. Na een jeugd in een beschermde, intellectueel ontwikkelde omgeving trok hij naar Belo Horizonte om rechten te studeren. Tijdens zijn studie werkte hij als ambtenaar en schreef hij crónica’s (literaire columns) voor vijf kranten onder het pseudoniem Belmiro Braga. Hij vond zijn plek tussen de kunstenaars en de intellectuelen. ‘Ambtenaar Belmiro’ zag hij als een poging om die kringen te portretteren.

In de jaren 50 en 60 groeide Dos Anjos’ literaire faam, maar zijn debuut is zijn meest iconische werk gebleven. Bij monde van Belmiro schrijft hij: ‘Ik heb me ooit voorgenomen nooit een boek te schrijven als ik dat niet het karakter van een monument kon verlenen. En toen ik me aan die klus zette, stelde ik onmiddellijk vast dat er nooit een monument uit mij zou komen... Ik heb niets wat anderen speciaal kan interesseren.’ Fout gedacht, want Belmiro’s rêverieën hebben een bezwerende impact. Of hoe het verhaal van een dromerige ambtenaar toch monumentale proporties kan aannemen.

Cyro dos Anjos - Ambtenaar Belmiro - 2019, Uitgeverij Koppernik, 256 blz., 22,50 euro

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect