reportage

De vergeten vrijstaat

Een oud grenspaaltje tussen Duitsland en België. ©Kristof Vadino

België had tussen 1816 en 1919 een extra buurland: Moresnet. Wij gingen op zoek naar sporen van het vergeten belastingparadijs en kwamen zowaar terecht bij een overlevende.

Als u Moresnet intikt in Google Maps, wordt u naar de Oostkantons gestuurd. Maar Moresnet-Chapelle, een dorpje op 10 kilometer van Aken en een halfuurtje rijden van Luik, is een ander Moresnet dan het vergeten ministaatje. Neutraal Moresnet zag in 1816 het levenslicht in Kelmis, een grensdorpje dat in het noorden aan het drielandenpunt met Nederland en Duitsland paalt.

©Mediafin

Alles voert terug naar het Congres van Wenen in 1815, waar na de val van Napoleon de Europese grenzen opnieuw werden getrokken. Moresnet werd in drieën gekapt. Pruisen en de Nederlanden kregen een stuk. Maar het centrale deel van het gehucht - economisch het interessantste vanwege de zinkmijn - werd aan niemand toegewezen. De Nederlanders en de Pruisen gunden elkaar het grondgebied van 3,5 vierkante kilometer niet.

En zo werd de driehoek een onafhankelijk landje zonder wetten, overheid of belastingen. Tot de Eerste Wereldoorlog na honderd jaar het doodvonnis van Moresnet tekende. België wilde gecompenseerd worden voor de wrede inval van Duitsland en de Duitsers gaven het grondgebied in 1919 terug aan ons land.

©Kristof Vadino

Naar aanleiding van de tweehonderdste verjaardag van de oprichting van Moresnet schreef de Nederlandse journalist Philip Dröge het boek ‘Moresnet, opkomst en ondergang van een vergeten buurlandje’, dat sinds deze week in de boekhandel ligt. We hebben met hem afgesproken bij het spookachtige directiegebouw van de gesloten zinkmijn. Samen met de zestig grenspaaltjes is het een van de laatste restanten uit de neutrale periode.

‘Ik hou van verhalen met een bizarre twist’, zegt Dröge. ‘Wat is er gekker dan een stukje land dat van niemand is? Wat is dat ook voor iets raars, grenzen?’ Hij wijst naar de overkant van de steenweg. ‘Waarom ligt dáár een grens en ligt hier België? Het is allemaal kunstmatig. Moresnet is het vleesgeworden voorbeeld van hoe kleinzielig politiek kan zijn. Het staatje is kunnen ontstaan omdat beide landen elkaar de zinkmijn niet gunden. Het gebied was een zakdoek groot. Er woonden amper 250 mensen. Het is toch ongelooflijk dat men van zo’n postzegeltje zulke gigantische puinhoop heeft gemaakt? En dat die toestand meer dan honderd jaar heeft geduurd.’

Mensen kwamen van heinde en ver naar Moresnet omdat er dingen konden die elders niet werden toegelaten: gokken, zuipen of naar de hoeren gaan.
Philip Dröge
Journalist

Er heerste een vrolijke anarchie in Moresnet. Dröge: ‘In mijn boek vergelijk ik Moresnet met de boomtowns die aan het einde van de 19de eeuw verrezen in het wilde westen van de Verenigde Staten. Omdat niemand politiek verantwoordelijk was voor Moresnet - de Nederlanden en Pruisen hadden er wel voogdij over, maar deden daar niets mee - heerste er wetteloosheid en werden amper belastingen geïnd. Het gebied werd snel een aantrekkingspool voor gelukzoekers en vrijbuiters. Mensen kwamen van heinde en ver naar Moresnet omdat er dingen konden die elders niet werden toegelaten: gokken, zuipen of naar de hoeren gaan.’

Ook de mijnarbeiders hadden hun vaste stek waar ze aan het einde van de week bij plezierdames hun loonzakje gingen leegschudden. Vandaag kijk je op dezelfde plek langs de hoofdsteenweg van Kelmis aan tegen de spuuglelijke gevel van een Chinees restaurant.

©RV DOC

Maar er werd in Moresnet ook hard gewerkt, benadrukt de Nederlander. De zinkmijn was het economische kompas van de streek. Een scheikundige had een revolutionaire techniek ontwikkeld waardoor het zink makkelijk uit het ets gehouwen kon worden. ‘De uitvinding was de reden waarom de Nederlanders en de Duitsers Moresnet niet aan elkaar gunden’, zegt Dröge. ‘De economische macht van de mijn was te groot om het gebied aan de ander te schenken.’

De mijn werd de belangrijkste werkgever van de grensstreek. Op het hoogtepunt werkten er 6.000 mensen. Toch kreeg ze snel concurrentie van andere bedrijven. Door het ontbreken van een belastingstelsel ontstond in het vrijstaatje een illegale economie. ‘Smokkelen werd een georganiseerde misdaad’, zegt Dröge. ‘Het was heel aantrekkelijk om alcohol te stoken. Er stonden drie jeneverstokerijen die dag en nacht jenever maakten, op het laatst zelfs pure alcohol.’

‘Het was dus de moeite om na je werk in de mijn nog wat uurtjes bij te klussen in een stokerij. Als fabrieksarbeider kon je door 15 liter te stoken je dagloon verdubbelen. Dat was meegenomen, want het was niet omdat Moresnet een belastingparadijs was dat de inwoners schatrijk waren. De officiële lonen waren vrij laag.’

©Kristof Vadino

Gemiste kansen

Belgiës vergeten buurlandje was dus zeker geen mini-Monaco. Dat wordt duidelijk in het Geuldalmuseum, dat het fascinerende verleden van Moresnet charmant maar erg oubollig tot leven probeert te wekken. Je loopt er niet tegen foto’s van rijke villa’s of pronkerige bourgeoisfeesten aan, maar tegen schilderijen over de mijnen en portretten van ploeterende arbeiders. Ook bewaard: een officiële postzegel van het ministaatje. Dröge: ‘Er is zelfs even sprake van een eigen munt geweest. Bij de Moresnetters bestond een breed gedragen verlangen om een officiële staat te worden. Wat wil je? Geef mensen een grens en ze worden een volk. Maar ze mochten niet van de buurlanden. Vooral de Duitsers wilden de situatie niet legaliseren.’

Met zijn vaalgele muren, ouderwetse toonkasten en rommelige opstelling lijkt Geuldal vooral een museum van gemiste kansen. ‘Tja, in Nederland zou er wellicht sneller wat mee gedaan zijn’, zegt Dröge. ‘Wij zijn wat handiger in dingen uitbuiten. Vergeet ook niet dat we in een uithoek van België staan. Iedereen - bewoners én toeristen - is hier gericht op Aken.’

Burgemeester Louis Goebbels (MR) zucht als we betreuren dat te weinig is gedaan met de merkwaardige historiek van Kelmis. Hij wijst naar zijn tegenstanders. ‘De vroegere christendemocratische meerderheden waren totaal niet in Moresnet geïnteresseerd. Wij wel. We gaan het toerisme proberen aan te zwengelen. De gemeente heeft het mijngebouw gekocht. Uiterlijk midden volgend jaar verhuizen we het museum naar de mijn. We krijgen financiële steun van Umicore, dat als Union Minière een van de eerste gebruikers van de zinkmijn was.’

Weggeblazen

In mei en juni staat Kelmis ook stil bij de tweehonderdste verjaardag van de oprichting van Neutraal Moresnet. Dröge is benieuwd of de twee feestweekends in de smaak vallen bij de inwoners. ‘De Tweede Wereldoorlog was zo’n traumatische gebeurtenis dat alle verhalen van de periode voordien zijn verdrongen en weggeblazen’, zegt hij. ‘Er is ook niemand meer in leven die de neutrale periode bewust heeft meegemaakt.’

Agnes Hackens-Paffen woonde nog in Moresnet. ©Kristof Vadino

Maar er is nog wel een Moresnetter in leven. Burgemeester Goebbels kent haar maar al te goed, al was het maar omdat hij in 2013 haar honderdjarigenfeest vergat bij te wonen. We treffen Agnes Hackens Paffer alleen aan een tafeltje in de Clinique Saint-Joseph. ‘Ik was vijf toen de Duitsers Moresnet aan België teruggaven’, zegt de 102-jarige. Ze vertelt over haar eerste communie, en hoe ze met vriendinnen op straat speelde tussen de Duitse soldaten.

Ze is altijd in haar geboortehuis blijven wonen, uitgezonderd een korte periode in Berlijn. ‘We woonden in Schöneberg, vlak bij het plein waar president Kennedy zijn ‘Ich bin ein Berliner’-toespraak hield.’ Waarom ze toch naar Moresnet terugkeerde? ‘Ik was in Berlijn alleen achtergebleven met mijn drie kinderen. Een van hen is intussen gestorven. Mijn eerste man ook. Net als mijn tweede, overigens. Dat ik voor mijn hoge leeftijd best nog kloek ben, zegt u? Ja, ik voel me goed. Touchons du bois.’

‘Moresnet’ - Het boek van Philip Dröge is uit bij Spectrum, telt 272 pagina’s en kost 19,99 euro.

‘Zink’ - Bij De Bezige Bij verschijnt in maart het Moresnetessay dat David Van Reybrouck schreef in opdracht van de boekenweek.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect