De vrouwenhand van de Japanse literatuur

Een afbeelding van de Japanse hofdame en schrijfster Sei Shonagon, die in de 10de eeuw leefde. ©www.bridgemanimages.com / Belga

'Het hoofdkussenboek' van Sei Shonagon is een van de oudste klassiekers uit de Japanse literatuur. Dankzij Jos Vos is er eindelijk een rechtstreekse vertaling van het Japans naar het Nederlands.

In het Japan van Sei Shonagon (966 - 1017) was er nog geen sprake van samoerai en geisha’s, kabukitheater, haikupoëzie en shamisenmuziek. Het land bevond zich midden in de Heian-periode (794 - 1186). Een scherp onderscheid tussen de klassen, strenge rituelen en een spartaanse levensstijl bepaalden de samenleving.

De periode is befaamd om haar grote culturele bloei, waarin vooral poëzie en kalligrafie floreerden. ‘Het hoofdkussenboek’ is daar een weergaloos voorbeeld van: in flitsend, gestileerd proza ontsluiert Shonagon een tijdperk dat beheerst werd door een verbluffende verfijning en eruditie.

Nu eens is Sei Shonagon melancholisch en fijngevoelig, dan weer grappig en bijdehand. Soms is ze zelfs ronduit ijdel en venijnig.

Shonagon leefde aan het keizerlijk hof, waar ze in dienst was als hofdame van keizerin Teishi. In haar teksten toont ze een leven dat zich vooral afspeelde achter beschilderde kamerschermen. Ze vertelt over ontmoetingen met minnaars, het geflirt en geroddel, officiële ceremonies en pleziertochtjes naar het platteland. Beschrijvingen van het alledaagse leven aan het hof worden afgewisseld met persoonlijke ontboezemingen, impressies van de natuur en poëzie.

De literatuur van de Heian-periode werd hoofdzakelijk door vrouwelijke auteurs vormgegeven. Niet voor niets werd de schrijftaal onna-de genoemd: ‘vrouwenhand’. Shonagons meest illustere tijdgenote was Murasaki Shikibu, die het caleidoscopische ‘Verhaal van Genji’ schreef: ’s werelds eerste grote roman over een melancholische Don Juan die leefde aan het keizerlijk hof. Het verschil tussen beide boeken is frappant. Terwijl Genji wordt neergezet door een langoureuze, meanderende vertelstem, valt bij Shonagon het fragmentarische, ongestructureerde van haar schrijven op.

Het boek geldt dan ook als het eerste grote voorbeeld van de vermaarde zuihitsu-stijl, vrij vertaald als ‘het penseel achternajagend’. Dat is de rijke Japanse traditie van het ‘mengelmoesgenre’: losjes aan elkaar geregen bespiegelingen, impressies en gedachten. Plotconstructie of karakterontwikkeling was daarbij van ondergeschikt belang. Het waren de schoonheid van een puntgave, een oplichtende stijl en een eindeloos gelaagde inhoud die primeerden. Je vindt daarvan echo’s terug tot bij moderne Japanse schrijvers als Haruki Murakami.

Met schijnbare achteloosheid springt Shonagon van het ene onderwerp naar het andere, van de verschillen tussen bloesems naar een intiem gesprek met de keizerin, van het gekibbel met een voormalige minnaar naar ‘dingen waar niemand op let’. Wereldberoemd zijn haar lijstjes. Shonagon schept er zichtbaar plezier in de wereld om zich heen te ordenen in de meest uiteenlopende categorieën: onvergelijkbare dingen, situaties die je geduld op de proef stellen, gewone dingen die opeens bijzonder klinken.

KORT

‘Het hoofdkussenboek’ van Sei Shonagon is een van de oerklassiekers van de Japanse literatuur. De auteur van het 10de-eeuwse boek was een hofdame van de Japanse keizerin.

Het bestaat uit los aan elkaar geregen bespiegelingen. Echte verhalen zitten er niet in. Het werk is nu voor het eerst rechtstreeks vanuit het Japans naar het Nederlands vertaald.

Ze beschrijft soorten manen (‘een dunne ochtendmaan die boven de rand van de oostelijke heuvels verschijnt’), oogverblindende dingen (‘lange, rijkelijk gekleurde ranken blauweregen die zich om een pijnboom slingeren'), onmachtige dingen (‘een groot schip dat gestrand is bij laag water’), enzovoort.

Typisch Japanse concepten als mono no aware (het hartverscheurende besef van de vergankelijkheid van de dingen) en wabi-sabi (de esthetische waardering van het onvolmaakte) laten zich al duidelijk voelen. Shonagon voelt haar hart sneller kloppen als ze ‘in een Chinese spiegel kijkt die wat beslagen is’, of naar de roep van een krekel luistert ‘aan het eind van de negende maand (...) - zo zwak dat je hem haast niet meer hoort.’

Aan die melancholische concepten geeft ze echter een heel eigen interpretatie. Ze verlucht het pathos met een vinnige humor en doorspekt haar teksten met giftige opmerkingen en cynische grapjes. Ze heeft over alles en iedereen een uitgesproken, ongetemperde mening. Shonagon schrijft, om Japanreiziger Cees Nooteboom te citeren, ‘zo helder als Madame de Sévigné’. Nu eens melancholisch en fijngevoelig, dan weer grappig en bijdehand, en soms zelfs ronduit ijdel en venijnig.

Het is voor het eerst dat ‘Het hoofdkussenboek’ rechtstreeks vanuit het Japans naar het Nederlands werd vertaald. Vertaler Jos Vos, die zich eerder al bewees met vertalingen van onder meer Basho, Tanizaki en Shikibu, levert ook hier uitmuntend werk. Zijn vertaling leest vloeiend en expressief, en is voorzien van een uitgebreid notenapparaat.

Hoewel de kleine anekdotes en soms oeverloze beschrijvingen van iemands kledij niet altijd even spannend zijn, fascineert de elegantie en subtiliteit van de Japanse cultuur voortdurend. Tegelijk onthult Shonagon een condition humaine die van alle tijden is. Terwijl in het Westen het beeld wordt gekoesterd van een mysterieus, ondoordringbaar Japan, toont ze ons mensen die heel herkenbaar zijn, met onzekerheden, angsten en verlangens die duizend jaar later nog even levend zijn.

Het hoofdkussenboek - Sei Shonagon - Athenaeum - 330 blz.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect