Advertentie
Advertentie

Aan ongelukkigen geen gebrek

In ‘Judas’ is ookeen mooie rolweggelegd voor Jeruzalem, waarover Oz eerder al zo mooi schreef. ©BELGA

De Israëlische grootmeester Amos Oz verweeft in ‘Judas’ twee verhalen over verraders waarin de politieke actualiteit doorschemert. ‘De waarheid is dat alle macht ter wereld een vijand niet in een vriend kan veranderen.’

‘Dit is een verhaal dat zich afspeelt in de winterdagen van 1959 en het begin van 1960. Dit verhaal bevat vergissing en begeerte, teleurgestelde liefde en een religieuze kwestie die hier onbeslist blijft.’ Met die haast programmatische zinnen begint Amos Oz zijn jongste roman ‘Judas’. Maar wat de Israëlische schrijver onvermeld laat, is dat hij, via zijn personages, ook politieke thema’s bespeelt, over de Joodse staat en het conflict met de Palestijnen.

Nu waren zulke politieke thema’s sowieso nooit veraf in het rijke oeuvre van Oz, dat behalve romans ook non-fictie omvat met veelzeggende titels als ‘Hoe genees je een fanaticus’ en ‘Israël, Palestine and Peace’. Al weigerde hij zijn literaire werk te laten overwoekeren door zijn activisme. ‘Ik schrijf geen politieke romans’, zei hij twee jaar geleden in een interview met De Tijd. ‘In mijn romans vertel ik het verhaal van families en gewone mensen, die meestal ongelukkig zijn.’

Ook in ‘Judas’ is er geen gebrek aan ongelukkige mensen. Het begint allemaal met de gesjeesde student Sjmoeël Asj, die in het winterse Jeruzalem van eind 1959 een onderkomen zoekt. Hij is het spoor bijster nadat zijn vriendin hem heeft verlaten om halsoverkop te trouwen met een oude liefde. Bovendien heeft zijn vader door een zakelijk conflict plots geen geld meer om zijn studies te betalen. En omdat zijn scriptie toch al niet opschoot, stopt Sjmoeël met zijn studies.

In een cafetaria ziet hij een annonce waarin een student wordt gezocht die ‘bereid is elke avond vijf uur lang een zeventigjarige invalide man gezelschap te houden’ in ruil voor kost en inwoon. Sjmoeël dient zich aan en wordt prompt aangenomen door Gersjom Wald, een oude intellectueel die samenwoont met zijn schoondochter, de ondoorgrondelijke Atalja Abarbanel. Zij is de weduwe van Walds enige zoon, die in 1948 omkwam bij de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog.

Sjmoeëls opdracht is eenvoudig: hij moet Wald elke avond gezelschap houden, wat vaak neerkomt op het aanhoren van diens uitweidingen over het zionisme en het conflict tussen de Joden en de Arabieren. Oz laat het verhaal niet toevallig eind jaren vijftig plaatsvinden. De jonge Joodse staat Israël heeft die onafhankelijkheidsoorlog achter de rug en de Suezoorlog van 1956. Maar van de bezetting van de Palestijnse gebieden na 1967 is nog geen sprake.

Rattenvanger

Toch lijkt Oz vooruit te verwijzen naar de bezetting. ‘De waarheid is dat alle macht ter wereld een vijand niet in een vriend kan veranderen’, zegt Sjmoeël in een discussie met Wald. ‘Hij kan een vijand in een slaaf veranderen, maar niet in een kameraad.’ Volgens de vurige weduwe Atalja is het verkeerd gegaan bij het ontstaan van Israël. Kop van Jut is David Ben-Goerion, ’s lands eerste premier. Hij leidde de Joden als een rattenvanger van Hamelen ‘naar de eeuwige haat tussen de twee gemeenschappen’.

Die aanval op Ben-Goerion is niet toevallig. Atalja heeft nog een rekening lopen met de man die haar vader politiek uitschakelde. Die vader, Sjeatiël Abarbanel, was een vooraanstaande zionist die zich kantte tegen de oprichting van een Joodse staat. Hij pleitte voor een natie waarin Joden en Arabieren samenleefden. De oude Abarbanel verloor het pleit van de ‘rattenvanger’ Ben Goerion, waarna hij in de ban werd geslagen. ‘Joodse vrienden had hij niet meer: hij was de verrader’, zegt zijn dochter.

Voor Sjmoeël kan je het begrip ‘verrader’ ook als een eretitel beschouwen. ‘Af en toe duiken er in de wereldgeschiedenis dappere mensen op die hun tijd vooruit zijn en daarom verraders of excentriekelingen genoemd worden’, zegt hij. En via zijn vastgelopen scriptie - over ‘Jezus in de ogen van de joden’ - komt hij op het spoor van de ultieme verrader: de apostel Judas Iskariot. Die reputatie is volgens Sjmoeël helemaal onterecht. De student komt zelfs aanzetten met alternatieve geschiedenis die Judas aanwijst als de grondlegger van het christendom.

Oz slaagt erin beide verhaallijnen rond de twee verraders te verweven in een boeiende roman die nergens zwaarwichtig wordt. Sjmoeël is overigens een schitterend personage, een baardige holenmens die zich schaamt voor zijn emotionele trekjes. ‘Een man die in tranen was, deed mensen terugdeinzen en wekte zelfs een lichte weerzin, ongeveer zoals een vrouw met baardgroei.’ Als hij toenadering zoekt tot de mooie Atalja reageert zij: ‘Jij probeert hier bij ons te leven als een monnik, maar je fantasieën rennen blijkbaar rond in een harem.’

In ‘Judas’ is ook een mooie rol weggelegd voor Jeruzalem, waarover Oz al zo mooi schreef in zijn autobiografische roman ‘Een verhaal van liefde en duisternis’. In dat magistrale boek verweefde hij herinneringen aan zijn jeugd en familie met de geschiedenis van het jonge Israël. Enkele jaren geleden stuurde Oz een exemplaar naar het Palestijnse kopstuk Marwan Barghouti, die in Israël in de gevangenis zit, met de boodschap: ‘Dit verhaal is ons verhaal.’ Het rechtse kamp in Israël nam de schrijver meteen onder vuur. De kritiek luidde samengevat: ‘Judas’.

Amos Oz - Judas - 2015, vertaald door Hilde Pach, De bezige Bij, 394 blz., 24,90 euro.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud