Aan tafel bij een Vlaamse SS'er

Stefan Hertmans dook voor 'De opgang' in het leven van de Vlaamse collaborateur Willem Verhulst. ©©Laurent Denimal/Opale/Leemage

In zijn nieuwe boek ‘De opgang’ schetst Stefan Hertmans een portret van een Vlaamse SS'er. Schrijver en collaborateur bewoonden hetzelfde huis in het Patershol in Gent.

Onderweg naar een afspraak aan de Sint-Jacobsmarkt in Gent schiet ons te binnen dat we vlak in de buurt zijn van het hoofdpersonage in Stefan Hertmans nieuwe boek: zijn vroegere huis in Drongenhof. Het is een kleine moeite om erlangs te lopen. We passeren Oudburg, Sluizeken, straatnamen die ontelbare keren voorkomen in ‘De opgang’. In Drongenhof, een kleine straat vlak bij het Patershol, vinden we het huis niet meteen. Tot we Roger tegen het lijf lopen. ‘Het zal wel zijn dat ik het weet zijn. Ik woon hier sinds 1950. Ik ben 97, meneer. Het is dat huis ginder met die trapgevel, aan het begin van de straat. Ik ga dinsdag naar de boekvoorstelling van Hertmans in de Vooruit.’ Hij steekt zijn duim in de lucht. ‘Geweldige gast.’

De aanblik van het huis is enigszins teleurstellend, zoals dat wel vaker gebeurt wanneer je hoofdpersonages uit boeken in levende lijve ontmoet. Er hangt een bord aan de gevel. ‘White Cats’. Het huis is een plek geworden voor exclusieve evenementen. Hoe ordinair. De troebele geschiedenis lijkt daarmee weggeveegd.

Zou iemand op zo’n exclusief evenement weten dat er tijdens de Tweede Wereldoorlog de notoire Vlaamse SS-man Willem Verhulst (1898-1975) heeft gewoond? Met zijn Nederlandse vrouw Mientje (een protestantse boerendochter) en hun drie kinderen? Hertmans heeft het lang niet willen weten, schrijft hij in het begin van zijn roman. ‘Het was in het eerste jaar van het nieuwe millennium dat ik een boek in handen kreeg waaruit ik begreep dat ik twintig jaar in het huis van een voormalige SS-man had gewoond. Niet dat ik geen signalen had gekregen: zelfs de notaris had me, op de dag dat ik het huis met hem bezocht, terloops op de vorige bewoners gewezen. Ik had er toen weinig aandacht voor.’

Foute Vlaming

Het boek in kwestie is ‘Zoon van een ‘foute’ Vlaming’ van Adriaan Verhulst. Hij was een gerespecteerd professor geschiedenis aan de Universiteit van Gent en jarenlang voorzitter van de openbare omroep en van het Willemsfonds. Maar dus ook: zoon van een foute Vlaming. De strapatsen van zijn vader vormen de kern van het verhaal.

Hertmans gaat daarbij op dezelfde wijze te werk als in ‘Oorlog en terpentijn’ en ‘De bekeerlinge’. Hij gebruikt als een historisch onderzoeker omstandig bronnenmateriaal om zijn verhaal bij elkaar te sprokkelen: dagboeken, interviews met de stokoude dochters, politieverhoren en rechtbankverhalen. Hij bezoekt plaatsen in binnen- en buitenland die verband houden met het huis en Verhulst. Maar hij houdt een slag om de arm. ‘De opgang is gebaseerd op historische feiten en getuigenissen, aangevuld met de verbeelding van de schrijver’, schrijft hij. Waar die verbeelding begint en eindigt, weet je nooit precies. Allicht zit het in details en beschrijvingen. Misschien hier en daar een dialoog, als glijmiddel om de geschiedenis behapbaar te maken.

Het boek wisselt voortdurend af tussen het leven van de familie Verhulst en Hertmans' bezoek, samen met de notaris, aan het huis, in ‘de late zomer van 1979’. Hertmans was erop gestoten tijdens een wandeling in de buurt van het toen verpauperde Patershol. Het was liefde op het eerste gezicht. Twee dagen later al belde hij voor een bezichtiging. ‘De grote beslissingen in mijn leven heb ik zelden doelbewust genomen. Steevast belandde ik in een soort van droomtoestand waarin ik het gevoel had dat een onzichtbare hand me een duw in de rug gaf en dat ik, de spreekwoordelijke reine dwaas, mijn eigen lot tegemoetliep als een kip zonder kop.’

Hoeveel waarheid verdraagt een mens als het over zijn eigen vader gaat?

Het huis stond toen al een paar jaar leeg en was flink verwaarloosd. Hoe anders was het toen Willem Verhulst er in 1942 introk. Hij kon het zich permitteren als notoir lid van de DeVlag, de Vlaamse tak van de SS. Officieel had de Duitse bezetter hem benoemd tot  directeur van de Gentse Radiodistributie. Maar eigenlijk was hij een ‘V-Mann’. Een informant, een verklikker. Een officiële functie had hij niet. Maar zijn zwarte SS-uniform droeg hij met trots en plezier.

Je kan ‘De opgang’ lezen als de geschiedenis van een collaborateur. Je komt alles van Willem Verhulst te weten. Hoe hij als kind blind werd aan een oog. Hoe hij al op de lagere school in Antwerpen een nooit verdwenen haat ontwikkelde tegen alles wat Franstalig en Belgisch was. In de Eerste Wereldoorlog stond hij aan de kant van de Duitsers. Hij dweepte later met August Borms, de voorman van het VNV. Toen die de banden met het Franstalige Rex van Léon Degrelle aanhaalde, ontstak hij in woede en verliet hij de partij. Na de Duitse inval werd hij een rabiate nazi. En zoals wel vaker gebeurde, zwoer Verhulst na de oorlog en veroordeling zijn verleden niet af. In zijn boek was zoon Adriaan vrij mild voor zijn vader. Het ontlokt Hertmans de overpeinzing: hoeveel waarheid verdraagt een mens als het over zijn eigen vader gaat? Het achteloos gestrooide zinnetje blijft lang hangen.

Meesterlijk

De cruciale vraag is of je iets hebt aan de ‘De opgang’ als je niet geïnteresseerd bent in de collaboratie. Het antwoord is: absoluut. Als meesterlijke verhalenverteller schetst Hermans in trefzekere stijl in de eerste plaats een boeiend familieportret. Nooit krijg je het gevoel dat je een gedegen, afstandelijk document over de collaboratie leest. Nee, je lijkt eerder 410 pagina’s lang als een stiekeme gast mee aan tafel te zitten bij de familie Verhulst. Mientje speelt in het boek net zo’n prominente rol als haar collaborerende man. Op een heerlijke manier beschrijft Hertmans hoe ze een buste van Hitler uit de woonkamer verwijdert. Of hoe ze haar man toesnauwt dat hij in zijn zwarte uniform thuis niet moet rondlopen. Je proeft bij Hertmans de warme sympathie voor de vrouw, die onda­­nks de veelwijverij van haar man heel lang tot na de oorlog van hem is blijven houden. Tot er iets knakte.

Hertmans toont geen sympathie voor Verhulst, maar hij veroordeelt hem nergens expliciet. De feiten spreken voor zich. Maar je voelt dat hij heel graag met Verhulst, gestorven in 1975, een babbel zou willen hebben. Op een exclusief evenement in Drongenhof of zo.  Zo diep zit hij onder zijn huid. Wie weet zou Verhulst dan wel vragen wat er met het huis verder is gebeurd. Met de kamers en de zolder en de kelder en de tuin. Dat kom je niet te weten. Hertmans houdt zich over zijn geschiedenis op de vlakte. ‘Ik heb Mientje ooit uit het raam zien hangen tijdens een betoging, toen ik nog in Gent studeerde’, zou hij misschien wel antwoorden. Tenzij die prachtige scène tot zijn verbeelding behoorde.

‘De opgang’ van Stefan Hertmans wordt dinsdag voorgesteld in de Vooruit in Gent.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud