De beste fictieboeken volgens de redactie van De Tijd

©Filip Ysenbaert

Dit zijn de favoriete fictieboeken van de redactie van De Tijd.

Onze redacteurs maakten ook een selectie van hun favoriete non-fictieboeken. Het non-fictie overzicht leest u hier.

Collected Poems | Edna St. Vincent Millay

©rv

Poezië voor de pandemie, schreef The Wall Street Journal over de bundel ‘A Few Figs from Thistles’, die dit jaar zijn 100ste verjaardag viert. Schoonheid scheppen in tristesse is de grote kracht van de Amerikaanse dichteres Edna St. Vincent Millay, die als eerste vrouw een Pulitzer won.

Al jaren slaap ik naast haar vuistdikke verzameld werk en drink ik haar woorden als slaapmutsjes die de scherpe kantjes van de dag afvijlen. Haar gedichten zijn heel leesbaar, met de natuur als toetssteen voor emoties, vaak spitsvondig en geestig. Het rijm en metrum zijn haast ambachtelijk uitgepuurd. Daar was St. Vincent Millay zo meticuleus mee bezig dat ze gedichten soms jaren op het schap liet rijpen om daarna één woord of lettergreep te wijzigen tot ze de in haar ogen perfecte kadans hadden.

Haar universele juweeltjes bieden herkenning en verstrooiing in coronatijden, al was de pandemie niets voor haar geweest. Ze leefde gretig en gulzig, beminde mannen en vrouwen en was een graag geziene gaste in de politieke salons in het wilde New Yorkse nachtleven van de jaren 20. Of hoe ze het zelf op rijm zette:

My candle burns at both ends;

   It will not last the night;

But ah, my foes, and oh, my friends—

   It gives a lovely light!

Haar gedichten werden door Herman De Coninck vertaald naar het Nederlands. Maar om haar genie ten volle te voelen leest u ze beter in het Engels.

Ellen Vermorgen, redacteur beleggen

De laatste zomer in de stad | Gianfranco Calligarich

©rv

Lang gold dit boek als een onvindbare literaire parel waar verzamelaars de antiquariaten en boekenmarkten voor afschuimden. Nu, bijna vijftig jaar na verschijnen, vindt het eindelijk zijn weg terug naar het grote publiek. De roman heeft nog niets aan kracht en vitaliteit ingeboet.

De Italiaanse schrijver Gianfranco Calligarich vertelt het verhaal van een man die ten prooi valt aan de grillen van de Eeuwige Stad. Leo Gazzara is een bon vivant die het grootste deel van zijn tijd reserveert voor nietsdoen. Dankzij zijn charmes en welbespraaktheid vindt hij al snel zijn weg naar de salons van de beau monde, die hem als een aangenaam spel en tijdverdrijf toelaten in hun kringen.

Leo leidt een leven dat laveert tussen wondermooie schone schijn en tragische zinloosheid. Met elegante ironie beschrijft Calligarich zowel de verrukkingen als de lijdensweg van het uitgestelde leven, het bestaan dat niet ingevuld wordt. Het geeft dit boek zowel iets wrangs als iets verleidelijk toverachtigs.

Calligarich toont Rome van zijn bekoorlijkste kant, maar ook van zijn wreedste. In zijn fraaie, heldere zinnen klinkt zowel spot als sympathie. Het dolce far niente dat hij beschrijft, is even vrolijk als verwoestend, even fascinerend als verwerpelijk. De geest van Fellini’s ‘La Dolce Vita’ is nooit veraf. Net als Fellini doorprikt hij genadeloos de vanitas van de jetset en richt hij er tegelijk een feestelijk monument voor op.

Jan Dertaelen, redacteur boeken

Bittere tijden | Mario Vargas Llosa

©rv

‘Weet je wat het grote probleem is met een Nobelprijs Literatuur? Zodra het spektakel van de uitreiking voorbij is, beschouwen de mensen je als een soort standbeeld. Daarom probeer ik al tien jaar te bewijzen dat ik nog leef’, zei Mario Vargas Llosa in een interview met deze krant in september. De Peruaan won in 2010 de Nobelprijs voor de Literatuur. Met ‘Bittere Tijden’ bevestigde hij dit jaar dat hij nog lang niet is uitgeschreven.

‘Bittere tijden’ is een realistische roman over de staatsgreep in Guatemala in 1954. Vargas Llosa mengt fictie en realiteit op magistrale wijze. Hij toont de mechaniek achter de staatsgreep. Hij geeft een opvallende rol aan de via de VS gefinancierde valse propaganda dat Guatemala een communistische weg zou inslaan. En hij beschrijft de zware gevolgen op het hele continent. Door de staatsgreep in Guatemala radicaliseerde een deel van de linkse beweging, wat de basis legde voor de revolutie in Cuba. Maar het vormde ook de basis van een reeks militaire regimes, wat de weg naar de democratie in Latijns-Amerika decennia versperde

Toch is de roman geen verkapte politieke analyse. Door de mengeling van historische en fictieve figuren en de verschillende standpunten biedt hij een breed panorama van wat destijds gebeurde. Het boek doet onvermijdelijk denken aan ‘Het feest van de Bok’, ook al omdat enkele personages terugkeren.

Jean Vanempten, senior writer

Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl | Uwe Johnson

©rv

Het lijkt een geweldige, misschien wel onmogelijke opgave om aan Uwe Johnsons mastodontische meesterwerk te beginnen. De 1.600 pagina’s laten zich niet lichtvaardig openslaan. Maar wees verzekerd: dit boek neemt u van begin tot eind op sleeptouw en biedt een weergaloos genereuze leeservaring.

Johnson beschrijft dag per dag, van 21 augustus 1967 tot 20 augustus 1968, hoe de jonge Duitse Gesine Cresspahl zich een nieuw leven toe-eigent in haar nieuwe thuis New York. Herinneringen aan haar jeugd in nazi-Duitsland slingeren zich door de actualiteit van een door oorlog en segregatie verscheurde VS.

Johnsons magnum opus lijkt een collage van verschillende romans, nauwkeurig ontmanteld en weer in elkaar gepuzzeld om een indruk van gelijktijdigheid te wekken. Heden en verleden, familiegeschiedenis en wereldpolitiek kruisen en bestuiven elkaar. De parallellen die zo ontstaan, zijn onthutsend actueel.

Dit is een roman met een enorme reikwijdte, overweldigend door de veelheid aan thema’s en historische gebeurtenissen, verslavend door de fijnmazigheid van de details en talige spitsvondigheden.

Johnson componeert melodieuze, schijnbaar moeiteloos precieze zinnen. Hij beschrijft zijn personages met een buitengewone empathie. Alles leeft in dit boek, van de vele eigenzinnige figuren tot de sfeervolle beschrijvingen van een groots en ondoorgrondelijk New York.

Jan Dertaelen, redacteur boeken

Zomer | Ali Smith

©rv

Waarom zou u alle ellende van 2020 - de covidcrisis, de bosbranden in Australië, de dood van George Floyd en het circus rond Donald Trump - opnieuw willen beleven? Omdat Ali Smith die beschrijft in ‘Zomer’ en ze de lezer, ondanks alles, vol hoop achterlaat.

Het boek is het sluitstuk van haar zinderende seizoenskwartet. De Schotse schreef de vier romans in vier jaar, telkens met de vinger aan de pols van de actualiteit. ‘Herfst’ werd in 2016 lovend onthaald als de eerste brexitroman, in ‘Zomer’ komt de malaise van 2020 aan bod.

De ouders van de hoofdpersonages, een broer en zus uit het Engelse Brighton, zijn gescheiden. De ene stemde Leave en de andere Remain, waarna eentje vertrok. De twee tieners reageren verschillend op hun gebroken gezin en land. Sasha is een geëngageerde, klimaatbewuste 16-jarige. Ze correspondeert met een Vietnamese vluchteling en bekommert zich om de dakloze man uit haar buurt. De drie jaar jongere Robert is snugger, maar choqueert leerkrachten met xenofobe uitspraken.

Net als in de andere delen van het bejubelde vierluik vervalt Smith niet in een
belerende analyse van de actualiteit. Ze toont het heden door de ogen van verwarde, ‘gewone’ mensen. De meest aanwezige thema’s zijn vriendschap, familie, kunst en generositeit. Tegelijk spat het plezier van de pagina’s. ‘Zomer’ staat bol van de woordspelingen, de associaties en de ritmische monologen.

Emilie Moors, redactiemedewerker

Melancholie II | Jon Fosse

©rv

Met ‘Melancholie II’ dompelt de Noor Jon Fosse de lezer onder in een aangrijpende bespiegeling over ouder worden en verlies. Zoals de titel verraadt, gaat het om een vervolg op - inderdaad - ‘Melancholie I’. In de eerste roman, die twee jaar geleden in vertaling verscheen en die u los van de tweede kunt lezen, liet Fosse de Noorse schilder Lars Hertervig aan het woord. Die leek voorbestemd voor een grootse carrière, maar werd als student krankzinnig. In een repetitieve, haast hypnotiserende stijl gaf Fosse die waanzin literaire vorm.

Dat gebeurt ook in ‘Melancholie II’, waarin de zus van Lars treurt om haar pas overleden broer. Het verhaal speelt zich af in 1902 en beschrijft een dag in het leven van Oline, de hoogbejaarde en dementerende zus. Een groot deel van de dag brengt de vrouw door op het buitentoilet. Daar hangt een ‘schilderwerkje’ dat ze
ooit kreeg van Lars en dat herinneringen oproept aan hun gedeelde jeugd in een groot en arm gezin met een impulsieve
vader.

Olines mijmeringen leveren een haast muzikale woordenlawine op met een bedwelmende ritmiek en barstend van de herhalingen met subtiele accentwijzigingen. Zo wordt de lezer ondergedompeld in het eenzame lot van Oline. Het is een literaire tour de force van Fosse, die al decennia geldt als een van ’s werelds beste toneelschrijvers. Met zijn tweeluik rond Hertervig bewijst hij ook uit te blinken als romanschrijver.

Erik Ziarczyk, redacteur buitenland

Mijn lieve gunsteling | Marieke Lucas Rijneveld

©rv

Ik ben de tel kwijtgeraakt van het aantal mensen dat ik heb ingefluisterd dat ze ‘Mijn lieve gunsteling’ van Marieke Lucas Rijneveld moeten lezen. Niemand heeft me tot nu laten weten dat hij spijt heeft. Doorgaans lazen ze de roman in één ruk uit. Met ingehouden adem.

Rijneveld beschrijft de relatie tussen een oudere veearts van 49 en een meisje dat klopt op de deur van de puberteit. De man is zelf als kind door zijn moeder misbruikt. Het is geen excuus voor zijn drang om meisjes in plaats van vrouwen lief te hebben. Maar hij kan het niet stoppen. Toch niet bij de 14-jarige dochter van een veehouder. Zij moedigt hem enigszins aan. Het is te zeggen: dat laat de veearts in zijn lange monoloog weten. Dat maakt het boek zo verwarrend. Je weet niet wat je moet geloven. De verhouding tussen goed en kwaad wordt in de war geschopt.

Strikt genomen is ‘Mijn lieve gunsteling’ een verdedigingsbrief van een pedoseksueel. Natuurlijk zet hij de waarheid naar zijn hand. Maar ook met het meisje is psychisch iets aan de hand. Ze denkt dat ze kan vliegen. En ze is blij met de aandacht, al interpreteert ze die verkeerd.

Soms wil je als lezer ingrijpen. Rijneveld sleurt je mee in een wereld die je niet wil betreden. Maar je kan er niet aan weerstaan. De stijl prikkelt, slaat, zalft. ‘Mijn lieve gunsteling’ leest als een verboden vrucht. De nasmaak blijft lang in de mond achter.

Koen Van Boxem, chef cultuur

Het lichtje in de verte | Antonio Moresco

©rv

‘Dit boek lees je zoals je naar een landschap kijkt’, schreef De Tijd-recensent Jan Dertaelen in de krant van 22 augustus. Diezelfde zaterdag, na een bezoek aan de boekenwinkel, keken we naar het landschap dat Antonio Moresco had geschapen.

Het boek begint met deze zin: ‘Ik ben hier gekomen om te verdwijnen, in dit verlaten uitgestorven gehucht waar ik de enige inwoner ben.’ Beginzinnen van boeken hebben ons al veel geld gekost. Oordelen van De Tijd-recensenten ook. De buy-and-holdstrategie, zeg maar. Waardevolle beleggingen in de ziel.

Wat volgt, is een literaire fabel. 168 bladzijden (met een niet eens overladen bladspiegel) die je als lezer meezuigen in een verhaal van werkelijkheid en schijn. Een man woont alleen op een plek en ziet ’s avonds, als het natuurlijk donker is, in de verte een lichtje schijnen. Waar het eigenlijk niet kan, want niemand woont er. Toch schijnt dat lichtje. Dus kan het toch.

Het mooie aan ‘Het lichtje in de verte’ is misschien wel dat Moresco dat gevoel beschrijft. Dat iets niet kan en dat het toch kan. En dat daarin de schoonheid en de troost van het leven en de dood schuilen. Ja, dat is cryptisch, maar over dit boek moet je met voorzichtigheid schrijven. Zoals je het ook met voorzichtigheid moet lezen. Tot die laatste twee zinnen. Ze gaan zo: ‘Waar gaan we heen?’, vraag ik. ‘Dat weet ik niet.’

Rik Van Puymbroeck, redacteur weekend

Cliënt E. Busken | Jeroen Brouwers

©rv

Het was een lastig moment toen we in februari tegen Jeroen Brouwers zegden dat ‘Cliënt E. Busken’ een lelijk boek was. Dat vond hij niet zo prettig. We haastten ons om erbij te zeggen dat we niet bedoelden dat het een slecht boek was. ‘Cliënt E. Busken’ is een literaire krachttoer. ‘Mijn laatste kunstje’, zei hij zelf. Maar dat heeft Brouwers al zo vaak gespeeld.

Meneer Busken is een dementerende bejaarde rolstoelgebruiker die woont in een rust- en verzorgingstehuis. Hij vindt van zichzelf dat hij daar niet thuishoort. Vergelijk het met die ene spookrijder die zich verbaasd afvraagt waarom zo veel auto’s in de verkeerde richting rijden.

Wat zich in het hoofd van een dementerend mens afspeelt, weet niemand. Brouwers laat vermoeden hoe dat zou kunnen zijn. Hoe je je verzet tegen de manier waarop de buitenwereld je behandelt: als een kleuter. Gemakkelijk maakt meneer Busken het zijn dokters en verzorgers ook niet. Hij weigert te spreken. Uit protest tegen zoveel onrecht. Zijn gedachten kruipen als een slingerende slang over de vloer van het rusthuis.

Meneer Busken wekt zowel mededogen als afkeer op. Je vindt hem onredelijk. Maar tegelijk kruipt pagina na pagina de angst onder je huid. Stel je voor dat ik ook oud word op die manier. Liever niet.

Koen Van Boxem, chef cultuur

De wasbeer | Aleksandr Skorobogatov

©rv

Een wasbeer onderneemt een odyssee om zijn ontvoerde geliefde te bevrijden uit een museum waar zij is opgezet ‘tot vermaak van de grote massa en peuters’. Dat is de samenvatting van de magistrale roman van de Wit-Russische schrijver Aleksandr Skorobogatov. Ja, u leest het goed: het hoofdpersonage is een wasbeer, ‘zo’n klein, onbeduidend en zelfs in de meeste levenssituaties bedeesd wezen’. Maar eigenlijk gaat het verhaal over de kleine man, die steeds tegen de muur botst en voortploetert.

In ‘De wasbeer’ excelleert Skorobogatov, die sinds de jaren 90 in Antwerpen woont, in een even duistere als humoristische stijl. Een naamloze verteller volgt de wasbeer op zijn omzwervingen en groeit zelf uit tot een personage, die het verhaal alle richtingen uitstuurt door uit te weiden over onbenullige details of zich te verliezen in filosofische beschouwingen. Geregeld wordt de lezer direct aangesproken, al was het maar om toe te geven dat de verteller het ook niet meer weet.

‘Alleen sprookjes laten zich snel vertellen’, schrijft Skorobogatov. Uiteindelijk komt het, zoals in de beste sprookjes, goed met de wasbeer. Met dank aan God, die
de antiheld beloont voor zijn volharding - ‘vanbinnen wankelde hij niet, ging hij koppig op de gestelde taak af’ - terwijl hij wodka drinkt en havanna’s rookt.

Het verhaal is eenvoudig, maar die eenvoud is omgekeerd evenredig aan het stilistische vernuft. ‘De wasbeer’ is een literaire rollercoaster.

Erik Ziarczyk, redacteur buitenland

De vader van Artenio | Frida Vogels

©rv

Nog nooit gehoord van Frida Vogels voor ‘De vader van Artenio’. De schrijfster is nochtans al 90. Late debutant, pas in 1992 (ze was 62) verscheen ‘De harde kern 1’. Zoals verwacht volgden ‘De harde kern 2’ en ‘De harde kern 3’. Voor dat tweede boek kreeg ze de Libris Literatuurprijs. Ze kwam die niet zelf afhalen, ze koos de anonimiteit, nog altijd. Opvallend dat net haar werk zo autobiografisch is. Ze publiceerde elf dagboeken. Dit jaar verscheen ‘De vader van Artenio’.

Artenio is haar man, een Italiaan. Zijn naam is de samentrekking van Arte en Genio (kunst en genie) en die naam kreeg hij van zijn vader Salvatore. Dat is dus haar schoonvader en dit boek gaat over hem. Salvatore De Matteis was 12 toen zijn vader werd doodgeschoten. De jongen moest als wijnbouwer werken om het gezin te onderhouden. Dat was in 1905. Voor school was geen tijd meer.

Maar Salvatore ontdekte in de nalatenschap van zijn vader een kist met boeken, Vogels schrijft erover: ‘Het was alsof hij een sleutel tot de wereld en de historie had gevonden.’ We lezen in 100 pagina’s over het verdere bestaan van die kunstliefhebbende wijnboer die in het dorpje San Severo twee oorlogen meemaakte en alles wat het leven meebrengt en wat Salvatore opzoekt. Prachtig is de beschrijving van zijn reis uit 1963, ‘om de grote steden in het noorden van Italië te bezoeken.’ Er zit ook veel pijn in ‘De vader van Artenio’. Het leven dus en dat maakt het tot zo’n rijk klein boek.


Rik Van Puymbroeck, redacteur weekend

De kolibrie | Sandro Veronesi

©rv

De Italiaanse oogarts Marco Carrera leed als kind aan een groeistoornis, die hem met het koosnaampje ‘de kolibrie’ opzadelde. Het onderontwikkelde lichaam speelde hij kwijt met een hormonale behandeling, de bijnaam bleef plakken.

Die blijkt ook in zijn latere loopbaan van toepassing. Het leven confronteert hem met dood, bedrog, onbeantwoorde liefde, ziekte en nog meer dood. Maar terwijl de wereld met alle geweld om hem heen raast, lijkt Marco onverstoorbaar stil te blijven hangen, als een kolibrie in het oog van een storm.

Dat klinkt als zwaarmoedige lectuur, maar schijn bedriegt. Auteur Sandro Veronesi slaagt erin dit verhaal over verlies en pijn op te tillen naar een roman over hoop, een die net aanzet tot leven. Een verfrissende premisse in deze soms cynische tijden.

Stilistisch trekt Veronesi alle registers open. Hij springt door de tijd, maakt zijstappen die je pas een half boek later begrijpt, vertelt zijn verhaal nu weer klassiek en dan weer via brief of telefoongesprek. Maar nooit leidt dat tot chaos. Veronesi boetseert het geheel even subtiel als subliem tot een pageturner.

Na een eerdere bekroning voor ‘Kalme chaos’ ontving Veronesi ook voor ‘De kolibrie’ de Premio Strega, de belangrijkste Italiaanse boekenprijs. Daar valt weinig op af te dingen. Op zijn 61ste is het meesterschap van Veronesi tastbaar.

Ben Serrure, redacteur ondernemen

Trouble Is What I Do | Walter Mosley

©rv

Raymond Chandler (1888-1959), een van de grootste Amerikaanse detectiveschrijvers, is nooit verdwenen. Al 30 jaar leeft hij verder in de ‘murder mysteries’ van zijn landgenoot Walter Mosley, die dit jaar de National Book Foundation Medal kreeg. Mosley maakt kortere en meer gebalde zinnen dan Chandler, maar bij beiden smaakt elk woord als zout op de lippen. Hun taal is even hardgekookt, hun privédetectives zijn even uitgekookt. 

Mosley’s detective Leonid McGill is brutaler en opportunistischer dan Chandlers Philip Marlowe, maar beide antihelden hebben telkens een zwak moment, waarop compassie een bres slaat in hun mentale muur. En dan halen ze zich onnodige moeilijkheden op de hals.

In ‘Trouble Is What I Do’ reist een 94-jarige bluesmuzikant samen met zijn achterachterkleinzoon met de bus vanuit Biloxi, Mississippi naar New York om McGill te vragen of die een brief wil afgeven aan de dochter van een van de machtigste mannen van het land. Een gevaarlijk racistische man ook.

Ogenschijnlijk een eenvoudig verzoek.Maar terwijl McGill toekijkt hoe de achterachterkleinzoon uit Mississippi de wonderlijke wereld van de blues openbaart aan zijn eigen zoon, aanvaardt hij een dodelijke opdracht.

Arnaud Camerlinckx, grafisch redacteur

Djinn Patrol on the Purple Line | Deepa Anappara

©rv

Dagelijks raken in India zo’n 180 kinderen vermist. Het is de weinig opbeurende premisse waarmee de Indiase journaliste Deepa Anappara aan de slag gaat in haar debuutroman. Dat ze er niet voor kiest die boodschap in mistroostig proza te gieten is verfrissend.

Het hoofdpersonage in ‘Djinn Patrol’ is de negenjarige Jai. Hij brengt zijn dagen door in de sloppenwijk, de basti, van een Indiase grootstad. Jai is verslingerd aan policiers en droomt van een carrière als detective. Als een jongen uit de buurt vermist raakt, ziet hij zijn kans schoon om met twee kompanen op onderzoek uit te gaan.

In de beste passages doet ‘Djinn Patrol’ denken aan ‘Slumdog Millionaire’, de Oscarwinnende film van Danny Boyle. Dan bruist het in de basti van het leven, raakt het zicht beneveld door dikke pakken smog, ruik je rauw vlees, thee en kebab, en hoor je het geschraap van pannen, het getoeter van riksja’s en het gescheld van marktkramers. In die broeierige stad gaat Jai op zoek naar een almaar grotere lijst vermisten. Hij ontdekt de wijken waar de happy few zich schuilhoudt in veilige wolkenkrabbers, letterlijk verheven boven de beslommeringen van de sloppenwijk.

De ongelijkheid en straffeloosheid in India, de sluimerende aversie tegen de moslimminderheid: Anappara doet er verslag van zonder in stereotypes te vervallen. Anders dan de kinderen te reduceren tot kille statistieken geeft ze hen een stem en zet ze het vergeten drama van de Indiase kinderhandel op de agenda.

Pieter Lambrecht, redacteur nieuwstafel

De vreemdelinge | Claudia Durastanti

©rv

‘Ongeveer 98 procent is waar, de rest hersenspinsels’, vertelde Claudia Durastanti (36) ons in april over haar sterk autobiografische roman ‘De vreemdelinge’. De Italiaanse, die opgroeide in een dorpje in Zuid-Italië en in New York woont, schreef haar vierde boek over haar dove ouders, een disfunctioneel koppel dat leefde van de bijstand. Ze dronken veel en liepen uit het café weg zonder te betalen. Als er geld was, werd het meestal vergokt. Op een dag werd Durastanti zelfs door haar vader ontvoerd. Haar moeder lijdt behalve aan doofheid ook aan borderline. Veel drama, met andere woorden.

‘De vreemdelinge’ staat bol van de scherpe observaties over hoe het voelt om te leven met een verknipt familiaal verleden. Sommige zijn best heftig om te lezen, zoals deze: ‘Als we doodgaan, schrijven ze op onze grafsteen misschien de naam van wie we hebben liefgehad, het beroep dat we hebben uitgeoefend, een zin uit een boek dat we vaak hebben gelezen. Wat er niet op ons graf geschreven staat, is de afstand van thuis.’

Het boek is evenwel geen vereffening. Er zijn frustratie en woede, maar ook veel zelfkritiek, humor en mededogen. Dat laatste vooral tegenover haar moeder, de vreemdelinge in dit intelligente en gevoelige verhaal over opklimmen uit de onderklasse en opgroeien tussen geen en meerdere talen.

Thomas Peeters, redacteur cultuur

De weg van de meeste weerstand | Lionel Shriver

©rv

Serenata en Remington zijn een koppel met een lang en gelukkig huwelijk, gesmeed door hun gemeenschappelijke milde misantropie en respect voor elkaars eigenaardigheden. Tot Remington, verantwoordelijke straatverlichting bij de lokale overheid, met vervroegd pensioen wordt gestuurd na een conflict met zijn nieuwe jonge, zwarte chef. Ze is een activistische feministe met een diploma genderstudies van een elite-universiteit, die als belangrijkste beleidsdaad genderneutrale toiletten invoert. Op zoek naar zin en betekenis in zijn leven stort de 64-jarige Remington zich op extreme duursport: hij wil deelnemen aan MettleMan, een gruwelijk zware triatlon.  

Meedogenloos beschrijft Shriver -  die het personage van Serenata overduidelijk naar zichzelf heeft gemodelleerd - onze obsessie met lichaamsbeweging, identiteit en door internet gecultiveerde kuddegeest. Met de haar kenmerkende spetterende dialogen en scherpe humor zien we hoe het huwelijk onder steeds grotere spanning komt te staan, terwijl Remington zijn lichaam en geest tot het uiterste drijft. 

Shriver heeft een gevoelige radar voor controversiële onderwerpen. Ze schreef eerder over overheidsschuld, ‘high school shooters’ en obesitas. Met ‘De weg van de meeste weerstand’ pakt ze het lichtvoetiger, zelfs grotesk aan. Al is de onderliggende waarschuwing niet minder dreigend: er is een culturele oorlog bezig die tot verbittering leidt, steeds minder wederzijds begrip en verdere polarisatie.

Sofie Vanlommel, redacteur weekend

Exciting Times | Naoise Dolan

©rv

De 22-jarige Ava heeft een arbeiderswoning in Ierland omgeruild voor een flatje in Hongkong. Behalve met Engelse les geven aan de kinderen van de lokale elite - waarom ze daarvoor kiest, wordt nooit duidelijk - vult ze haar dagen met een bizarre verhouding met de Britse bankier Julian. Hun leven samen bestaat uit dure Franse wijn drinken, wisselkoersen bespreken en emoties doodzwijgen.

Zo begint ‘Exciting Times’: als een wat droog, maar intrigerend en grappig boek. Ava, die van zichzelf vindt dat ze ‘goed is in mannen’, is een onthechte en afgestompte millennial. Relaties en vriendschappen ziet ze als transacties. Maar als Julian enkele maanden voor zaken naar Londen moet, leert ze Edith kennen, een ontwapenende Hongkongse advocate. Ava ontdooit, wordt verliefd, en hokt met Edith samen in Julians appartement, tot die op een dag weer aan de deur staat.  

De ménage à trois die dan ontstaat, had gemakkelijk een cliché kunnen worden. Maar de Ierse Naoise Dolan stript haar debuut van voorspelbare emoties en ruilt die in voor een zeldzame menselijkheid. Nuchtere observaties over klasse en privilege monden uit in een ongemakkelijk zelfbewustzijn, maar ‘Exciting Times’ wordt nooit zwaarmoedig. Want net als de titel barst het boek van de ironie. Ava haalt zichzelf continu onderuit, nog voor iemand anders - inclusief de lezer - het kan doen. Zelfs zonder beeld zie je de woorden - ‘spannende tijden, geweldig niet?’ - afgemeten uit haar mond rollen.

Marie Van Oost, redacteur nieuwstafel

Ik kom van ver maar blijf niet lang | Ward Zwart en Enzo Smits

©rv

Een verhaal van een muzikant die terugkeert naar zijn ‘hometown’. En van jongeren, hangend en zoekend. Maar meer dan om een verhaallijn draait deze graphic novel om sfeer. De prachtige potloodtableaus openen een bevreemdende wereld waarin vriendschap, natuur, muziek (Slint!), sciencefiction en melancholie moeiteloos versmelten.

‘Ik kom van ver maar blijf niet lang’ is na ‘Wolven’ (2016) de tweede samenwerking van grafisch kunstenaar Ward Zwart en scenarist Enzo Smits. In filmische sequenties (de treinrit, de repetitie, de nachtwandeling) en iconische beelden (de Saab, de hobbelolifant, Ian Curtis) etaleert Zwart zijn vakmanschap. Laverend tussen jongenskamer en concertzaal, landschap en stadsgezicht, bar en skatepark, ontbijttafel en supermarkt. Nu eens met minimale dialogen, dan weer met woordeloze observaties, pagina’s lang.

Zwart overleed in oktober, op zijn 35ste. Je vraagt je stilletjes af of je diep droef moet zijn om al dat schoons dat nooit meer komt, dan wel dankbaar om al die pracht die is geweest. Ik ben er nog niet uit. Kutjaar.

Jan Nelis, art director

Dit is onze keuze van de beste fictieboeken van 2020. Bekijk ook de aanbevelingen voor non-fictieboeken.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud