interview

Dirk De Wachter: ‘Wat patiënten vertellen, is belangrijk voor de wereld'

©Siska Vandecasteele

‘Je bent niet ziek als je ongelukkig bent’, schrijft Dirk De Wachter in ‘De kunst van het ongelukkig zijn’. Dat is een dun boekje met daarin woorden die eenvoudig evident lijken. Dat vindt hij zelf ook. ‘Laten we de kwade dagen niet vergeten.’

Hoe meet je geluk en wat is ongeluk? Je praat anderhalf uur met psychiater Dirk De Wachter (59) in zijn warme kantoor in het Universitair Psychiatrisch Ziekenhuis in Kortenberg. Als je nadien door de gangen loopt op zoek naar een fotoplek vertelt hij dat hier 460 bedden zijn. Je denkt: 460 ongelukkige mensen.

Later stap je in je auto en op een parking verlies je nog dezelfde avond je telefoon. Je bent alles kwijt: foto’s, berichten, bereikbaarheid. Maar je bent ook de opname van het interview met De Wachter kwijt. Je denkt: één ongelukkige mens.

Maar is dat zo? Op bladzijde 26 van ‘De kunst van het ongelukkig zijn’ heb je gelezen: ‘Ik pleit voor digipauzes, voor onbereikbaarheidsvakanties, voor etentjes met de gsm op vliegtuigstand en smart(phone)breaks.’ Misschien is dit verlies een cadeau. Veel verleden in die - zo zwaar op de hand geworden - telefoon wordt geschrapt, waardeloze contacten zijn nu vanzelf verdwenen. Er volgt een halve dag digipauze. En de kans om met de brokstukken van de herinnering iets nieuws te maken.

Dit verhaal is het resultaat van die herinneringen. Van wat bleef hangen en dus in alle eenvoud indruk maakte. Een verhaal dat begon in de boekhandel waar in de Maand van de Filosofie De Wachters boekje van 48 bladzijden te koop lag. Het kostte 5,99 euro. Er waren 1.500 exemplaren van gedrukt en die waren zomaar weg.

Twee jaar geleden had Confituur, een vereniging van onafhankelijke boekhandels, aan de filosoof Johan Braeckman gevraagd een gelijkaardig essay te schrijven. In 2018 deed filosoof Ignaas Devisch dat. Nu Dirk De Wachter, een psychiater. ‘Ik ben een filosofisch psychiater en heb altijd antwoorden gezocht in de filosofie. Aan de universiteit ging ik al lessen volgen en ik had jaren een goede band met mensen als Leo Apostel en Sam IJsseling.’

Schrijvend kon hij dat niet voorzien, maar in het boekje staat de essentie misschien wel onder het titeltje ‘De nv IK’ en die gedachte valt dus op pagina 13, het cijfer dat symbool staat voor ongeluk. ‘Ongelukkig is hij die het ongeluk niet kan dragen’, zei Bias van Priëne al in de zesde eeuw voor Christus’, schrijft De Wachter. Iets verder, nog altijd op pagina 13: ‘We hebben de neiging ons nog meer te gaan begraven in onszelf, muren op te trekken en grachten te maken rond onze zelvigheid. Net op het moment dat we de ander zo nodig hebben. (...) Mensen zouden best wat meer elkaars psychiater mogen zijn en naar elkaar mogen luisteren. In de gewoonheid van het sociale weefsel, in de normaliteit, kan verdriet een plaats krijgen.’

Verder lezend begrijp je dat de woorden ‘een geluk bij een ongeluk’ meer dan een cliché kunnen zijn. Het kan een inzicht zijn. De Wachter knikt heftig nu, daar zittend in zijn pak en wit hemd dat wat gekreukt is na een dag van lentewarmte en consultaties. In de Volkskrant zei hij onlangs: ‘In het ziekenhuis zorg ik als sociaal-psychiater voor heel zieke mensen, met schizofrenie of een psychose.’ Een zin voordien zei hij: ‘In mijn praktijk aan huis zitten vooral geslaagde mensen, die veel geld verdienen, die succes heb-ben, zoals journalisten, politici en industriëlen.’

Nu zegt hij: ‘Toen jullie van De Tijd belden, wilde ik dit interview wel doen. Normaal spreek ik voor mensen uit de zorgsector, de zachte sector. Via dit gesprek kom ik bij mensen in de haute finance, niet mijn rechtstreekse publiek. Laat ook die mensen maar eens nadenken. Ik kijk graag over de schotten van de voorspelbare paden. Dit is niet het magazine Psychologies.’

Klopt dat inzicht? Dat het geluk bij het ongeluk zit in het feit dat je geluk kan puren door ongeluk toe te laten?

Dirk De Wachter: ‘Ik ben niet tegen geluk en ik wens het iedereen van harte toe. Maar toelaten dat je ongeluk kan hebben, vind ik inderdaad van grote waarde. (toont de cover van zijn boekje) Daarom hamerde ik er bij de uitgever op de triestige emoji die eerst was voorzien, te veranderen in een blije smiley. Door het ongeluk toe te laten kan je stappen zetten naar geluk.’

‘We leven in tijden dat alleen geluk, succes en winst worden gedeeld op Facebook of Instagram. Wie dat niet doet, is mis-lukt. Maar zo werkt het niet. Er is veel ongeluk en we kunnen pas stappen zetten door dat te aanvaarden. We spreken altijd van goede dagen en kwade dagen. Maar we vergeten dat er voor anderen zijn, op die kwade dagen, van groter belang is. ‘Dasein ist mit sein’, schreef de Duitse filosoof Heidegger.’

‘Ik krijg per maand honderden vriendelijke mails en gemiddeld één haatmail. Gisteren was er zo een van iemand die zei dat het schandalig was dat ik Heidegger zomaar citeerde. Omdat hij Hitler steunde. Dat klopt, maar in wat de man over de mens dacht en schreef, vind ik veel betekenis. Wat hij zegt, is hoe belangrijk nabijheid is. Niet alleen een sms sturen of een smiley op Facebook, maar wel bellen en zeggen: ‘Kom, laat ons een terraske gaan doen.’’ (glimlacht)

‘Dat klinkt nu wel heel Antwerps en de kans bestaat dat we op ‘dat terraske’ niet durven te praten over wat minder goed gaat. Maar laat ons dat toch maar proberen.’

Waarin zit dat concreet? Want wat u schrijft, lijkt evident.

Mijn vrouw zegt letterlijk: ‘Dirk, wat jij schrijft, is toch niet bijzonder.’ Ik geef haar gelijk, en toch zitten de zalen waar ik ga spreken stampvol.
Dirk De Wachter
Psychiater

De Wachter: ‘Dat zegt mijn vrouw ook, letterlijk: ‘Dirk, wat jij schrijft, is toch niet bijzonder.’ Ik geef haar gelijk, en toch zitten de zalen waar ik ga spreken stampvol en is een boekje als dit in geen tijd uitverkocht. Blijkbaar weten we dat allemaal wel, maar moet iemand als ik het toch nog eens zeggen.’

‘Het zit in kleine dingen. Een vriend van me had plaats over in zijn huis, hij is naar Brussel gereden en heeft voor opvang van enkele vluchtelingen gezorgd. Maar net zo goed kan je commissies doen voor iemand uit het dorp.’

Een ‘Gutmensch’ zijn dus. Maar wie vluchtelingen opvangt, riskeert vervolging.

De Wachter: ‘We zijn zover gekomen dat ‘Gutmensch’ een belediging is geworden. Dat vind ik nogal straf. Ik schrijf het in dat essay: ik verkies de Gutmensch toch nog altijd boven de Schlechtmensch, hoor. Iemand als de filosoof Maarten Boudry noemt me graag een cultuurpessimist. Maar dat klopt niet. Ik hou er niet van als ik zo word gelezen. Ja, ik ben streng voor onze cultuur, maar dat is om onze cultuur mee in stand te houden. Men heeft het altijd over de waarden van de verlichting, maar door mijn job als psychiater hoor ik het leed van de mensen, en die wil ik aan de wereld kenbaar maken.’

Als een soort doorgeefluik?

De Wachter: ‘Precies. Psychiaters zijn het gewend om in de duisternis te werken, in het grootste vertrouwen en het grootste geheim. Ik neem alles mee in de kist. Maar streng geanonimiseerd wil ik het wel doorgeven. Want wat patiënten vertellen, is belangrijk voor de wereld. Ze voelen vaak beter aan wat fout loopt dan de doordrammers.’

Het vreemde is dat u door de politiek wordt gevraagd te spreken en dat u, zoals u zei, politici in uw praktijk ziet. Zij zijn de mensen die voor zorg zouden moeten zorgen.

De Wachter: ‘Ik heb ook geen oplossingen, ik stel alleen dingen vast. Ze vragen me allemaal, van redelijk links tot bescheiden rechts. En alle beleidsmakers zitten vooraan in de zalen. Mijn boodschap aan politici is altijd: ga de mensen niet te veel in de weg zitten. Luister gewoon naar hen. Ze geven me aan het einde altijd applaus, maar nadien wachten Twitter en Facebook weer en wordt van harte gepolariseerd.’

Over die sociale media schrijft u dat ze ertoe leiden dat we niet echt meer met elkaar praten. Was het vijftig jaar geleden dan beter? Toen bestond het internet niet.

De Wachter: ‘Er waren toen zeker meer kleine vangnetten: de kerk, het verenigingsleven, het dorp. Maar ik ben niet naïef. De homoseksuele puber in een klein Vlaams dorp in de jaren zestig was ook eenzaam en kon nergens terecht. Vandaag zitten die eenzame pubers, homoseksueel of heteroseksueel, alleen achter hun computer.’

Terug naar het begin en de vraag wat ongeluk is. Voor wie De Tijd leest, kan het zitten in het verlies van de waarde van je Nyrstar-aandelen. Voor wie voor De Tijd schrijft in het verlies dus van die geluidsopname. Voor wie de tijd ongenadig is, zit het in het verlies van een geliefde, een kind van elf, een illusie.

©SISKA VANDECASTEELE

Soms is er verdriet dat te diep is om zomaar weg te snuiten in één zakdoek. In ‘De kunst van het ongelukkig zijn’ pleit De Wachter voor wat de filosofe Joke Hermansen ‘kairos-tijd’ noemt: gun iedereen wat hij nodig heeft om erbovenop te komen. En hij citeert uit Johanna Spaeys ‘Kleine encyclopedie van de eenzaamheid’, waarin onder het lemma ‘wanhopige’ staat: ‘Kalme wanhoop is in tijden van absolute ontreddering soms het enige wat je nog overhebt. (...) Het wordt minder, dat weet je, nu nog even niet, maar straks.’

Onder de letter Y schreef ze ook ‘You’ll never walk alone’. Het is een troostrijke gedachte die voortkomt uit een groepsgevoel. Vaak zit het daar in aanraking, elkaar vastpakken. Soms zijn we toch uitgepraat. De Wachter: ‘Ik ben heel erg voor elkaar eens goed vastpakken. Een knuffel. Ik noem het: vel-voelen.’

En u schrijft: ‘In Metoo-tijden is dat een belangrijk werkpunt.’

De Wachter: ‘Ik krijg veel Metoo-daders voor mij. Ik praat natuurlijk niet goed wat die hebben gedaan, maar ik ben er zeker van dat het hechtingsbeschadigde mensen zijn. En daarom zou het een slechte reactie zijn om elkaar nu níét meer vast te pakken en elkaar niet meer aan te raken. Dat zou pas fout zijn.’

U sprak net over een klein Vlaams dorpje in de jaren zestig. U woonde daar zelf, in Boom. Hebt u die inzichten over zorgzaamheid en ‘Dasein’ van uw ouders meegekregen?

De Wachter: ‘Mijn vader was zeer op zichzelf. ‘Pour vivre heureux, vivons cachés’, was zijn motto. Maar hij was een kinesist, een man met grote zachte handen, zorgzaam voor zijn medemens. Een man van de aanraking dus ook.’

‘Mijn moeder had een parapluwinkel in Boom. (glimlacht) Dat bestond toen, hè. Huis Hendrickx, alleen maar paraplu’s. Zij was iemand die wel graag sprak, ze had ooit in Brussel meegedaan aan het ingangsexamen theater, in de lichting waaruit Dora van der Groen voortkwam. Dora was wel iets ouder en overklaste iedereen. Mijn moeder is bij haar winkel in Boom gebleven. Toen ze overleed, werd mijn vader bijna letterlijk geamputeerd. Zij was zijn alles, hij verloor een stuk van zichzelf.’

Maar die twee zitten dus in u: het zorgzame en het podium.

De Wachter: ‘Mijn broer werd ook kinesist. Hij is een heel lieve man die in Boom bleef wonen en veel voor mijn vader deed toen hij zwaar hulpbehoevend werd. Dat deed ik ook zoveel ik kon: twee keer per week langsrijden en hem in het weekend naar ons huis in Antwerpen halen. Mijn ouders wilden graag dat ik geneeskunde ging studeren. Ik had er de intelligentie voor, maar ik wilde psychotherapeut worden. Tot ik ‘De avonden’ van Gerard Kornelis van het Reve las. Na de laatste zinnen besloot ik: ik word psychiater.’

©SISKA VANDECASTEELE

Op pagina 32 van ‘De kunst van het ongelukkig zijn’, staat het zo: ‘In de laatste zinnen van ‘De avonden’ van Gerard Reve besluit Frits van Egters over zijn eigen leven: ‘Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven’ (p. 222). Ik denk dat het een diepmenselijke behoefte is om opgemerkt te blijven.’

Waarom veranderden die laatste zinnen zo uw leven?

De Wachter: ‘Ik had plots door dat ik niet de enige mens op de wereld was die over het leven nadacht. Tot dan liep ik door mijn dorp en dacht voortdurend: wat is dat, wat doen we hier, wat is het leven? Maar ik ging ervan uit dat ik de enige was die daarmee bezig was. Door Reve te lezen wist ik dat dat niet zo was.’

Een paar jaar geleden zei u me dat u het meest over het leven leert uit romans. Fictie dus, verzonnen verhalen.

De Wachter: (knikt) ‘Onlangs las ik een boek van Jean d’Ormesson. Vlak voor zijn dood schreef hij nog enkele gedachten neer over hoe het is te sterven, en dat leert me dan veel over hoe de dood aanwezig kan zijn in het leven. Ik las ook heel graag het boek van Peter Verhelst over zijn moeder. (glimlacht) En natuurlijk ‘Serotonine’ van Michel Houellebecq.’

U zegt natuurlijk, want u kent hem persoonlijk. Een bijzonder man, zo te zien.

De Wachter: (lacht) ‘Hij heeft me ooit eens uitgenodigd voor een diner, bij hem thuis, ja. Maar dat is alweer enkele jaren geleden. Dit boek is weer zo Houellebecq, zo vreselijk en soms heel erg rechts. Maar hij schrijft het fantastisch en hij voorspelde de gelehesjesbeweging in Frankrijk.’

Even terug naar dat ‘opgemerkt blijven’ uit dat boek van Reve. Zou Vincent van Gogh, die maar één schilderij verkocht, gelukkiger zijn geweest als hij breder was opgemerkt? Zonder het dan over geld te hebben.

De Wachter: ‘Dat weet je niet. Maar hij is een voorbeeld van mijn idee dat grote kunst alleen komt van mensen die voeling hebben met de duisternis. Het moet om meer gaan dan om oppervlakkigheid. Daarom citeer ik zo graag uit de teksten van Leonard Cohen of vind ik ‘Eraserhead’ van David Lynch zo’n geweldige film.’

‘Onlangs vroeg Philip Van Cauteren, de artistiek directeur van het S.M.A.K. in Gent, me mijn favoriete schilderij uit het museum te noemen. Mensenlief, hoe moeilijk! Ik kon er wel tweeduizend vinden. Maar uiteindelijk kwam ik toch bij werk van Bacon. Altijd weer Bacon, het wordt bijna een cliché. Maar ik kan in elk museum wel iets vinden en aan het einde aan de balie vragen of ze het voor me willen inpakken.’

Wat doet kunst dan?

De Wachter: ‘Kunst heeft de plaats ingenomen die religie voor vorige generaties had. Onlangs kwam ik in de kerk van Sint-Laurentius, waar ik woon. Daar zaten drie grijze kalende mensen. Op hetzelfde moment liep deSingel vol met mensen. Kunst is zingeving geworden.’

‘Elke dag luister ik naar Bach. Maar als ik Philippe Herreweghe - de leider van Collegium Vocale en niet toevallig zelf ook een psychiater - zie dirigeren en ik hoor ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’ uit de Matthäus-Passion zingen, dan word ik telkens opnieuw in tranen stil. In Nederland wordt het in kerken opgevoerd en na het einde gaat iedereen in stilte naar huis. Dat vind ik goed. Na die ontroering hoort geen applaus.’

‘Dus Bach, ja. Maar net zo goed Anne Teresa De Keersmaeker. Kunstenaars leren ons iets over onze broosheid en onze kwetsbaarheid.’

U hoort in uw praktijk veel lastige verhalen en wordt geconfronteerd met mensen in moeilijkheden. Waar legt u zelf eigenlijk uw hoofd neer?

De Wachter: ‘Mijn grote geluk is mijn vrouw. Zij is huisarts. Als je elkaar ontmoet als je 25 bent, heb je geen flauw idee hoe dat zal aflopen. Je moet geluk hebben, en ik heb het. Ik ben ook graag gezien geworden, thuis. Ik ben geboren in een regio zonder oorlog. Ik kreeg hersenweefsel dat me in staat stelde goed te studeren. Mijn drie kinderen doen het goed. Natuurlijk gaat je leven soms door moeilijkheden, maar ik heb veel geluk.’

In een documentaire zei Magnumfotograaf Harry Gruyaert: ‘Il faut essayer d’avoir de la chance.’

De Wachter: ‘Dat vind ik een heel goede manier om naar het leven te kijken. Het leven is een zeer kronkelend pad, dat als een holle weg tussen twee bermen ligt. Links is het glibberig, nat en vuil, vol modder. Rechts, amper een meter verder, schijnt de zon, is het gras groen en is het heerlijk toeven. Je moet je best doen en voortdurend uitkijken, maar je kan op zijn minst altijd proberen de goede kant te kiezen.’

Hoe sluit je af? Hij schrijft nog: ‘Zoals ik vroeger al stelde: ‘L’enfer c’est les autres’, zei Sartre, maar volgens mij moet het eigenlijk ‘L’enfer c’est le manque des autres’ zijn. Zeker in moeilijke dagen. Ik geef toe dat ik de uitspraak van Sartre hier wat simpel interpreteer, maar het komt me voor dat de lastige medemens nog te verkiezen is boven het tot zichzelf veroordeelde individu, die het leed van de wereld eenzaam moet trotseren.’

Maar uit de herinnering komt plots nog een laatste gedachte. Iets wat hij zei over de mens. Zogenaamd klein of zogenaamd groot. Dat was dit: ‘Ik oordeel over niemand. Ik wil niet terugschrikken als ik een dakloze op straat zie liggen en evenmin als een CEO voor mijn neus zit. En in se is het verschil heel erg klein. Achter de façade is dat er amper. Op consultatie komen dus ook de succesvolste mensen die zich de vraag stellen: hoe moet ik nu leven?’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect