Een schrijver en een schilder op zoek naar de ziel van Oostende

Schrijver Koen Peeters (links) en schilder Koen Broucke. ©Jonas Lampens

Schrijver Koen Peeters was altijd al een fan van Brussel, en plots bleek er ook een ‘klein Brussel’ aan de zee te liggen. Samen met schilder Koen Broucke maakte hij een gevoelige roman over Oostende en hun vriendschap.

‘Kamer in Oostende’, zo heet de eerste roman van Koen Peeters (60) sinds hij anderhalf jaar geleden de ECI Literatuurprijs - de vroegere Ako, intussen alweer Bookspot - kreeg voor ‘De mensengenezer’. De erkenning veranderde veel. Het belangrijkste: de schrijver is geen bankier meer. Hij zegde zijn job als leidinggevende in het hoofdkantoor van KBC op. ‘Kamer in Oostende’ refereert hier en daar aan zijn vroegere leven als bediende, zonder man en paard te noemen. Af en toe deelt Peeters een speldenprik uit, zoals op pagina 112: ‘De routine, het plichtsgevoel, ach, wij verdienen onze kost. Zachtjes wordt een werkgeverslogo getatoeëerd op het wezen van de werknemer.’

Dat is Oostende: de nervositeit om mee te zijn. Het is een rusteloosheid die maakt dat de stad constant vervelt, groeit, vernieuwt en vernielt.
Koen Peeters, schrijver

De schrijver grimast. ‘Ik heb eerlijk waar altijd met plezier gewerkt in de bank. Alleen slorpte het schrijven steeds meer van mijn tijd op. Ik ben antropoloog van opleiding. Als schrijver probeer ik de geschiedenis te begrijpen vanuit het perspectief van haar getuigen. Daarvoor moet je ter plekke gaan, reizen, met mensen praten. Dat viel niet meer te combineren met mijn werk in een bedrijf.’

Voor ‘Kamer in Oostende’ vormde de koningin der badsteden het onderzoeksterrein. Samen met schilder Koen Broucke (53) ging hij drie jaar lang elke maand twee dagen naar Oostende. Ze flaneerden, op zoek naar de ziel van de stad via gesprekken met collega-schrijvers, kunstenaars of gewone Oostendenaars. Het boek is een ontroerend en soms heerlijk ironiserend verslag van die zwerftochten, verpakt als een warmhartige ode aan Oostende en hun vriendschap.

Die is vrij recent. De schilder kende de schrijver al dertig jaar door zijn boeken. De schrijver werd verliefd op het werk van de schilder op een expositie in het nietige dorpje Orsmaal in Vlaams-Brabant. Maar ze werden pas vrienden op een bedevaart die ze zes jaar geleden ondernamen naar Miavoye, een dorpje in Wallonië waar Paul Van Ostaijen zijn laatste maanden doorbracht in een sanatorium. Broucke: ‘Koen, jij slaagt erin om iets banaals als een jonge vriendschap tussen twee mannen te schilderen met woorden zonder melig te worden.’

Staat er een leeftijd op het aanknopen van vriendschappen? ‘Vriendschappen hebben blijkbaar een of andere levenscyclus’, antwoordt de schrijver. ‘Ze ontstaan door iets gemeenschappelijks, doordat je iets in elkaar herkent dat elkaar versterkt. Ik denk niet dat vriendschap door toeval ontstaat. Ze groeit, ontwikkelt zich en vaak verdwijnt ze ook. Door omstandigheden, door verwijdering, soms zelfs door ruzie. Maar zelfs als de kwaadheid voorbij is, blijft er toch iets gemeenschappelijks, al is het maar de herinnering aan een fijne vriendschap. Je kunt er telkens naar terugkeren. Ik denk niet dat zo’n cyclus leeftijdsgebonden is. Je kunt op elke leeftijd vriendschappen aanknopen.’

Verpleegster

Terug naar Oostende. Met schrijver en schilder staan we op het Mijnplein, volgens het boek het decor van hun eerste ontmoeting. Een leugen, maar liegen mag in een roman. De schrijver tegen de schilder: ‘‘We zijn in de werkelijkheid bezig en we maken daar een verhaal van.’ Dat zeiden we altijd tegen elkaar, nietwaar? Soms is iets waar in het boek, soms ook niet. De namen van de meeste hotelkamers zijn verzonnen. Bepaalde verhalen werden aangedikt, wanneer we onze verbeelding niet in toom konden houden. (lacht) Dat was meestal ’s nachts in de late uurtjes, op café. Als schrijver vind ik de grens tussen fictie en realiteit interessant onderzoeksterrein. Ik denk dat ik schrijf zoals een portretschilder. Die vertrekt weliswaar van een gezicht, maar hij maakt daar dan een kunstwerk van. Wordt het dan fictie?’

Het uitzicht van Hugo Claus (Hôtel de Londres) ©Koen Broucke

Broucke knikt: ‘Alles wat je schildert, is een spiegeling: het zegt evenveel over jezelf als over je personage. Dat gaat zelfs zover dat ik een deel van mezelf zou schilderen als ik nu een portret van Koen Peeters zou maken. Ik heb voor dit boek veel marines geschilderd. (een tiental werken zijn in het boek afgedrukt, red.) Deels zijn dat ook zelfportretten.’

Geen ‘geschilderde’ werkelijkheid is het verhaal dat de schoonmoeder van Koen Peeters als verpleegster de grote schilder James Ensor (‘een morsige oude vent met een wit opkrullende baard’) heeft verzorgd. Van de vele kunstenaars in wiens voetsporen Peeters en Broucke tredenk, werpt Ensor de langste schaduw af. De twee lieten zich gewillig op sleeptouw nemen door Ensor-kenner Xavier Tricot.

‘Als schilder is Ensor niet meteen een inspiratiebron voor mij,’ zegt Broucke, ‘als allroundkunstenaar des te meer. Hij was ook een prima componist en schreef prachtige brieven in het Frans. We gingen hem regelmatig groeten in Mu.ZEE en het Ensorhuis. (glimlacht) Daar stonden we dan, als twee kleine jongetjes, voor zijn ‘Zelfportret met bloemenhoed’. Weet je nog hoe we in het Ensorhuis in die houten, schelpvormige stoel wilden zitten waarin ooit de meester troonde? Tevergeefs, de suppoost floot ons terug. (lacht) Gelukkig konden we de stoel wel heel even aanraken.’

Samen met schilder Koen Broucke (rechts) ging schrijver Koen Peeters drie jaar lang elke maand twee dagen naar Oostende. ©Jonas Lampens

Die andere vermaarde Oostendse schilder, Léon Spilliaert, komt minder aan bod in het boek. Peeters: ‘Ensor of Spilliaert? Ik was lange tijd een vlottende kiezer. Eerst Ensor, dan Spilliaert, en nu ben ik weer fan van Ensor. Het is definitief, denk ik. Het latere werk van Spilliaert is zo slecht dat ik ooit in een verkoopzaal een lelijk werkje kocht omdat ik dacht dat het een Spilliaert was. (lacht) Gelukkig was het er geen. Sorry, Léon.’

Broucke: ‘We hebben veel Spilliaert-wandelingen gemaakt. Er is weinig overgebleven van de plekken waar hij woonde en leefde. En ja, zijn beginperiode met zijn donkere zelfportretten was fabelachtig. Dat was Spilliaert de zelfkweller, de maaglijder die achterin in de parfumerie van zijn ouders woonde. Maar daarna? (blaast) Nadat hij trouwde, verwaterde zijn werk. (lacht) Daar heb jij ook schrik van, nietwaar Koen? Dat ik alleen nog maar bomen aan de Maas ga schilderen nu ik rust en geluk heb gevonden in de Maasvallei.’ (Broucke verhuisde vorig jaar van Boechout naar Waulsort, onder Namen)

We vervolgen onze weg naar de zeedijk. De schrijver wijst naar een flatgebouw dat ooit het Hôtel de Londres was. Hugo Claus logeerde na de Tweede Wereldoorlog op die plek, om het zwarte oorlogsverleden van zijn familie van zich af te schudden. Vanop de hoogste verdieping van het hotel keek Claus uit op een golfbreker, de haven en het grijsgroene water.

Deze schrijver en schilder deden hetzelfde, een tijd geleden. Toevallig stond de voordeur van het appartementsgebouw open, en ze slopen naar binnen. Helemaal boven gingen ze op de plek staan vanwaar Claus naar het water tuurde. Welke kleur heeft de Noordzee voor hen? Broucke: ‘Paars. Bijna altijd. Maar dat kan ook aan mijn paarse kleurenfilter liggen. Benno Barnard heeft mij eens omschreven als ‘de verpaarser van de werkelijkheid’. Ik denk dat dat klopt. Paars ligt me na aan het hart omdat het een mengkleur is van blauw en rood, een warme en een koude kleur. Wat zie jij, Koen?’

Peeters: ‘Zilver, als een oude spiegel. In het boek schrijf ik dat een stad zoveel perspectieven kan bieden op de zee dat we slechts kunnen raden hoe de zee naar ons terugkijkt. Zilverkleurig vertelt de zee het verhaal van de tijd.’

Roekeloos talent

Ze zien misschien een andere zee, maar hun beeld van de stad stemt wel overeen. Oostende heeft dat roekeloze talent voor toerisme dat de oorspronkelijke bewoners soms naar adem doet happen. Met pijn in het hart zagen ze de kansarmoede een hoge vlucht nemen. En ja, er is de valse romantiek van Oostende als paradijselijk oord waar artiesten en arbeiders samenleven en rauwheid en artisticiteit elkaars gelijke zijn. ‘In de zomer zie je hoe die werelden van gewone Oostendenaars en aangespoelde artiesten en toeristen nauwelijks mengen’, zegt Broucke.

Zwarte Noordzee, een schildrij van Koen Broucke. ©Koen Broucke

‘Je hebt gelijk,’ zegt Peeters, ‘maar als schrijver prikkelt dat net mijn nieuwsgierigheid. Mensen die zo dicht op elkaar leven en toch in aparte werelden vertoeven, dat is een stedelijk fenomeen. Vroeger was ik een grote fan van Brussel, tot er plots ook een klein Brussel aan de zee bleek te liggen.’

Die gewone Oostendenaar wordt niet vergeten in het boek. In een van de mooiste hoofdstukken ontmoeten de schilder en de schrijver een vissersvrouw wiens huis op de kaai straks moet plaatsmaken voor appartementen voor vermogende senioren. ‘Haar huidige huis was te groot, ze kreeg een gloednieuw appartement en toch was dat erg dubbel voor haar’, zegt Peeters. ‘Dat is Oostende: de nervositeit om mee te zijn. Het is een rusteloosheid die maakt dat de stad constant vervelt, groeit, vernieuwt en vernielt.’

‘Kamer in Oostende’ verschijnt op 3 juni bij De Bezige Bij Amsterdam. 271 blz.

 

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect