reportage

Intiem zelfportret schetst wankelende Griekse samenleving

©George Detsis

Athene stond in brand toen Vincent Van Meenen er in 2014 ging wonen. De schrijver ging er niet naartoe om zich te vergapen aan de ellende. Hij vond er liefde en vriendschap bij een strijdbaar volk. In ‘We houden zo van Anthi’ geeft hij een prachtige inkijk in de wereld die hij er aantrof.

We zitten in een taxi van de luchthaven naar de stad met twee journalisten, een schrijver en een vluchteling. Die laatste heeft Vincent Van Meenen (30) op het vliegtuig leren kennen. Serge komt uit Congo en is met een vluchtelingenpaspoort naar Griekenland gereisd. Met een stralende glimlach heeft hij ons aanbod aanvaard hem in de stad af te zetten. Op een straathoek worden telefoonnummers uitgewisseld. ‘Bel me als ik iets voor je kan doen’, zegt Van Meenen nog. Daarna verdwijnt Serge in de menigte, niemand weet waarheen.

Kort

Een existentiële crisis dreef Vincent Van Meenen (30) in 2014 naar Athene. Hij was kwaad op alles en iedereen, maar nog het meest op zichzelf.

De schrijver beleefde twee bijzondere jaren: hij zette zich in voor vluchtelingen, maakte vrienden en werd verliefd.

‘We houden zo van Anthi’ is een intiem zelfportret, een ode aan een verloren liefde en een schets van een wankelende samenleving.

Het voelt alsof we de pagina’s van het boek zijn binnengestapt. Van 2014 tot 2016 woonde Van Meenen in Athene, waar hij zich engageerde voor de opvang van vluchtelingen. In de harde, ontnuchterende hoofdstukken schuilt tegelijk een onthutsende warmte. Van mensen die op hun tandvlees zitten en het toch voor elkaar opnemen.

Van Meenen was op zoek naar een plek om te aarden. Die vond hij, hier in de straten van Athene, waar hij ons nu met een rusteloze haast doorheen gidst. Dit wordt geen toeristisch uitstapje. Dit is het Athene van achterbuurten, kraakpanden en zigeunermarkten. ‘Een stad als een onontwarbaar kluwen, een zinnelijk circus waar niemand me kent. Precies het soort chaos dat ik zocht.’

Het boek is als een mozaïek van het dagelijkse, onopvallende leven en moet intuïtief gelezen worden. Wie de schrijver wil vinden, moet hem zoeken tussen de regels. ‘Toen ik uit België vertrok, was ik kwaad. Ik wist niet hoe ik lief moest zijn voor mijn dierbaren, of voor mezelf. Hier in Griekenland is er iets in mij veranderd. De man die na twee jaar terugkeerde naar België was nederiger, dankbaarder en aangenamer.’

Toen hij naar Athene verhuisde, stond zijn debuutroman ‘Licht en geluid’ in de steigers. Een roekeloze roadnovel over twee 16-jarigen op een wilde tocht langs de Europese snelwegen. Ook het wondermooie ‘Tuin’ was al geschreven, dat ergens tussen een poëtische novelle en een meditatiesessie zweeft.

Het boek is als een mozaïek van het dagelijkse, onopvallende leven en moet intuïtief gelezen worden. Wie de schrijver wil vinden, moet hem zoeken tussen de regels.

‘Als je één ding over mijn oeuvre kan zeggen, dan wel dat ieder boek een vreemde eend in de bijt is. Ik hoop dat ik nog lang vreemde eenden zal maken.’ Zijn nieuwe boek is zowel een intiem zelfportret, als een ode aan een verloren liefde, als een schets van een samenleving die gebogen gaat onder een economische crisis.

‘Ik dacht dat ik dit boek nooit zou kunnen schrijven. Het zat te dicht op mijn huid. Hoe schrijf je over je eigen leven zonder er literatuur van te maken? Hoe vang je de werkelijkheid, al was het maar een glimp ervan?’ De vertaler Patrick Lateur spoorde hem ertoe aan het toch te proberen. ‘Jij moet gewoon je dagboeken uitgeven’, zei hij, en hij had zelfs al een titel klaar: ‘Atheense notities’. ‘En als Lateur iets zegt, luister je. Het is onmogelijk mijn leven precies weer te geven zoals het hier was. Maar in dit boek schemert er toch iets van door.’

Exarcheia

’s Avonds steekt een onverwacht koele wind op. De stad die overdag nog platgeslagen lag onder de hitte, wordt plots onrustig. Klapperende zeilen, opwaaiend stof, vervaarlijk slingerende witte bollampen. Boven de huizen hangt nog een diepblauwe gloed, maar onder de bomen is het al nacht. Aansnellende koplampen trekken dunne sporen van licht door het duister.

We zijn in het hart van Exarcheia, de wijk waar Van Meenen het grootste deel van zijn tijd doorbracht. Iedere toeristengids zal je afraden hier naartoe te komen. Sinds eind jaren 60 is dit een broeihaard van antiautoritair verzet. Nadat het leger in 1973 een bloedbad aanrichtte op de universiteitscampus, werd beslist dat de politie de wijk met rust zou laten. Er ontstond een gemeenschap van outcasts, revolutionairen en anarchisten die een compleet zelfbestuur nastreven.

Door de afwezigheid van de politie voelen ook illegale vluchtelingen zich hier veilig. Ze leven in kraakpanden, krijgen maaltijden, taallessen en zelfs juridische ondersteuning. Van Meenen heeft hier twee jaar Franse les gegeven, theaterworkshops georganiseerd en mee in de keuken gestaan. Maar sinds enkele weken laaien de rellen weer op. De politie waagt zich opnieuw in de wijk en is begonnen aan een grootschalige ontruiming van de opvangtehuizen.

©George Detsis

We lopen langs gebarricadeerde gevels en rafelige spandoeken. Van Meenen is zichtbaar aangeslagen. ‘Het kan er hier erg gewelddadig aan toegaan, maar ik heb me altijd geconcentreerd op de hoop die hier groeit. Maar wat hier nu gebeurt is een tragedie.’

Op het centrale plein wordt een protestconcert georganiseerd. Het ziet er zwart van het volk. Een reus van een vent speelt opzwepende bluesnummers. Tussen iedere act springt een oudere vrouw het podium op. ‘Solidariteit is het wapen van het volk’, schreeuwt ze. ‘Strijd tegen de strijd van de bazen.’

Rondom het plein staan lange tafels met boeken. Sophocles en William Burroughs liggen zij aan zij met anarchistische pamfletten. We vinden er zelfs een vertaling van ‘De Oostakkerse gedichten’ van Hugo Claus. Een van de boekhandelaars springt van achter zijn kraam en drukt Van Meenen tegen de borst. De hele avond zal hij worden aangesproken door kennissen die vanuit het niets komen opduiken. De mensen zijn hem hier nog niet vergeten.

Rondom het plein staan lange tafels met boeken. Sophocles en William Burroughs liggen zij aan zij met anarchistische pamfletten. We vinden er zelfs een vertaling van ‘De Oostakkerse gedichten’ van Hugo Claus.

In een Kretenzische bar ontmoeten we zijn vrienden. De personages uit het boek zitten lachend en schreeuwend om ons heen. Ze vallen Van Meenen om de hals, horen hem uit en bestellen zijn lievelingshapjes. In een oogwenk staat de tafel vol met glaasjes raki, schoteltjes met roomzachte fava, gerookt varkensvlees en kazen die royaal met honing overgoten zijn. De rode wijn is streng als droge port maar met een hint van gebrande karamel, de kleur als vloeibaar koper.

Het is ver na middernacht als vier mannen hun instrumenten bovenhalen. De nummers zijn oud maar iedereen zingt mee. De muziek bindt jong en oud, links en rechts. Mensen vinden hun wortels in de raadselachtige, onpeilbare melodieën die grillig wisselen tussen majeur en mineur, leed en genot, pijn die zich uitkristalliseert in een enkele rauwe noot.

Als we later die nacht terugkeren naar het centrale plein van Exarcheia waaien de giftige traangasdampen ons tegemoet. In de omliggende straten staan afvalcontainers in brand. Op het asfalt tekenen zwarte vegen van ontplofte molotovcocktails zich af. Nog maar een halfuur geleden is hier een veldslag uitgevochten.

Anthi

De economische crisis, de vluchtelingenstroom, het politiegeweld, de solidariteit onder de Griekse bevolking: dit boek ademt het allemaal. Maar de rode draad is Anthi. Van Meenen leerde haar hier kennen in een koude winternacht en werd halsoverkop verliefd. Geleidelijk zou ze hem tot rust brengen en een ritme geven. Een nieuwe richting in een wereld waarin hij de weg was kwijtgeraakt. Een verliefdheid als een baken in woelige tijden.

‘We houden zo van Anthi’ is het intieme zelfportret van een kunstenaar op de dool, die zichzelf terugvindt dankzij de liefde. Een liefde die nooit overging, maar ook niet kon blijven duren. In een plotse opwelling - die hij ook nu niet kan doorgronden - besliste hij na twee jaar om alles achter te laten en terug te keren naar België.

De meeste levens zijn niet zo sensationeel en laten zich al zeker niet samenvatten in een helder verhaal. Ook dat van Van Meenen niet. Dit boek is als een net, dat heel veel kleine dingen vangt: de onopvallende details van het dagdagelijkse, de onverwachte ontmoetingen en ontdekkingen. Koffiezetten met de vrouw van wie je houdt, samen aan tafel zitten en de middag vullen met elkaars gezelschap. Samen voor de spiegel je tanden poetsen en elkaar in de ogen kijken. En beseffen hoe machtig mooi dat is.

Vincent Van Meenen - We houden zo van Anthi - 256 pagina’s, Nijgh & Van Ditmar.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect