Advertentie
Advertentie

Eric Min: ‘Ik ben graag in het verleden’

©saskia vanderstichele

In zijn nieuwe boek ‘Gare du Nord’ doet biograaf en essayist Eric Min het relaas van de Belgische en Nederlandse kunstenaars die tussen 1850 en 1950 roem en inspiratie zochten in Parijs. ‘De verhalen zijn te goed om niet verteld te worden.’

Eric Min beoefent een zeldzaam genre in onze vaderlandse letteren: dat van de literaire non- fictie. Als geen ander weet hij het informatieve aan het aangename te koppelen. Droge data worden in zijn handen literatuur. Min schrijft met veel goesting en koppelt stilistische brille aan minutieuze kennis. In zijn biografieën van James Ensor, Rik Wouters en Henri Evenepoel komen de kunstenaars zo gloedvol tot leven.

Profiel
Eric Min (1959) is een Belgische biograaf, essayist en criticus. Tussen 1989 en 2015 leverde hij cultuurbijdragen voor De Morgen over literatuur, beeldende kunst en fotografie. Hij schreef kunstenaarsbiografieën van James Ensor, Rik Wouters en Henri Evenepoel. ‘De eeuw van Brussel. Biografie van een wereldstad (1850-1914)’ werd in 2014 genomineerd voor de AKO-literatuurprijs. In 2019 verscheen ‘De klank van de stad: een cultuurgeschiedenis van Venetië’ in samenwerking met Gerrit Valckenaers.

In ‘Gare du Nord’ voert Min even gloedvol een bonte stoet van schrijvers, schilders, beeldhouwers en componisten op die tussen 1850 en 1950 vanuit België en Nederland naar Parijs trokken. Als we hem met zijn jongste boek complimenteren, reageert hij met een mengeling van trots en bescheidenheid. ‘Het is onmogelijk met dit materiaal een slecht boek te schrijven. De verhalen zijn te goed om niet verteld te worden. Ga die kunstenaars over wie ik schrijf ook maar eens opzoeken: hun oeuvres zijn nog altijd de moeite waard.’

Een kunstenaar uit de Lage Landen bestond pas echt als hij het in Parijs had gemaakt.
Eric Min
Biograaf en essayist

De kunstenaars hielden het midden tussen gelukszoekers en economische vluchtelingen. Vaak waren het jonge mannen, twintigers die met hun verfdoos, dichtbundel of muziekpapier van de trein stapten in de Gare du Nord, leergierig, eerzuchtig en krap bij kas. ‘De aantrekkingskracht van Parijs was enorm’, zegt Min. ‘Nergens vond je zo’n grote concentratie van musea, galeries, tijdschriften, ateliers, kunstkenners en verzamelaars op zo’n kleine oppervlakte. Een kunstenaar uit de Lage Landen bestond pas echt als hij het in Parijs had gemaakt. De concurrentie was er moordend.’

Min gidst zijn lezer soepel door de tijdperken, van het fin de siècle naar de belle époque, van de roaring twenties naar de trente glorieuses. Hij doorkruist twee wereldoorlogen en legt zijn verhaal neer aan het begin van de jaren vijftig. Een stroom van opflakkerende en weer uitdovende ‘ismen’ passeert de revue: symbolisme, impressionisme, pointillisme, fauvisme, futurisme, dadaïsme.

‘Er was een grote honger naar alles wat nieuw was, naar het ongeziene en ongehoorde. Ook daarvoor moest je in Parijs zijn. Walter Benjamin zag Parijs als het laboratorium van de moderniteit. Nieuwe idealen en attitudes, nieuwe vormen en materialen werden er uitgeprobeerd, verfijnd of verworpen.’

©rv

Twee gezichten

Een greep uit het namenregister in ‘Gare du Nord’ leest als een catalogus van de Belgische en Nederlandse nationale trots: Félicien Rops, Emile Verhaeren, Henry Van de Velde, Léon Spilliaert, Marthe Donas, Georges Simenon, Frans Masereel, Simon Vinkenoog, Hugo Claus. Er zijn ook namen die wat verder uit het collectieve geheugen zijn weggedreven. Wie waren Camille Platteel, Guillaume Lekeu, Clément Pansaers of Jean-Jacques Gailliard ook alweer?

‘Je kan geen boek schrijven over Parijs in de periode 1850-1950 en het niet hebben over Van Gogh, Masereel en Verhaeren. Maar ik vind er een duivels plezier in om minder bekende of vergeten kunstenaars op te diepen. Zo ontstaat nuance’, zegt Min. Voor elk succesverhaal vind je tien fiasco’s. Denk aan de flamboyante herrieschopper Antoine Wiertz, die door de critici werd afgeserveerd en zijn leven lang in Brussel op wraak bleef broeden. Of René Magritte, die er geen voet aan de grond kreeg.

‘Sommigen lukte het wel, zoals de Nederlandse schilder Kees van Dongen. Hij arriveerde in de lichtstad als halve anarchist en armoezaaier, maar slaagde erin als illustrator contact te maken met het Parijse publiek en ontpopte zich tot de modieuze portretschilder van de beau monde in de jaren twintig en dertig.’

‘Of neem Félicien Rops, die van zichzelf beweerde dat hij de best betaalde tekenaar van Parijs was. Alles wat Rops beweerde, moet je door twee delen, maar dan nog is het indrukwekkend. Georges Simenon schreef er een oeuvre van ongeveer vijfhonderd kortverhalen en romans bij elkaar. Hij gaf legendarische feesten waar le Tout-Paris kwam opdagen, van Josephine Baker en Colette tot de Rothschilds en de fotograaf Brassaï.’

Min ontmaskert Parijs als een stad met twee gezichten. ‘Het is de enscenering van de verlokking, de stad die verleidt en fascineert en waar het verlangen naar monumentaliteit van af spat. Maar er is ook de schaduwzijde. Naast het chique Parijs bestaat een Parijs waar schrijnende armoede wordt geleden, waar vrouwen zich moeten prostitueren en grote groepen mensen moeten knokken voor hun bestaan. Dat is de rauwe realiteit.’

Het was verbijsterend te ontdekken dat Parijs in de jaren vijftig al een soort Disneyland was geworden.

Voor het eerst in de kunstgeschiedenis vindt die onverbloemde armoede haar weg naar de kunst. ‘Geïnspireerd door Zola trok Van Gogh de straat op en maakte daar schetsen van de arbeiders en cheminots. Zeker aan het einde van de 19de eeuw groeide een grote sociale bewogenheid onder de kunstenaars. Er was een intense verknoping tussen linkse bewegingen en de kunstwereld. Men vroeg niet altijd om toestemming, maar in anarchistische tijdschriften werden gedichten van Verhaeren geplaatst. Théo van Rysselberghe, de pointillist die prachtige burgerportretten en Zuid-Franse landschappen schilderde, herbergde in Brussel een voortvluchtige Franse anarchist.’

Vatbaar voor nostalgie

Doorheen de voortsnellende decennia doet zich een opvallende verschuiving voor. ‘De kunstenaars die eind 19de eeuw naar Parijs trokken, werden gedreven door ambitie. In de 20ste eeuw zochten ze er bovenal inspiratie. Het was verbijsterend te ontdekken dat Parijs in de jaren vijftig al een soort Disneyland was geworden. Toen al verschenen brochures en reisgidsen die vertelden hoe pittoresk het wel niet was om in Saint-Germain-des-Prés de langharige kunstenaars in de cafés te zien zitten. Dat was voor mij een openbaring.’

‘Claus, Vinkenoog en Ed van der Elsken trokken naar de ville lumière om de romantische mythe te beleven. De stad was hun schilderachtige decor en verschafte de couleur locale voor het toneelstuk dat ze in scène zetten.’ Op de vraag of hij ook vatbaar is voor die nostalgie, antwoordt Min resoluut. ‘Ik heb liever nu tandpijn dan tweehonderd jaar geleden. Het slaat nergens op te zeggen dat het toen allemaal beter, interessanter en opwindender was. Voor het merendeel van de mensen was het knokken om te overleven.’

Wel voelt Min een verwantschap met hoe mensen destijds dachten en handelden. ‘Het klinkt misschien belachelijk, maar het lijkt alsof ik daar ooit eens ben gepasseerd. Ik herken iets van mezelf in de mensen over wie ik schrijf, ik voel hun tijd door mijn aderen stromen. Komt daar ook melancholie bij kijken? Misschien wekt het vooral een gevoeligheid voor het verglijden van de tijd. Een gevoel dat alleen maar wordt versterkt door zo vaak in het verleden te duiken. Ik moet zeggen: ik ben daar graag. Maar ik verkies de luxe om vanuit het heden terug te kijken.’

‘Gare du Nord’ is uitgegeven bij Pelckmans, telt 468 pagina’s en kost 29,50 euro. Het wordt woensdag 16 juni digitaal voorgesteld op webinargeek.com.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud