interview

Erwin Mortier: ‘Je moet verstandig beleggen in je emoties'

Erwin Mortier in Hansbeke. ©Diego Franssens

Zijn nieuwe boek, ‘De onbevlekte’, zou verschijnen op 7 april en dat gebeurde. Zonder feestje en zonder winkels. Erwin Mortier vindt dat sneu, maar in de coronacrisis ziet de schrijver ook het positieve. ‘Dit kan een moment van catharsis zijn.’

Dit verhaal begint met een mail op 6 februari. Die ochtend zet Erwin Mortier op Instagram een foto van het met bloemen getooide graf van zijn beide ouders en een bijschrift: ‘In memoriam patris et matris.’ Drie jaar na zijn mama is ook het dode lichaam van zijn papa in de aarde gelegd. Een half uur later beantwoordt de schrijver de mail. Vader is 27 januari gestorven. Hij schrijft: ‘Men moet het religies nageven, ze komen (ik parafraseer de gebroeders Goncourt) zeer van pas wanneer men moet huilen.’ In bijlage zit een document met als titel ‘Welkomstwoord Erwin voor pa.’ Het zijn woorden die hij voorlas op de afscheidsviering in de kerk van Hansbeke: ‘Papa was een man van weinig woorden, maar een open boek - dat al te vroeg is dichtgeslagen.’

Nu is het 16 maart. We zijn in de eerste lockdowndagen, net voor de strengste regels. Een hand geven we niet meer, anderhalve meter afstand moet nog niet. We rijden van Gent naar Hansbeke, het dorp van zijn jeugd, het dorp van zijn debuutroman ‘Marcel’ uit 1999, het dorp van zijn nieuwste boek ‘De onbevlekte’. Je zou het cliché van de ronde cirkel kunnen gebruiken.

Uitgeverij De Bezige Bij zette het boek zo in de markt: ‘Het sublieme vervolg op ‘Marcel’, van een schrijver op de top van zijn kunnen.’

Aan de overkant van de straat, in de ziekenzaal van het vroegere klooster, schreef hij het boek dat daar op 25 februari 1999 werd voorgesteld. Zijn ouders waren er toen conciërge. 21 jaar later een vervolg schrijven is bijzonder. In ‘De onbevlekte’ is Marcel een volwassen man geworden die met zijn grootmoeder terugkijkt naar een bezwaard familieverleden. ‘Zelf noem ik het geen vervolg. Het is meer een verdieping. Een apart te lezen boek, wel met echo’s van mijn debuut. Dit had ik niet onmiddellijk na ‘Marcel’ kunnen schrijven. Je evolueert en je voedt je schrijverschap. Je moet als schrijver verstandig beleggen in je emoties.’

De schrijver op het pad naar het kasteel. ©Diego Franssens

‘Marcel’ begon zo: ‘Het huis leek op alle andere in de straat: ietwat scheefgezakt na twee eeuwen bewoning, stormwind en oorlog.’ Hij herlas het, voor het schrijven van ‘De onbevlekte’ (en voor de heruitgave nu, de twaalfde druk) één keer. ‘Ik zie een boek dat er nog altijd staat, maar wel twintig jaar van me afstaat. Zelf lees ik heel graag een voltooid oeuvre. Zo zie je hoe een dichter of schrijver rijpt.

Existentieel is ‘Marcel’ iets uit een ver verleden. Ik lees de man van 34 die ik toen was. Voor ‘De onbevlekte’ heb ik niet bewust naar de pen van toen gezocht. Het verhaal draagt de stijl aan. Daarom is dit veel beknopter dan ‘Godenslaap’ (boek uit 2008, red.), waarin de vrouwelijke hoofdrolspeelster, als verzet tegen de catastrofe van Wereldoorlog I, de taal heel bewust laat losbarsten.’

Kon ‘Marcel’ u verrassen?

Erwin Mortier: ‘Al mijn boeken zitten nog in mijn hoofd. Dat is vergelijkbaar met een actrice die een rol van 15 jaar geleden opnieuw moet spelen, denk ik. De schrijver is de ultieme acteur, het gaat er enkel om de bron weer aan te boren. De brieven van de echte Marcel (Mortiers grootoom Jozef Lootens, brigadier bij de SS, red.) las ik als kind, maar nu viel me op dat hij meer bloed aan zijn handen had dan ik als 15-jarige doorhad. Hij was lid van de Einsatzgruppen, die aan het Oostfront de oogsten gingen beschermen, maar die er niet naast zullen hebben geschoten. Op foto’s zie ik een 22-jarige snotneus, zoals de snotneuzen die naar Syrië trokken.’

In ‘De onbevlekte’ wordt uit die brieven uitvoerig geciteerd.

Mortier: ‘Je leest dat die jongens tot eed van trouw aan Hitler werden gedwongen, je voelt ook verzet, maar vooral onzekerheid. En angst. We denken te gemakkelijk dat die gasten halve psychopaten waren die zich met fanatisme in die oorlog stortten. Terwijl in het geval van Marcel niet mag vergeten worden dat hij wees was, net als mijn grootmoeder. Alleen al daardoor waren ze gevoelig voor een ideologie met een helder maatschappijbeeld. Als literatuur iets vermag, is het dat ze de spanning tussen kleine individuele levens en de analyse van het grote voelbaar maakt. Dat is de opdracht van kunst. Het staat buiten kijf dat mensen afschuwelijke keuzes maakten, en als student maakte ik hen daar vooral verwijten over. Nu boeit me vooral waarom ze die keuzes maakten. Ik heb dat op het einde van haar leven aan mijn grootmoeder gevraagd. Ik zag vooral onbeholpenheid: ze wist het niet.’

Waar we zitten, in de 18de-eeuwse Sint-Petrus en Pauluskerk van Hansbeke, lijkt de wereld ver, maar de schrijver zet de deur open naar Irak of Afghanistan. ‘Als je ’s ochtends niet weet of je kinderen de dag zullen overleven, begrijp ik dat er mensen zijn met heimwee naar de tijd van Saddam. Een democratie die zichzelf niet wapent, is redelijk futiel. Je ziet ook wat nationalisme en populisme teweegbrengen. Verworvenheden zijn niet voor altijd. Mijn grootouders hebben hun les geleerd en keken later met afschuw naar het discours van het Vlaams Blok. Ik zat op de poef bij mijn grootvader toen de Vlaamse beweging het Egmontakkoord afschoot en hij zat te vloeken. Dankzij hem heb ik wijze politieke lessen gekregen.’

Had het anders kunnen uitdraaien? Ik bedoel: als uw grootouders niet die lessen hadden getrokken uit WO II, had u dan zelf aan die kant van de geschiedenis kunnen blijven staan?

Mortier: ‘Vandaag denken we vaak: het zal ons niet overkomen, we hebben informatie genoeg. Maar al die jochies die naar Syrië trokken, zijn gevoed door het zo geroemde internet. Anders Breivik googelde zijn gruwelijke mensbeeld bij elkaar. Het internet is niet het antwoord, goed onderwijs is dat nog altijd.’

Ik ben altijd waakzaam voor de retoriek die niet naar woorden zoekt, maar naar de vuist die de ribben kan verbrijzelen.

‘Ik groeide op in een warm milieu dat wel kwetsuren had, maar ik ben altijd waakzaam voor de retoriek die niet naar woorden zoekt, maar naar de vuist die de ribben kan verbrijzelen. Niet zo lang geleden werden aan de Sint-Baafskathedraal in Gent twee mannen in elkaar geslagen. Ik vond het ook verkillend om van mijn echtgenoot (radiomaker Lieven Vandenhaute, red.) te horen dat een van zijn bazen bij de VRT zich in een mail afvroeg of er niet te veel gay-items in zijn programma zaten. Is dit 2019?’

Is er een stap achteruitgezet?

Mortier: ‘Er is veel veranderd na de affaire- Dutroux. Mensen gingen op zinnelijk gebied veel verkrampter om met elkaar. Er waren artsen die jonge adolescenten niet meer alleen durfden te onderzoeken, ze wilden gezelschap van assistenten. De hele #MeToo-beweging kwam er terecht, maar mannen à la Weinstein zijn níét de norm. Nu wordt echter elke gevoeligheid gejuridiseerd, terwijl ik van het ouderwetse principe ben dat bij een woord ook een wederwoord hoort. Natuurlijk is zwijgen geen optie. Ook niet in de kunsten. Moeten we kunstwerken verdoemen? Nee, als je het niet eens bent met een boek, schrijf dan een beter boek. Wie boeken verbrandt, verbrandt uiteindelijk mensen. Wie boeken zuivert, zuivert ook mensen. Het is een illusie dat door correcte kunst mensen correct gaan leven.’

Op het plein voor de kerk passeerden we net een oude schandpaal. Hij lachte: ‘Totaal overbodig sinds we Twitter hebben.’ Nu zegt hij: ‘Het is niet zo dat de stad in brand staat of dat de guillotine op de markt opgesteld is. Dus een paar gram politieke en intellectuele moed zou moeten volstaan om die enkele schreeuwlelijkerds op Twitter van antwoord te dienen. Nu sijpelt het toch in en ik kan me zelfs niet voorstellen dat het op redacties geen invloed heeft. Ik zou zeer waakzaam zijn voor de onbewuste zelfcensuur of, nog cynischer, voor de gedachte: het is toch een segment van onze lezers. Terwijl een overgrote meerderheid nog altijd redelijke mensen zijn die geen tijd hebben om idiotieën te verspreiden.’

16 maart is het dus, het coronavirus is in het land, op die dag kijken we naar de eerste maatregelen. Mortier zegt: ‘Iedereen vraagt de nationale regering: doe iets. Men vraagt het ook aan Bart De Wever en co.: stop de leeuwenvlag in de koffer met de mottenballen en word volwassen. Dus als het erop aankomt, bestaat België wel nog.’

Hoe komt het eigenlijk dat de kunst- en literaire kringen in Vlaanderen mensen als N-VA-voorzitter Bart De Wever nooit omarmd hebben?

Mortier: ‘Dat is inderdaad opvallend. Mijn Spaanse, en tegelijk Catalaanse, uitgever staat in het hart van de nationalistische beweging daar. Ik kon met de man, die ondertussen overleden is, hartstochtelijk van mening verschillen zonder dat dat gevolgen had. Daar was de nationalistische beweging altijd sterk verweven met een artistieke avant-garde. Bij ons is de Vlaamse beweging dat contact kwijtgeraakt en heeft het dat zelfs verworpen. Niet alleen De Wever trouwens, een van de Van Rompuytjes noemde Toms (Lanoye, red) literatuur ooit volksvreemd.’

‘Ik zit eerlijk gezegd niet te springen voor omhelzingen van die kant. Als kind sleepten mijn grootouders me mee naar de IJzerbedevaart. Nu, met afstand, zie ik dat die mensen een nestwarmte zochten om over hun kwetsuren te praten. Dat ik toen in zo’n tentje gezellig een koffie zat te drinken met de weduwe Rost-Van Tonningen (haar man was tijdens WO II voorman van de Nederlandse Nationaal-Socialistische Beweging, red.) vind ik nu toch raar. Die mensen denken nog altijd: als we maar allemaal aan hetzelfde zeel trekken, zullen we het eindelijk eens halen op die Walen en op de PS. Dat men niet inziet dat dat apolitiek is en zelfs antipolitiek, intrigeert me.’

In de discussie van de cultuursector tegen de plannen van Vlaams minister-president Jan Jambon, ook een N-VA’er, hoorden we u niet.

Mortier: (met een glimlach) ‘Ik wil niet onder mijn gewicht boksen. Ik ben nu 55. Men zegt dat je je vrienden moet kiezen, maar ik vind dat je ook met een zekere zorg je vijanden moet kiezen.’


We verlaten de kerk weer, maar niet voor hij nog even op een klein kruisje aan de muur wijst. Het hangt er alleen tegen een paarse achtergrond van velours. Daarop staat de naam van de enige overledene van 2020 in Hansbeke: Paul Mortier. Buiten lopen we achter de kerk door, via een klein paadje, waar een oudere man tussen de haag schoffelt. Hij herkent de schrijver niet, maar als hij hoort dat hij de ‘zeune van Pol en Nelly’ is, ja, dan wel. ‘Toen ‘Marcel’ hier in 1999 werd voorgesteld, zeiden mijn ouders aan de uitgever: ‘Eindelijk begrijpen we hem.’

We wandelen door het decor van meer van zijn boeken. In ‘Sluitertijd’ kun je lezen over de begraafplaats van de familie van de graaf van Hansbeke, de Bosies-Borluuts. Daar, toont hij, woonde de zeer aanbeden schooljuf uit ‘Marcel’. Dit dorp kende een sociale tweedeling na de oorlog en de collaboratie, zijn grootvader stichtte in 1955 voetbalclub De Blijvers. In de bibliotheek leende schoolmeester Leenknecht hem boeken uit die hij eigenlijk niet mocht lezen. ‘Ik was 15 toen ‘Lieve jongens’, een film naar het boek van Gerard Reve, uitkwam. Ik wilde dat boek uitlenen en ik loog dat het voor mijn vader was. Ik zag dat hij me niet geloofde, maar hij gaf het me toch mee.’

 

Erwin Mortier in de kerk waar begin dit jaar afscheid genomen werd van zijn vader. ©Diego Franssens


Toen uw vader stierf, werd u wees op uw 54ste, drie jaar nadat uw moeder was overleden. Kon u afscheid nemen van uw vader?

Mortier: ‘Het was helemaal anders dan bij mijn moeder die toen ze 57 was, van de ene op de andere week, zwaar dement werd. Sinds haar 57ste tot haar dood toen ze 73 was, heb ik haar nooit meer horen spreken. Met mijn vader kon dat tot het laatste moment. Hij was al een tijd ziek, maar de ochtend van zijn sterfdag was hij nog bij bewustzijn. Tegen de middag begon zijn ademhaling te stokken en zachtjes is hij buiten bewustzijn en buiten het leven gegleden.’

‘Hij heeft zeker pijn geleden en het bezwaarde hem enorm om ons achter te laten. Soms zei hij in wanhoop: ‘Ik heb te veel pijn, geef me maar iets.’ Dat kon, zeiden we, palliatieve sedatie was mogelijk. Dan weet je dat je binnen twee, drie dagen zal gaan. Dan trok hij zijn ogen open en zei: ‘We zullen wel zien.’ We konden tot het einde praten. Niet dat daar grote woorden gebruikt werden, maar voor ons allen was dat zeer helend na die lange lijdensweg van mijn moeder. Het afscheid van mijn vader heeft veel van mijn schouders en uit mijn hoofd gehaald.’

U zei ooit: na je vijftigste ben je vooral met sterfelijkheid bezig, van anderen en van jezelf.

Mortier: ‘Het gaat niet alleen over mijn ouders. Jef (Geeraerts, red.) was lang ziek en de moeder van Lieven overleed in 2016 nadat ze had gesukkeld met de ziekte van Parkinson. In die jaren waren we vooral aan het zorgen. Raar genoeg ben ik sinds de dood van mijn vader minder met die sterfelijkheid bezig. Het is er, je beseft dat je 55 bent en dus aan deel twee na de pauze bezig bent. (lacht) De popcorn en de Fanta zijn al gepasseerd. Maar nu breekt een nieuwe periode aan. De Chinezen zeggen: ‘De middelbare leeftijd is als een tweede puberteit, maar met zwakkere tanden.’’

In dit dorp werd u schrijver en erkend ook, sinds dat debuut in 1999. Die ochtend van 25 februari 1999 verschenen in twee kranten meteen lovende recensies.

Mortier: ‘Ik was blij te lezen dat mijn debuut iets was waar niemand omheen kon. Natuurlijk waren er vakbroeders die zeiden dat ik een eendagsvlieg zou zijn. Maar 1999 was een wonderjaar, ook mensen als Dimitri Verhulst, Christophe Vekeman en Yves Petry waren van die generatie. Niet iedereen bleef. Ik herinner me ‘De wraakengel’, van Anke Helsen. Een fijn mens en een goed boek, maar ik heb er nooit meer iets van gehoord.’

Veranderde er iets in Hansbeke?

Mortier: ‘Van de ene op de andere dag word je een semipubliek figuur en ik zou daar pathetisch kunnen over doen, maar ik heb veel dierbare vrienden leren kennen, in binnen- en buitenland, dankzij dat schrijverschap. Natuurlijk betaal je een prijs. Er gaat een soort spontaneïteit verloren. Soms is het nodig te zeggen: ik blijf de zoon van Nelly en Paul, mijn moeder die schoenenverkoopster was in het imperium Torfs en mijn vader die op zijn zeventiende postbode werd.’

Mijn ouders waren mensen die met open armen naar de wereld leefden. En hun liefde voor elkaar is de voornaamste troost nu ze er niet meer zijn.

‘Daarom vond ik het hartverwarmend dat de kerk begin februari stampvol zat voor het afscheid van de man die jarenlang voor zijn demente vrouw zorgde, maar toch zelf niet vergeten werd. Ja, je bent wees, zelfs als je 54 bent, ben je nog hun kind. Maar ik heb heel veel van die mensen meegekregen. Een warmte, denk ik, het waren mensen die met open armen naar de wereld leefden. En hun liefde voor elkaar is de voornaamste troost nu ze er niet meer zijn. Hun afwezigheid is een blijvende naaktheid.’

Over mensen die u leerde kennen dankzij het schrijverschap: hoe was het om bij Reve en Claus, die u als jongen las, aan tafel te mogen zitten?

Mortier: ‘Van de grote jongens en meisjes heb ik onveranderlijk een grote ruimhartigheid ervaren toen mijn eerste boek verscheen. Bij die mensen was ik welkom. Dat is volgens mij het onderscheid tussen de echt groten en de tweede garnituur. Het levert ook altijd geestige conversaties op. Ooit was ik mee tijdens een kleine tournee van Behoud de Begeerte, samen met Gerrit Komrij, Remco Campert en Hugo Claus. Backstage ging het, dankzij Gerrits encyclopedische inspanningen dienaangaande, over de productie van darmgassen bij de mens. Waarbij iemand, om Veerle Claus niet te noemen, vertelde dat ze soms winden kon laten die door haar panty’s naar beneden kropen in die mate dat haar talons van haar voeten vlogen. Claus sprak toen de historische woorden: ‘Eén avond, één avond, en de discussie bevindt zich al op olympische hoogte.’ Om maar te zeggen: het gaat niet altijd over Jan Jambon.’


Er volgt nog een anekdote, over een lezing in de bibliotheek van Deinze met Gerard Reve, die de schepen van Cultuur (‘de zeer recentelijk naar de kapper gegane schepen’) bij de koffietafel nadien murw kletste over het dogma ‘Maria Mede-verlosseres’ en er toen tegenaan gooide: ‘En nu gaan we seksen.’ Mortier schatert: ‘Er ging een siddering door het zeldzame buideldier dat op het hoofd van de schepen gecoiffeerd stond.’

Dan stappen we nog wat verder. Langs het kerkhof waar nu zijn beide ouders begraven liggen, op een pad dat door de natuur leidt. ‘Als je door een landschap loopt, dan lees je een boek. Een landschap is een geschiedenis, want je kan er de tijd in opgraven’, zegt hij. Aan het einde van dit pad staat het gesloten hek van het kasteel van de graaf de Bosies-Borluut. De vader van een schoolvriend was er hovenier, met een loodjesgeweer schoot Erwin Mortier er op merels. ‘De graaf had vrienden van koninklijken bloede. Ooit moesten alle kinderen van de school met de Monegaskische vlag zwaaien omdat Grace Kelly op bezoek kwam in Hansbeke. Ze schonk ooit een hondje, zo’n dachshund, dat uiteindelijk bij de veldwachter belandde die naast ons woonde. ‘Wij wonen naast de hond van Grace Kelly’, zeiden wij dan.’

Het is allemaal lang geleden, misschien inspiratie voor nieuwe boeken, werk genoeg: voor Guy Cassiers een bewerking van Dostojevski voor de Comédie Française, een burgerpamflet dat ‘Ernstige Mededeling voor de Bevolking’ zal heten, de novelle ‘Drie vrouwen’ over drie vrouwen die belangrijk waren in het leven van Flaubert en ‘Vadertaal’, een volgende roman.

Tijdens deze coronapandemie beleef ik vooral een kleine revival van mijn geloof in de democratie.
Erwin Mortier
Schrijver


Maandagavond 6 april, 22.53 uur: mail van Erwin Mortier. Drie weken zijn sinds het gesprek gepasseerd, het lijkt een eeuw: de coronacrisis heeft het land nu helemaal platgelegd. Toen had hij nog verteld dat dit vroeg of laat moest gebeuren, maar dat de crisis ook leerrijk is. ‘We moeten kijken waarom de bevolking massaal toiletpapier inslaat.
(lacht) Ik zou natuurlijk veel liever hebben dat ze massaal mijn boeken inslaan, weliswaar niet om er toiletpapier van te maken. Maar ernstig: ofwel is er een deel van de bevolking dat door de klassieke mediakanalen niet meer bereikt wordt, ofwel bereiken ze hen wel en dat is even zorgwekkend. Want dat zou betekenen dat mensen het niet meer geloven.’

Onbedoeld leest een passage in ‘De onbevlekte’ plots wel actueel: ‘Ik was het vervangkind voor de zoon die aan de Spaanse griep bezweek. Iedere ochtend droegen de boeren op de aanpalende erven de doden van de nacht naar de straatkant, waar ze als vuilnis werden opgehaald en op de paardenkar gestapeld, hooguit in een deken gewikkeld omdat er geen hout genoeg was voor kisten. De lichamen moesten meteen begraven worden.’

Nu schrijft hij in de mail: ‘Ik herlees het werk van David Quammen. Hij heeft ook over ebola geschreven en in 2012 ‘Spillover. Animal infections and the next human pandemic’, waarin hij schrijft dat de meest waarschijnlijke kandidaat voor een grote pandemie een virus uit de coronafamilie zou zijn. De geschiedenis van mensen en virussen is bijzonder fascinerend. Niet het minst de pogingen van talloze biologen en medici om die mysterieuze eiwitstructuren te doorgronden. Ik leer er ook uit hoe dicht verweven alle leven op aarde is.’

‘Ik denk niet dat we al beseffen hoe historisch ingrijpend deze pandemie is. Vergelijkingen met de beide wereldoorlogen gaan niet op, omdat zelfs toen de globale economie nog min of meer functioneerde. De politieke, sociale en economische gevolgen zijn niet te overzien. Ik ben er niet bang voor. Het kan ook een moment van catharsis zijn, dat supranationale instellingen kan versterken of in het leven roepen.’

En hij besluit: ‘Wat me opvalt in de politiek in ons land, is dat als het er echt om spant, je toch nog altijd staatsmannen en -vrouwen hebt die kundig, toegewijd en met empathie leiding geven. Het laat ook de ledigheid van ieder populisme zien. De burger luistert daar niet naar. Hij is meer dan ooit doordrongen van het belang van het publieke goed. Zijn vertrouwen in en waardering voor onze zorgverstrekkers is immens. En ik denk dat de discussie over het belang van een goede publieke omroep bij deze beslecht is. De Vlaming kijkt massaal en wordt zeer degelijk geïnformeerd. Kortom, ik beleef vooral een kleine revival van mijn geloof in de democratie.’

‘De onbevlekte’ is uitgegeven bij De Bezige Bij, telt 142 blz. en kost 20,99 euro.

Even geduld...


Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud