Advertentie
interview

‘Ik heb niets meer te bewijzen'

Herman Koch. ©Jacqueline de Haas

Mocht het succes hem op zijn 24ste zijn overkomen, was het misgegaan. Maar op zijn 61ste is Herman Koch, de best verkopende en meest vertaalde Nederlandse auteur, niet snel meer uit zijn lood te slaan. ‘Ik ben niet bang om vergeten te worden.’

Zijn bestseller ‘Het diner’ is in 38 talen vertaald, stond vorig jaar wekenlang in de top tien van The New York Times en wordt binnenkort verfilmd door de Australische Oscarwinnares Cate Blanchett. Ook opvolger ‘Zomerhuis met zwembad’ verkoopt lekker in de Verenigde Staten en is onlangs door Publishers Weekly aangeprezen als een van de beste boeken van het jaar.

Het gaat hard voor Herman Koch (61). Maar dat is niet aan hem te zien als hij rustig het café aan de Herengracht in Amsterdam binnenwandelt. Geen spoor van ‘spatsies’, het Nederlandse woord voor kapsones. ‘Is dat écht de beroemdste Neder land se schrijver?’, vraagt de ober ongelovig, terwijl hij de ietwat sjofel geklede Koch monstert. ‘Ik dacht dat dat Erasmus was, of die andere, hoe heet-ie, Mulisch.’

Koch kan erom lachen. Zijn jongste boek, ‘Geachte heer M.’, is in mei verschenen in Nederland en België. De carrousel van interviews, recensies en optredens ligt alweer even achter hem. Terwijl het boek buiten in de met kerstlichtjes versierde winkelstraten vlot over de toonbank gaat, is de schrijver binnen alweer aan een nieuwe roman begonnen. Maar daar wil hij nog niets over kwijt. ‘Te vroeg. Het kan nog alle kanten op.’

Dit kunt u toch wel verklappen: is het hoofdpersonage weer een man met een hoek af?
Herman Koch: ‘Ja, maar anders. De mannelijke hoofdpersonages in ‘Het diner’ en ‘Zomerhuis met zwembad’ waren wat ongemakkelijke types, die je als lezer niet sympathiek kan vinden. In de VS noemen ze mij de auteur van feelbadboeken. Het hoofdpersonage in mijn volgende boek is hopeloos naïef, goedgelovig. Te goed voor deze wereld, bijna.’

Bent u stiekem een beetje een misantroop?
Koch: ‘Nee, echt niet. Maar iedereen heeft wel zo’n minachtend, laatdunkend kantje dat-ie denkt: ‘Gatver, al die mensen op de wereld, ik hoef die niet per se allemaal om me heen.’ Dat kantje vind ik interessant en onderzoek ik graag in mijn boeken.’

Was 2014 een goed jaar?
Koch: ‘Ik kan er niets slechts van zeggen. Het was een kalmer jaar dan de twee ervoor. Toen heb ik de halve wereld rond gereisd, omdat al die vertalingen uit kwamen. Ik zei overal ja op, daar ben ik inmiddels mee gestopt. De weken rond de verschijning van ‘Geachte heer M.’ waren wel wat drukker en onrustiger. Voor de rest was er weinig aan de hand. Leuk.’

Heeft uw internationale succes u veranderd?
Koch: ‘Je kan het besef dat je voor een groter publiek schrijft moeilijk uitvlakken, maar ik wil me zo weinig mogelijk laten remmen. Ik wil niet denken: dit of dit bestaat alleen in Nederland, dus daar schrijf ik niet over. Als er te veel typisch Nederlandse dingetjes in staan, plak ik achteraan in het boek wel een verklarende woordenlijst.’

Ervaart u meer druk dan vroeger?
Koch: ‘Op mijn 24ste zou ik het succes allicht moeilijker hebben verteerd. Ik kan me goed voorstellen dat ik onder de prestatiedruk zou zijn bezweken. Je hoort mensen soms denken: ‘Over die lat raakt hij nooit meer.’ Maar ik ben zestig inmiddels. Vergeet ook niet dat ik voor ‘Het diner’ al boeken had geschreven die minder verkochten. (licht ironisch) Dat helpt ook.’

8
Herman Koch heeft acht romans en een kortverhalenbundel op zijn naam staan.

‘Het succes heeft me bevrijd. Natuurlijk, je hoopt als schrijver altijd dat je volgende boek beter is dan je vorige. Maar ik hoef niets meer te bewijzen, niet voor mezelf en niet voor anderen. Het enige wat ik wil, is boeken schrijven, telkens andere. ‘Geachte heer M.’ is een roman waarin hetzelfde verhaal wordt verteld door verschillende personages. Dat had ik nog nooit gedaan. Het was ook best complex, omdat het door die perspectieven allemaal veel ingewikkelder wordt, en alle verhaallijnen moeten kloppen. Ook het boek waaraan ik nu begonnen ben, is weer helemaal anders. Tijdens het schrijven vraag ik me geregeld af: ‘Kan ik dat wel, wat ik aan het proberen ben?’ Die gezonde gedachte drijft me voort.’

Bent u anders gaan leven nu het geld binnenstroomt?
Koch: ‘Sommige mensen denken dat ik binnen ben, maar dat is volgens mij niet zo. Ik ben niet het soort schrijver dat elke twee weken naar de uitgever belt om te vragen hoeveel boeken er precies verkocht zijn. Ik heb eerlijk gezegd geen idee. En ik ben ook niet het type dat de hele tijd zijn bankrekening in de gaten houdt. Maar er is wel een soort rust neergedaald. Ik kan een paar jaar zonder zorgen schrijven aan een nieuw boek, ik hoef geen dingen te doen waar ik geen zin in heb. Ik kan het me zelfs veroorloven een minder boek te schrijven.’

‘Ik geef makkelijk geld uit, altijd al. Ik ga graag uitgebreid lunchen en ’s avonds lekker eten. Ik ben wat minder prijsbewust, maar het is niet zo dat ik plots naar veel duurdere restaurants ga. Uit nieuwsgierigheid ben ik wel eens in een sterrenrestaurant gaan eten. Het eten is er wel bijzonder, maar ik vind al dat gedoe er rond vervelend. Alsof het om een soort hogere kunstvorm gaat.’

In The New York Times verscheen af gelopen zomer een vernietigende recensie van ‘Summerhouse With Swimming pool’. Raakt kritiek je?
Koch: ‘Ik heb voor geen enkel van mijn boeken ooit unaniem enthousiaste recensies gekregen. The New York Times was uitgesproken negatief, The Washington Post lovend. Wat me wel opvalt, is dat mijn boeken in de VS vaker op morele gronden worden afgekraakt dan elders.’

‘‘Het diner’ gaat over twee ouderparen die op restaurant praten over het wangedrag van hun zonen. Hoever gaat de liefde van ouders? Maar sommige passages botsen met het politieke correcte denken. Zo wordt de vraag geopperd of de dakloze mee schuldig is aan zijn eigen dood. Een van de jongeren is een Afrikaanse adoptiezoon. Daar hebben weldenkende Democraten het erg moeilijk mee, alsof er een gevaarlijke racistische ondertoon in mijn boek zou zitten.

‘‘It’s the morality of the story that is really sickening’, schreef de recensent van The New York Times. ‘Lolita’ van Nabokov werd op dezelfde gronden verworpen. Wellicht heeft dat zinnetje veel nieuwsgierigen net aangezet het boek te lezen.’

Dus u wordt niet woest als u leest: ‘Met deze roman in mijn handbagage koos ik voor een film op het vliegtuig.’
Koch: ‘Boos word ik bijna nooit. Ik lees die recensie een of twee keer, en gooi ze dan weg. Hoogstens zal je me eens horen mopperen, maar nooit lang.’

U bent zelf ook een beetje stout in uw boeken.
Koch: (lacht) ‘Jazeker.’

U bent niet zo lief voor leraren in ‘Geachte heer M.’
Koch: ‘De leraren die ik het leukst vond, waren totaal ongeschikt voor het beroep. De meeste leraren zijn middelmatig en saai, en ze horen zichzelf eindeloos graag praten. Ik ben vorig schooljaar naar een ouderavond geweest over hoe omgaan met leerlingen die met hun iPhone aan het spelen zijn tijdens de les. Ik denk dan: ‘Waarom vervelen die kinderen zich op school? Vraag je dat eens af.’

‘Na de verschijning van ‘Geachte heer M.’ zijn op Twitter wat zure reacties verschenen: ‘Over die Herman Koch ga ik het in mijn lessen niet meer hebben.’ Dat soort uitlatingen bevestigt mijn oordeel. Maar binnenkort ga ik naar een school in Mechelen. De leraren hebben mij uit genodigd omdat ze willen tonen dat leuke scholen ook bestaan.’

De M. in de titel is een sneer naar  Harry Mulisch. Zou hij erom hebben kunnen lachen?
Koch: ‘Ik kan me vergissen, maar ik denk dat hij zich wel vermaakt zou hebben met mijn boek. De schrijver uit het boek is een 80-jarige man die in zijn leven wel eens een bestseller heeft geschreven over de oorlog, maar al lang niet meer herkend wordt op straat. Zijn boeken verkopen voor geen meter meer, maar hij houdt  vast aan zijn hoogdravende praatjes over literatuur en schrijverschap. Dat perso nage lijkt op Mulisch, maar het gaat ook over mezelf.’

Ik reserveer dagelijks een blok van drie uur om te schrijven, maar na twee uur ben ik meestal klaar.
Herman Koch

‘Toen ik twintig jaar geleden de eerste hoofdstukken voor ‘Geachte heer M.’ schreef, leefde Mulisch nog. Daarna heb ik het boek een hele tijd laten liggen. Maar ik ben er dus aan begonnen met de gedachte dat Mulisch het ooit zou kunnen  lezen. Ik heb de oude schrijver ook niet afgekraakt, ik heb er geen karikatuur van gemaakt. Het is geen afrekening, zoals sommigen denken. Ik zet niet één schrijver een beetje in zijn hemd, maar alle schrijvers, inclusief mezelf.

Wordt u nog uitgenodigd op het  boekenbal, het traditionele openingsbal op de vooravond van de boekenweek?
Koch: ‘Ja hoor, elk jaar. Maar een jaar of vijf geleden ben ik gestopt met ernaar toe te gaan, omdat ik het een feest van niks vind. Al die schrijvers die maar wat tegen elkaar staan op te kletsen, de schalen met warme hapjes...

‘En dan dat idiote beeld van al die  Hollandse schrijvers die met bonnen in  de hand staan aan te schuiven voor een biertje. Dat is toch het toppunt van Hollandse krenterigheid. Laat die tapkraan toch gewoon lopen. Ik heb jarenlang in dat literaire circus meegedraaid. Ik ken de codes. Het is een deinend schip: als je niet meedoet, word je zeeziek. Maar ik heb het allemaal heel bewust niet als satire  opgeschreven. Ik dacht, als ik precies beschrijf hoe het eraan toe gaat, valt er genoeg te lachen.’

Hebt u de jongste jaren veel jaloerse  reacties gekregen van collega’s?
Koch: ‘De leukste reacties komen van schrijvers die zeggen dat ze jaloers zijn  op mijn succes, en dat ze dat voor zichzelf ook wel zouden willen. Anderen zeggen: ‘Die publiciteit rond je boek is wel goed gedaan, niet?’ Dan zegt zo’n schrijver dat op zo’n toontje dat je weet dat hij bedoelt: ‘Het ligt niet aan je boek. Als ik zo’n campagne zou krijgen, zou het mij ook overkomen.’ Nu, voor een stuk is het mij ook gewoon overkomen. Je hebt niet alles in de hand. Op een gegeven moment wordt een boek een bestseller, er ontstaat een buzz, buitenlandse uitgevers raken geïnteresseerd. Er gaat een balletje aan het rollen.

Bent u bang om vergeten te worden?
Koch: ‘Nee, onsterfelijkheid interesseert me niet. Ik ben niet bang om vergeten te worden. Ik denk er nooit over na of ik over honderd jaar nog gelezen zal worden. Ik vind het wel een prettige gedachte dat er misschien iemand op een zolder in Wisconsin een boek van mij vindt in een oude kartonnen doos, en het begint te lezen.’

1,5 miljoen
In België en Nederland zijn van ‘Het diner’ inmiddels 1,5 miljoen exemplaren verkocht. In de VS staat de teller op meer dan een half miljoen.

‘Ik hoor soms schrijvers zeggen dat de boeken die ze nalaten hun kinderen zijn. Volgens mij hebben zij die dat zeggen geen kinderen. Het interesseert me niet om in de geschiedenisboeken te komen  of in de overzichten van de Nederlandstalige literatuur. De Grote Nederlandse Schrijvers club, dat is een club waar ik niet per se hoef bij te horen. Gerard Reve heb ik nog graag gelezen vroeger, maar ik kan niet zeggen dat ik plezier heb beleefd aan boeken van Mulisch. Ik hou niet van moeilijke ontoegankelijke boeken. Ik zou zo’n boek ook niet kunnen schrijven. Ooit heb ik het Groot Dictee der Nederlandse Taal geschreven en ik heb daar letterlijk hoofdpijn van gekregen. Ik moest de hele tijd denken: ‘Hoe kan ik dit moeilijker maken dan het is?’’

‘Maar ik ben geen zwartkijker. Er staat een generatie van twintigers en dertigers op die ik wel goed vind. Maartje Wortel in Nederland, en de Vlaamse Griet Op de Beeck, om er twee te noemen. Die schrijven in een heldere, toegankelijke taal waar ik van hou.’

Klopt het dat u maar twee uur  per dag werkt?
Koch: ‘Ik merk dat ik vaker goede dingen schrijf als ik snel doorwerk, een beetje als een schilder die enkele streken zet. Ik sta op en drink een kop koffie, rommel een beetje, blader wat door kranten. Ik heb een uur nodig om warm te lopen. Rond een uur of negen sluit ik alles af: telefoon, e-mail. Geen afleiding. Dan begin ik zeer geconcentreerd te schrijven. Ik reserveer een blok van drie uur, maar na twee uur ben ik meestal klaar. Dan zit ik op een punt dat ik denk: ‘Nu moet ik stoppen, zo is het precies goed.’ Als ik dan verder doe, wordt het niet beter.&rsquo

Wat een zalig luizenleven leidt u.
Koch: ‘Vroeger werkte ik wel vaker hele dagen door. Het is iets dat ik door ervaring geleerd heb. Ik schrap ook weinig in het begin, omdat ik ondervonden heb dat er vaak een reden is waarom je iets de eerste keer hebt opgeschreven. En ik stop altijd op een moment dat ik weet hoe ik morgen verder moet. Daar win je veel tijd mee.’

Loopt u wel eens vast met schrijven?
Koch: ‘Ja hoor, dat gebeurt af en toe. Soms slaat een soort verveling toe, meestal als ik over de helft van een boek ben. Dan denk ik: ‘Verdorie, ik heb geen zin meer.’ Ik stop wel eens een paar weken met schrijven. Vorige week dacht ik dat ik vastzat, maar dan ben ik in het weekend met mijn zoon van 19 naar Manchester United gaan  kijken. In het vliegtuig vroeg hij me:  ‘Pa, waarover gaat dat nieuwe boek van jou eigenlijk?’ Hij reageerde zo enthousiast dat ik de volgende dag meteen weer aan het schrijven ben gegaan.’

Klopt het dat uw zoon nog nooit  een boek van u heeft gelezen?
Koch: ‘Voor zijn eindexamen heeft hij vorige zomer, op aanraden van een docent, ‘Zomerhuis met zwembad’ gelezen. Het is hem niet slecht bevallen. En nu is hij in ‘Geachte heer M.’ begonnen.’

Misschien wacht hij met ‘Het diner tot de film er is. Hebt u regisseurCate Blanchett al ontmoet?
Koch: ‘Nee. Er is net een tweede versie van het script af. Het is haar regiedebuut, dus ze zal er wel haar tijd voor nemen. Ik zou haar wel eens graag ontmoeten om over mijn boek te praten en haar ideeën tehoren. Maar ik wil niet in de weg lopen.Ik heb tijd. (ironisch) Desnoods zie ikhaar wel gewoon bij de Oscaruitreiking. Ha, nu val ik toch door de mand. Kapsones, dus toch.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud