interview

‘Je moet geen politieke roman schrijven'

©Diego Franssens

‘Hoe slechter het sociaal-politiek klimaat, hoe beter de kunsten.’ Sandro Veronesi zegt het over zijn land, maar zijn nieuwste boek ‘De kolibrie’ is het beste voorbeeld. Lof alom, ook bij rechts Italië. ‘Een roman is een mirakel.’

De schrijver signeert de Nederlandse vertaling van zijn ‘Il colibrì’ en kopieert de laatste zes woorden van het eerste hoofdstuk woord voor woord. Hij weet natuurlijk hoe het er in het Italiaans staat (‘e per tutte le navi in mare’): ‘en voor alle schepen op zee.’ Uren later, bij een lezing in Rotterdam, vertelt Sandro Veronesi (60) dat zijn vader - zelf een zeiler - die woorden keer op keer uitsprak. ‘Hij wist dat de zee een gevaarlijke plaats is en dus moet je altijd bidden voor wie zich op zee bevindt.’

Je zou de link kunnen leggen met de bootvluchtelingen voor wie Veronesi zich actief inzet en over wie hij het dunne boekje ‘Blaffende honden’ schreef, maar nu is hij vanuit Rome naar het Amsterdamse Ambassade Hotel gekomen om over zijn nieuwe roman te praten. Een reis zonder hindernissen, nochtans per vliegtuig, enkele dagen nadat het coronavirus in Italië is opgedoken en het vandaag ook in De Telegraaf staat: ‘Corona is hier’. Hij glimlacht: ‘Ik was ontgoocheld: ik kon zomaar door de security, zonder een thermometerpistool op mijn hoofd te krijgen. (lacht) Ik moet het toch wel zien om te geloven dat het bestaat! Je gelooft toch ook niet dat de ‘Mona Lisa’ echt is voor je haar in het Louvre gezien hebt.’

Als je niet kan slapen door een rotzak van een minister, neem geen slaappillen, maar ga tegen hem vechten.
Sandro Veronesi
Schrijver


Zoals al zijn boeken begint ‘De kolibrie’ met het beroemde motto van Samuel Beckett: ‘I can’t go on. I’ll go on.’ Hoofdpersoon Marco Carrera werd door zijn moeder al de kolibrie genoemd omdat hij zo klein van gestalte was, maar in drie brieven schrijft zijn geliefde Luisa: ‘Je bent een kolibrie omdat je net als een kolibrie al je energie gebruikt om op de plek te blijven waar je al bent. Hier ben je geweldig goed in. Je slaagt erin om in de wereld bewegingloos te blijven en na verloop van tijd de wereld en de tijd om je heen tot stilstand te brengen...’

Is Marco Carrera daarmee een man die lijkt op Pietro Paladini, zijn legendarische protagonist uit ‘Kalme chaos’ en later ook ‘Zeldzame aarden’, de man die na het overlijden van zijn vrouw beslist om hele dagen aan de schoolpoort op zijn dochtertje te wachten? ‘Dat denk ik niet’, zegt Veronesi. ‘Sowieso zijn het geen echte mensen. Ik heb ze uitgevonden. Maar Paladini was een stem, want hij vertelde vanuit de eerste persoon. Carrera beschrijf ik vanuit de derde persoon. Van hem weet ik veel fysieke aspecten, waarover ik bij Paladini niet moest nadenken. Ja, Paladini komt tot stilstand, tot complete immobiliteit. Hij is (hij gebruikt het Franse woord, red.) ‘impuissant’. Carrera staat stil, maar er is altijd energie en beweging.’

Bedoeld is vooral: het zijn twee zorgzame mensen. Paladini zorgt voor zijn dochter, Carrera voor zijn dochter, zijn kleindochter, zijn ex-vrouw, zijn ouders, zijn broer, zijn onmogelijke liefde. U schrijft: ‘Niet kiezen voor wat het beste is voor jezelf...’

Sandro Veronesi: ‘Dat is het idee dat ik heb van goed vaderschap. Het soort vader dat ik ook wil zijn. Dat betekent niet automatisch zelfopoffering, als een filosofie, maar wel bereid zijn tot zelfopoffering. Carrera is dat omdat hij eraan werkt, Paladini omdat hij ervoor stopt. In de schaaksport bestaat de term ‘zugzwang’, het moment waarop je beter niet meer beweegt, want áls je beweegt, verlies je. Of ga je dood. In die toestand bevond Paladini zich. Carrera niet.’

Hoe ontstaat zo’n man als Marco Carrera in uw hoofd?

Veronesi: ‘4,5 jaar geleden kwam hij vanuit een donkere diepte waar ik niet zo veel van weet. Ik moest hard werken om het verhaal te ontdekken. Dat gebeurde al schrijvend. Toen ik het idee kreeg om het kortverhaal van Beppe Fenoglio te ‘coveren’, had ik nog geen idee dat Irene later zelfmoord zou plegen. Pas nadat haar kleine broer haar eerst gered had, sloop het idee toch op een sinistere wijze in mijn hoofd. Een beetje later gebeurde het. Dat is een detail, maar het tekent dit boek dat ik helemaal anders schreef dan al mijn vorige boeken. Ik liet het verhaal zijn gang gaan. Door het niet op lineair-chronologische wijze te schrijven, maar met flashbacks en vooruitspiegelingen, kon ik het zware leed dat op het pad van Marco Carrera kwam goed zetten. Het zou anders voor mezelf te zwaar geworden zijn.’

Het boek is nét uit. Een week. Dus u, lezer van dit verhaal, hebt het wellicht nog niet gelezen. Daarom is dit allemaal wat cryptisch, om niet te spoilen, al is die kans niet zo groot. Door met de tijd te spelen bouwt Veronesi dit wonderbaarlijk mooie boek, ook met vele vormen: vertelling, brieven, telefoons, mails, sms’en. Een voorbeeld: de eerste brief aan de kolibrie verschijnt ruim 63 bladzijden ná de tweede brief. ‘Zo moest ik niet aan een plot denken. Ik besliste wanneer ik wat wilde schrijven en zo kon ik alle duivels en alle engelen uit die donkere diepte loslaten zoals ik het aanvoelde.’

Vorig jaar, toen ‘Blaffende honden’ verscheen, vertelde u hoe u ‘De kolibrie’ onderbrak voor dat engagement voor de bootvluchtelingen voor de Italiaanse kust. Hoe lastig was dat?

Veronesi: ‘Ik nam een enorm risico, maar ik werd gered door mijn zieke lichaam. Ik was actief in de havens, ik bracht mensen mee naar huis en voerde actie tegen Matteo Salvini (de leider van het extreemrechtse Lega die op dat moment minister van Binnenlandse Zaken was, red.). Als je in die eerste linie staat, kun je niet zomaar stoppen. Maar toen kreeg ik een ontsteking van het pericard (een zakje rondom het hart, red.) en ik móést dus een maand stoppen met actie en rusten. Ik kon niet meer bewegen, dus plots kon ik weer aan mijn roman schrijven. Wat zou er zonder die ziekte van ‘De kolibrie’ geworden zijn? Misschien niets. Nu ben ik ervan overtuigd dat ik het laatste hoofdstuk zonder dat engagement nooit zou hebben geschreven. Mocht ik lesgeven aan jonge schrijvers, zou ik het hen aanraden. Als je niet kan slapen door een rotzak van een minister, neem geen slaappillen, maar ga tegen hem vechten. Je lichaam zal je nadien vanzelf wel tot de orde roepen.’

U had er ook een politieke roman uit kunnen puren.

Veronesi: ‘Het laatste hoofdstuk, dat gaat over de strijd tussen vrijheid en waarheid, is politiek. En elke roman is politiek omdat je schrijft vanuit een gezichtspunt. Maar daarom is een roman nog geen politiek instrument. Daar geloof ik ook niet in. Je moet geen politieke roman schrijven. Ik ging naar de ngo-schepen en ik ken journalisten die hun hele leven met die problematiek bezig zijn. Als die nadien een roman schrijven, gaat het per definitie daarover. Volgens mij kunnen ze beter essays, reportages en goede documentaires maken dan een roman erover. Ik geloof nog altijd in romans, maar dan als een expressiemiddel van een heleboel mensen die in jou leven. Een roman is een mirakel.’

©Diego Franssens


Op zijn pols staat ‘NO’ getatoeëerd, dat is bekend: het herinnert Veronesi er dagelijks aan ‘neen’ te moeten zeggen als dat nodig is. ‘Il colibrì’ verscheen vier maanden geleden en werd - in tegenstelling tot ‘Kalme chaos’ uit 2005, dat pas doorbrak toen hij er een jaar later de Premio Strega voor kreeg - meteen een succes. ‘In het Italiaans betekent ‘il successo’ ook: ‘het gebeurde’. Verleden tijd dus. Maar ‘De kolibrie’ had het meteen. Zelfs op de cultuurpagina’s van de extreemrechtse pers kreeg ik lof. (glimlacht) Dat is wel eerlijk, want ‘Blaffende honden’ braken ze natuurlijk af.’

Wat zegt dat succes over de universele mens?

Veronesi: ‘Als je schrijft over verlies en het mysterie van de liefde en je doet dat op een directe, bijna pornografische manier zonder een filosofisch instrument tussen jou en de lezer te plaatsen, raak je mensen. Bootvluchtelingen uit Afrika, die arm zijn en niets meer hebben, denken in de vier minuten waarop ze in zee belanden en bijna verdrinken, aan hun geliefden. Wel, mocht ik rijk zijn en ook in een bootje dreigen om te komen, zou ik ook bidden en aan mijn zonen denken. Aan mijn geld zou ik evenmin denken.’

Hij doet het in ‘De kolibrie’ voortdurend, dus hier mag het ook: we maken nog een sprongetje naar uren later in Rotterdam. Aan het publiek in het redelijk volgelopen theaterzaaltje van culturele stichting WORM beantwoordt hij twee uur lang enthousiast en met humor vragen van de Nederlandse auteur Ernest van der Kwast. Over dit boek, over andere boeken, over schrijven. De mooiste vraag komt uit het publiek: ‘Voor wie schrijft u? Voor uzelf, of voor ons?’ Veronesi aarzelt niet: ‘Ik schrijf voor Umberto Falaschi.’ Voor wie? ‘Voor Umberto Falaschi. Een oude vriend die niets met literatuur te maken heeft en u kent hem niet. Maar als ik schrijf, dan denk ik aan hem. Umberto zit tussen mij en het lezerspubliek.’

Terug in Amsterdam, uren eerder, vertelde hij over het belang van muziek in zijn werk. Fabrizio De André duikt in ‘De kolibrie’ op met zijn ‘Canzone dell’amore perduto’, maar ook ‘Gloomy Sunday’. Dat is een van oorsprong Hongaars zogenaamd ‘zelfmoordliedje’ dat onder meer door Billie Holiday, Elvis Costello en Björk werd uitgevoerd. Iemand maakte bij ‘Il colibrì’ een Spotify-lijst, zeg maar een soundtrack bij het boek.

U geeft de lezer veel mee, welaan dan: wat moeten we nog lezen?

Veronesi: ‘Zelf lees ik graag Amerikaanse auteurs als Richard Ford, Louise Erdrich, Jennifer Egan en Rick Moody of oude Britten zoals Ian McEwan, maar er is ook een prachtige generatie Italianen. Natuurlijk mensen als Paolo Cognetti en Niccolò Ammaniti, maar ook weer jongeren zoals Marco Missiroli. Gasten van nog geen 40 die niet, zoals mijn generatie, beïnvloed zijn door de tweede helft van de 20ste eeuw. Ik heb Alberto Moravia, Leonardo Sciascia en Giorgio Caproni persoonlijk gekend, als ik vijf jaar later was geboren was dat niet gebeurd. De nieuwe generatie is vrij en in deze verschrikkelijke tijden zie je ze opbloeien. Niet alleen in de literatuur trouwens. Dit zijn de slechtste sociaal-politieke tijden in Italië, maar de beste voor de kunsten. ’

En hij besluit: ‘Zelf ben ik volop bezig aan een filmscript voor Edoardo de Angelis, een Italiaanse regisseur. In 1940 is het Belgische schip Kabalo, geladen met onderdelen voor Britse vliegtuigen, aangevallen door een Italiaanse onderzeeër onder leiding van kapitein Salvatore Todaro. Er viel één dode, maar de Italianen redden ook 27 andere opvarenden. Een ongelooflijk sprookje aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Toen de Belgische kapitein Georges Vogels achteraf vroeg waarom Todaro hen toch gered had, antwoordde hij: ‘Omdat wij Italianen zijn!’ (lacht) Dus dat verhaal is vandaag toch belangrijk.’

Waarmee we toch weer bij dat ene zinnetje uit ‘De kolibrie’ zijn, dat overigens twee keer in het boek staat: ‘Laat ons voor hem bidden, en voor alle schepen op zee.’

‘De kolibrie’ van Sandro Veronesi is uitgegeven bij Prometheus, telt 336 pagina’s en kost 22,99 euro.


Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud