Schrijfster Tove Ditlevsen, superster uit de Deense sloppenwijk

Tove Ditlevsen werd geboren in Vesterbro, een verloederde arbeiderswijk van Kopenhagen. ©Carsten Snejbjerg

'Kindertijd', het eerste deel van de autobiografische trilogie van de Deense schrijfster Tove Ditlevsen, is een onthutsend mooi boek over opgroeien in kansloze armoede en het jubelende ontluiken van de poëzie.

'Ooit zal ik alle woorden opschrijven die door me heen stromen. Ooit zullen andere mensen ze in een boek lezen en zich erover verbazen dat een meisje toch dichter kan worden.'

Tove Ditlevsen wist als kind al waar haar roeping lag: ze zou een gevierd schrijfster worden. Niet meteen een evidente beroepskeuze voor een meisje dat geboren werd in 1917 in Vesterbro, een verloederde arbeiderswijk van Kopenhagen. Haar ouders waren arm en leefden in een klein appartement in een grauwe woonkazerne. Ze kreeg geen noemenswaardige opleiding.

Tragische figuur

Ditlevsen wist dat ze zich als meisje op verboden terrein begaf in een tijd dat de literatuur nog een mannenbastion was. Maar de noodzaak was onontkoombaar. Hoewel de kaarten niet in haar voordeel lagen, wierp ze zich met alles wat ze had in de strijd om een plekje te veroveren tussen de grote auteurs van haar tijd.

Haar boeken werden de hemel in geprezen, maar ze had haar imago niet mee.

Ditlevsen groeide uit tot een van de meest kleurrijke en tragische figuren van de Deense literatuur. Een superster uit de sloppenwijk, die zich ontworstelde aan haar afkomst en snel roem en succes vergaarde. Toch bleef ze in literaire kringen altijd een buitenstaander.

Haar boeken werden de hemel in geprezen, maar ze had haar imago niet mee. Enerzijds was ze een huisvrouw met drie kinderen aan haar been. Anderzijds zag ze vier huwelijken op de klippen lopen en kampte ze met een hardnekkige drugs- en alcoholverslaving. Ze bekampte haar demonen in een rijk geschakeerd oeuvre van romans, gedichten en kortverhalen, waarin thema's als vrouwelijkheid, de herinnering en het verlies van onschuld de boventoon voeren. Maar het mocht niet baten. In 1976 benam ze zichzelf het leven met een overdosis slaappillen.

Haar memoires, geschreven eind jaren 60, vormen de kroon op een indrukwekkend oeuvre. In drie dunne volumes voert ze zichzelf op, eerst als klein meisje, dan als jonge, zoekende schrijfster en uiteindelijk als drugsverslaafde moeder.

Verbitteren aan de haard

Het eerste deel, 'Kindertijd', is een portret van, jawel, haar kindertijd en de volkse buurt waarin ze opgroeide. Vrolijk gaat het er niet aan toe in het Vesterbro van de jaren 20. Er heerst grote werkloosheid - haar vader verloor zijn baan toen ze zeven was - de mannen verliezen zich in dronkenschap en de vrouwen verbitteren aan de haard.

In het krappe appartement waar het gezin woont, zit iedereen op elkaars lip en lopen de spanningen hoog op. De jonge Tove observeert het allemaal met een mengeling van verwondering en aanvaarding. Haar wereld wordt vooral bepaald door de stemmingswisselingen van haar dominante moeder, die soms dagenlang boos haar mond houdt zonder dat iemand weet wat er aan de hand is. Vooral Tove moet het ontgelden. 'Mijn band met haar is hecht, pijnlijk en breekbaar en ik moet altijd zelf op zoek naar een teken van liefde. Alles wat ik doe, doe ik om haar te plezieren, om haar te laten glimlachen, om haar woede te bezweren.'

Kinderliedje

De poëzie werpt zich op als een barrière tussen haarzelf en de vijandigheden van haar moeder en de buitenwereld.

Haar kindertijd, 'lang en smal als een doodskist', is een ziekte waarvan ze zo snel mogelijk wil genezen. Een periode die wordt beheerst door een verstikkend gevoel van onderdrukking. De poëzie komt haar redden en werpt zich op als een barrière tussen haarzelf en de vijandigheden van haar moeder en de buitenwereld.

'In mij begonnen lange, merkwaardige woorden als een beschermend vlies over mijn ziel te kruipen. Een lied, een gedicht, iets verzachtends en ritmisch en oneindig melancholieks, maar nooit droevig en triest. Als deze lichte woordgolven door me heen stroomden, was ik er zeker van dat mijn moeder me niets meer zou kunnen aandoen.'

Hoewel ze door haar omgeving op geen enkele manier werd gestimuleerd, had Ditlevsen zichzelf op haar vijfde leren lezen en schrijven. Vanaf haar tiende begint ze de woordslingers die door haar heen stromen te vangen in gedichten. Haar poëzie is een instinctieve reflex om in het reine te komen met een grimmige werkelijkheid. De taal die in haar begint te leven, verzet zich in alle hevigheid tegen de duisternis. Het is een taal die blinkt en klatert, waarin de meest alledaagse woorden beginnen te glinsteren en zwanger zijn van onverwachte betekenissen. Eenvoudig en zangerig als een kinderliedje, maar onderhuids broeiend en opgejaagd door een rusteloze melancholie.

Tove Ditlevsen, Kindertijd. Das Mag, 143 pagina’s, 19,99 euro.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud