interview

Schrijver Robert Menasse: ‘Brussel is veel spannender dan Parijs'

©Kristof Vadino

Als het rookverbod op café eerder was ingevoerd, had Robert Menasse nooit zijn bejubelde Brusselroman ‘De hoofdstad’ kunnen schrijven. Ontbijt met De Tijd.

Een roman van 450 pagina’s over eurocraten, tegen het decor van Brussel als hoofdstad van de Europese instellingen? Het lijkt artistieke zelfmoord. Maar de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse won er vorig jaar toch maar mooi de Deutscher Buchpreis mee, de evenknie van de Booker Prize en de Prix Goncourt.

De 63-jarige Menasse, die in Wenen woont en al meer dan een dozijn essays, kortverhalen en romans schreef, is al decennialang een van de meest gevierde Duitstalige auteurs. Het idee voor zijn Brusselroman viel hem te binnen op een avond in 2010, aan het haardvuur van zijn buitenverblijf, een hut aan de Tsjechisch-Oostenrijkse grens.

‘Ik besefte plots dat nooit eerder in de geschiedenis één stad zoveel invloed had op een volledig continent’, zegt hij. We zitten aan tafel in Mokafé, een chique plek met de allure van een bruine kroeg in de Koningsgalerij, bij de Grote Markt. ‘Om de mensen achter de Europese machinerie te begrijpen, moest ik naar Brussel verhuizen.’

De Europese Unie is halfweg gestopt. Niet alle Europese burgers hebben dezelfde kansen, en dat wekt agressie op.
Robert Menasse
Schrijver

Vier en een half jaar woonde Menasse in een flat in het centrum, vlak bij het Sint-Katelijneplein. ‘De saaie Europese wijk was me veel te steriel als uitvalsbasis’, lacht hij, aandoenlijk worstelend met een potje aardbeienconfituur en een croissant.

Hij sloot zich op in muffe archieven, verslond de memoires van Jean Monnet, de vader van Europa, en ontmoette ontelbare eurocraten in cafés, restaurants en de kantoren van de Europese instellingen. ‘De bal ging heel makkelijk aan het rollen, na de initiële contacten die ik kreeg via de Oostenrijkse ambassadeur. Na een paar maanden at ik al twee keer per dag op restaurant met mijn informanten. (lacht) Een Europees commissaris zei me dat ze in Brussel de tijd niet in weken of maanden, maar in kilo’s tellen.’

Zijn roman ‘Die Hauptstadt’, die in twintig talen verschijnt en binnenkort ook in het Nederlands, verweeft de levens van zes hoofdpersonages: van een Grieks-Cypriotische eurocrate in het ondergefinancierde directoraat-generaal Cultuur die een campagne moet verzinnen rond het 50-jarige bestaan van de Commissie, tot een detective die een politiek geïnspireerde moord onderzoekt.

De roman opent met een heerlijk absurde scène. Een loslopend varken doorkruist het centrum van Brussel en wordt door alle hoofdpersonages gezien. Datzelfde varken duikt later nog geregeld op, bijvoorbeeld wanneer Oostenrijkse varkensboeren lobbyen voor meer handel met China. ‘Het varken is een issue voor werkelijk alle geledingen van de Europese Commissie’, legt Menasse uit. ‘Als het nog op stal staat, valt het onder het departement Landbouw. In een container voor de export plots onder Handel, enzovoort. Daarom loopt het rond in de roman en verbindt het alle personages.’

Recensenten bewieroken ‘Die Hauptstadt’ als de eerste grote Europaroman. ‘Ik hou het meest van romanciers die een tijdsgeest kunnen vatten. Honoré de Balzac kon dat. Eigenlijk zou je twee jaar moeten uittrekken om alle delen van zijn ‘La Comédie humaine’ te lezen. Thomas Mann deed dat ook, met ‘De toverberg’. Ik had altijd het gevoel dat je als schrijver vlak voor het einde van een tijdperk plots de spirit van ganz ein Epoch kan vatten.’

©Kristof Vadino

Menasse rook in 2010 de parfum de crise rond het slabakkende Europese project. Sinds hij begon aan zijn roman, sukkelde het hopeloos verdeelde Europa van de ene crisis in de andere depressie: van de Griekse schuldenberg over de veiligheids- tot en met de vluchtelingencrisis.

‘De symptomen zijn altijd anders, maar het onderliggende probleem is hetzelfde: de nationale belangen van de lidstaten wegen steeds zwaarder, waardoor er nooit een gemeenschappelijke aanpak komt. De Europese Raad van regeringsleiders, die die nationale belangen verdedigen, is vandaag veel machtiger dan de Commissie.’

Niet voor niets schildert Menasse de eurocraten in zijn roman af als cynisch en machteloos. ‘De oudere generatie Commissie-ambtenaren die ik ontmoette in het Berlaymontgebouw, zij die Jacques Delors nog meemaakten als de laatste sterke voorzitter, zijn allemaal depressief. Hun voorstellen worden aan de overkant van de straat, in het gebouw van de Raad, altijd meteen verscheurd. Ze spreken zelf over martelaarsvoorstellen, omdat ze meteen gekeeld worden.’

Menasse pleit voor een radicaal andere koers. In zijn bekroonde essay ‘De Europese koerier’ uit 2012 ijvert hij zelfs voor de afschaffing van de natiestaten en de creatie van een Europese republiek. Critici sabelen hem neer als een utopist, maar Menasse hekelt vurig het ‘halfbakken’ Europese project. ‘Europa hád een narratief, maar is dat in de dagelijkse politiek vergeten. (ferm) Stap naar buiten en vraag eender wie: ‘Wat is de zin van het Europese project?’ Ze zullen het niet weten. Vrede, zullen sommigen antwoorden. Maar dat is maar de helft van de waarheid.’

Menasse neemt een hap uit zijn croissant en is vertrokken voor een paar felle minuten. ‘De Europese Unie is halfweg gestopt. Ze geeft elke inwoner de titel ‘Europese burger’. Maar het is het eerste burgerschap in de geschiedenis dat niet elke burger gelijkwaardig behandelt. Omdat je aan de ene kant van Europa heel goede kansen op onderwijs, jobs en gezondheidszorg kan hebben, en in een ander deel van Europa helemaal geen. Oorspronkelijk was de idee achter het Europese project dat een eengemaakte markt en een gemeenschappelijke munt alle burgers gelijke kansen zouden geven. Het zou niet mogen dat je kansen in je leven afhangen van de plek waar je geboren bent. Die sociale verschillen wekken agressie op. We zouden nu de tweede helft van de Europese belofte, het gelijkheidsprincipe, moeten inlossen.’

Parijs is een ‘madame’, té elegant eigenlijk. Brussel is dat niet, met haar gescheurde netkousen.
Robert Menasse
Schrijver

Zijn bloedhekel aan nationalisme wortelt in zijn familiegeschiedenis. Menasses vader van Joodse origine ontvluchtte Wenen in 1938 voor het nazigeweld. Hij kon pas na de Tweede Wereldoorlog terugkeren naar Leopoldstadt, de traditionele Joodse wijk van Wenen.

‘Ik leerde al heel snel dat nationalisme me intellectueel niks te bieden had. Ik ben geboren in Wenen, waar ik ook woon. Maar ik heb niks met het platteland. Dus ik zou het crazy vinden om mezelf Oostenrijker te noemen. Daar kleeft de geur van de bergen aan. Ik voel me veel meer verwant met de mensen van Bratislava, dat vlak bij Wenen ligt.’

Al op kostschool droomde de jonge Menasse van de wijde wereld. ‘Ik haatte het daar. Om te ontsnappen las ik Dostojevski. Daardoor zat ik in mijn hoofd in Sint-Petersburg.’ Na zijn studies Duitse letteren, filosofie en politieke wetenschappen gaf Menasse in de jaren tachtig acht jaar les in Brazilië.

‘Die jaren openden mijn geest en waren cruciaal voor mijn schrijverschap. Ik werd er zwaar beïnvloed door de vertelkracht en de grote gebaren van de Zuid-Amerikaanse literatuur. Terug uit Brazilië begon ik meteen voltijds te schrijven. Ik wist dat ik klaar was voor de wereld en niet alleen voor de Weense koffiehuizen.’

Het gesprek is een uur ver. Ineens veert Menasse zenuwachtig recht. ‘Ik moet een sigaret roken’, zegt hij ferm, terwijl we hem met moeite kunnen bijbenen in de Koningsgalerij. ‘We hadden eigenlijk naar een Molenbeekse shishabar (waterpijpbar, red.) moeten gaan’, suggereert hij aan de straatkant. ‘Daar kan je tenminste nog ongestoord roken omdat de politie er nooit controleert. Ik ging er vaak ontbijten met de bronnen voor mijn roman. Het enige vervelende is dat je daar niet binnen mag met een vrouw.’

©Kristof Vadino

Menasse neemt een flinke haal van zijn sigaret. ‘Ik rook minstens een pakje per dag. Als ik doorwerk tot middernacht worden dat er makkelijk twee of meer. (toont zijn pakje) Ik zweer al jaren bij het merk American Spirit.Wist je dat die hun sigaretten ecologisch produceren? De tabaksbladeren worden niet bespoten met bestrijdingsmiddelen. Er zitten ook geen chemische additieven in. Daardoor stopt de sigaret met branden als je ze in een asbak legt.’

Terwijl wij stijf van de kou aanstalten maken om weer naar binnen te gaan, steekt Menasse onverstoorbaar een tweede sigaret op. ‘Weet je dat ik mijn roman nooit had kunnen schrijven als het rookverbod in Belgische cafés (dat dateert van juli 2012, red.) vroeger was ingevoerd? Veel van mijn contacten rookten ook op café.’

‘Café Franklin, bijvoorbeeld, vlak bij het Berlaymontgebouw, was lang mijn stamcafé. Ik zat daar vaak tijdens het happy hour, omdat het er wemelde van de eurocraten en de EU-correspondenten van buitenlandse kranten. Maar na de invoering van het rookverbod ging het snel bergaf met dat café. Uiteindelijk ging het failliet, net als sommige andere Brusselse cafés waar ik graag kwam. Doodzonde.’

Zijn stem slaat over, zoals elke keer wanneer Menasse over Brussel spreekt. ‘Ik kom hier nog geregeld. Ik blijf meestal een week en heb hier drie favoriete Airbnb-adressen’, zegt hij terwijl hij een cappuccino bestelt.

©Kristof Vadino

‘Weet je wat zo verfrissend was toen ik voor het eerst in Brussel kwam? Dat ik op voorhand geen enkel beeld had van deze stad. Dat is uniek. Bij de meeste hoofdsteden, zoals Parijs of Berlijn, heb je wél op voorhand beelden en kleuren in je hoofd. In Parijs had ik de ene déjà vu na de andere. In Brussel niet, hier was alles nieuw.’

Zelfs als hij spreekt, schildert Menasse met woorden. Zoals wanneer hij Brussel de liefde verklaart. ‘Brussel is de kleine zus van Parijs. Parijs is een ‘madame’. Té elegant, eigenlijk. Brussel is dat niet, met haar verfrommelde, gescheurde netkousen. Maar net dat maakt deze stad zoveel spannender. Ik kom hier zó ontzettend graag.’

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content